. 2004 door het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA), Vlaams Parlement, 1011 Brussel
Deze studie, met de daarin vervatte resultaten, conclusies en aanbevelingen, is eigendom van het viWTA. Bij gebruik van gegevens en resultaten uit deze studie wordt een correcte bronvermelding gevraagd.
November 2004
Erik Laes Lakshmi Chayapathi Gaston Meskens
Gilbert Eggermont PISA, SCK•CEN MEKO, VUB SCK•CEN
SCK•CEN & VUB
Met medewerking van:
Paul Govaerts – directeur-generaal SCK•CEN Luc Hens – diensthoofd MEKO, VUB
Het schrijven van dit multi-disciplinaire onderzoeksrapport was enkel mogelijk door de raadpleging van archiefmateriaal en de inbreng van vele deskundigen op het terrein. Wij willen daarom volgende mensen bijzonder hartelijk danken:
Het viWTA, en in het bijzonder Robby Berloznik en Donaat Cosaert, voor het vertrouwen dat zij ons schonken bij het toekennen van deze onderzoeksopdracht en de stimulerende begeleiding van het project;
Gert Goeminne, Eloï Glorieux, Lieve Goorden, Elie Stubbe, Jef Turf, Stan Ulens, Ira van Keulen, en Aviel Verbruggen (de leden van de begeleidingscommissie), voor hun kritische en opbouwende commentaren bij het schrijfproces;
Michel Allé, Luc Barbé, Henri Bernard, Guy Demazy, Eloï Glorieux, Lydia Godderis-Lyppens, Robert Leclère, Jan Michiels, Paul Pataer, Maurice Potemans, Marc Sapir, Jean-Marie Streydio, Jef Turf, Stan Ulens, Theofiel Vanrenterghem, Jef Vanwildemeersch, en Aviel Verbruggen (de door ons geïnterviewde personen), die vrijwillig hun tijd ter beschikking stelden om ons verder te helpen en vele waardevolle inzichten leverden;
Guy Collard, Paul Govaerts, Luc Hens en Guido Steenkiste, die het eindrapport nog eens aan een grondige kritische lectuur hebben onderworpen en ons steeds nauwgezet bijstonden in de wetenschappelijke kwaliteitscontrole van de rapportering;
Ludo Veuchelen, Michel Bovy en Marc Matthys (SCK•CEN), voor hun onmisbare bijdrage op het gebied van het Transnuklear afvalschandaal (Ludo), risicoperceptie-theorieën (Michel) en de subsidies toegekend aan het SCK•CEN (Marc), met zeer gewaardeerd boekhoudkundig monnikenwerk.
Vanzelfsprekend blijven de auteurs volledig verantwoordelijk voor de analyse en de standpunten die ingenomen worden in dit rapport.
Erik Laes Lakshmi Chayapathi Gaston Meskens Gilbert Eggermont
Inhoud
Bijlage 1 : Samenstelling van de ‘Commissie der Wijzen’..................................................... 197 Bijlage 2 : Interviewleidraad en interviewresultaten .............................................................. 200 Bijlage 3 : Financiering van het SCK in de periode 1952-2003............................................. 258
ABVV/FGTB:
ACLVB/CGSLB:
ACV/CSC:
AEC: ALARA: AMPERE-comm
AVN: BBL: BCEO: BEIR: BVS-ABR:
CCEG: CDM: CO2: CREG: CVP/PSC: DBIS: DNM: DPWB-SPPS:
DSM: DTVK: ECCS: FANC-AFCN:
FBFC : GEN4: HADES : IAEA: ICRP: IIKW-IISN:
INES: INPO: INVEG: IPCC: IRE: IRMM :
IRPA: IRS: KP: LOCA: LNG: LRN:
Algemeen Belgisch VakVerbond / Fédération Générale des Travailleurs Belges Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België / Confédération Générale des Syndicats Libéraux de la Belgique Algemeen Christelijk Vakverbond / Confédération des Syndicats Chrétiens Atomic Energy Commission As Low As Reasonably Achievable
issie: commissie voor de Analyse van de Middelen voor Productie van Elektriciteit en de Reëvaluatie van de Energievectoren Association Vinçotte Nucléaire Bond Beter Leefmilieu Beheerscomité der Belgische ElektriciteitsOndernemingen Biological Effects of Ionizing Radiation Belgische Vereniging voor Stralingsbescherming – Association Belge de Radioprotection Controle Comité Elektriciteit en Gas Clean Development Mechanism Koolstofdioxide Commissie voor de Regulering van Elektriciteit en Gas Christelijke Volkspartij / Parti Social Chrétien Dienst voor Bescherming tegen Ioniserende Stralingen De Nieuwe Maand Diensten voor de Programmatie van het WetenschapsBeleid Services pour la Programmation de la Politique Scientifique Demand Side Management Dienst voor de Technische Veiligheid van de Kerninstallaties Emergency Core Cooling System Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle -Agence Fédérale de Contrôle Nucléaire société Franco-Belge de Fabrication du Combustible nucléaire Generation 4 High Activity Disposal Experimental Site International Atomic Energy Agency International Commission for Radiation Protection Interuniversitair Instituut voor KernWetenschappen – Institut Interuniversitaire des Sciences Nucléaires International Nuclear Events Scale Institute of Nuclear Power Operators Instituut voor Nucleaire Veiligheid en Gezondheid Intergovernmental Panel on Climate Change Institut national des Radio-Eléments European joint Research institute for Reference Materials and Measurements International Radiation Protection Association Incident Reporting System Kommunistische Partij Loss Of Coolant Accident Liquified Natural Gas La Revue Nouvelle
MMN: MOX: MWe: NCE : NFWO-FNRS:
NIM-SNI:
NIRAS-ONDRAF:
NGO: NOx: NPT: OESO: OPEC: PVV/PRL: PSA: Pu: PWR: REG: SAFIR: SCK•CEN:
SCTK: SO2: SP/PS: SPE :
STEG: TA:
TMI:
U: UN: UNFCCC: UNSCEAR:
USNRC: VAKS: VBO: VITO: viWTA:
VU: WANO: WKK:
Métallurgie et Méchanique Nucléaire Mixed Oxide MegaWatt elektrisch vermogen Nationaal Comité Energie Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek – Fonds National de la Recherche Scientifique Nationale Investeringsmaatschappij – Société Nationale d’Investissement Nationale Instelling voor Radioactief Afval en verrijkte Splijtstof -Organisme National des Déchets Radioactifs et matières Fissiles enrichies Niet-Gouvernementele Organisatie Stikstofoxide Non-Proliferation Treaty Organisatie voor Economische Ontwikkeling en Samenwerking Organization of Petroleum Exporting Countries Partij voor Vrijheid en Vooruitgang / Parti Réformateur Libéral Probabilistic Safety Assessment Plutonium Pressurized Water Reactor Rationeel EnergieGebruik Safety Assessment and Feasibility Interim Report StudieCentrum voor Kernenergie -Centre d’Etude de l’énergie Nucléaire StudieCentrum voor de Toepassingen van Kernenergie Zwaveldioxide Socialistische Partij / Parti Socialiste Samenwerkende vennootschap voor de Productie van Elektriciteit SToom En Gas Technology Assessment (of Technologisch Aspectenonderzoek) Three Mile Island Uranium United Nations United Nations Framework Convention on Climate Change United Nations Scientific Committee on the Effects of Atomic Radiation United Stated Nuclear Regulatory Commission Verenigde Actiegroepen voor een KernStop Verbond der Belgische Ondernemers Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek VolksUnie World Association of Nuclear Operators warmte-kracht koppeling
Omdat kernenergie als energievector een controversiële technologie is (en dit in de toekomst wel zal blijven), wil het viWTA de maatschappelijke discussie in kaart brengen tot aan de parlementaire beslissing tot een kernuitstap (2003), en een vergelijking maken met het debat over kernenergie in de jaren ‘70, ‘80 en ’90. Het rapport is vooral gebaseerd op een literatuurstudie en, in een secundaire ondersteunende rol, op de bevraging van sleutelfiguren rond het thema kernenergie. Bedoeling is de resultaten in te brengen in een debat, in eerste instantie voor deskundigen en belanghebbende partijen. Er werd een analyse gemaakt van de krachtlijnen van het maatschappelijk debat en besluitvorming in België en in de Europese context, vanaf invoering tot het besluit van afbouw van de nucleaire productie van elektriciteit. Dit rapport is in de eerste plaats bedoeld als onderbouwing van het viWTA programma ‘Energie en klimaat: debat in Vlaanderen’. Het project werd begeleid door een begeleidingscommissie die instaat voor inhoudelijke en methodologische bijsturing.
Er is hierbij gekozen voor een karakterisering van het debat in vier grote periodes (‘de prehistorie’ -de vroege keuze voor een nucleair programma in België, 19451970), de jaren ’70, ’80, en ’90 tot nu), die telkens beschreven werden op basis van drie hoofdassen (zie Deel 1 – Methodologie): de socio-culturele en politieke achtergrond, aspecten van besluitvorming, en het maatschappelijk debat (de gebruikte argumentaties) zelf. Er werd vooral geprobeerd om antwoorden te formuleren op vragen zoals:
Hoe was de debat-en beslissingsruimte gestructureerd in de loop van de
geschiedenis, en waarom was dit zo? Welke impact had dit op het maatschappelijk debat? Welke argumenten konden hierdoor aan bod komen, en welke niet? Waaraan ontleenden bepaalde argumentatiescenario’s hun robuustheid (ook
in de tijd)?
Tenslotte proberen we ook op basis van deze lessen uit het verleden het heden te begrijpen en reflecties te formuleren die eventueel een steun zouden kunnen zijn bij het op gang komende nieuwe debat over het energiebeleid.
Wereldwijd gezien is de civiele nucleaire technologie een afstammeling van militair gericht onderzoek (ontwikkeling van atoomwapens, aandrijving van atoomduikboten). De Belgische beslissing om te investeren in nucleair onderzoek is het resultaat van een samenspel aan factoren. Allereerst was er natuurlijk de rijkdom van de uraniummijnen in Katanga, een provincie van Belgisch Kongo, en het gebruik van het Belgische uranium in de eerste atoombom, die de basis vormde van naoorlogse overeenkomsten tussen de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en België. Met deze overeenkomsten verzekerden deze atoommachten zich van een stabiele en kwalitatief hoogstaande bevoorradingsbasis voor hun nucleaire programma’s. België verkreeg in ruil een bevoorrechte toegang tot niet-militaire nucleaire kennis, naast financiële voordelen in de vorm van heffingen op de export van uranium (vanaf 1951). Dit geld werd aangewend om de eerste nucleaire onderzoeksinstellingen in België op te richten (SCTK, later SCK•CEN). Het onderzoek stond in deze vroege fase niet alleen in het teken van een energiebevoorrading op lange termijn (commerciële toepassingen van kernenergie waren op dat moment nog toekomstmuziek), maar paste ook in de koloniale politiek van de Generale Maatschappij (die zwaar woog op de Belgische economische besluitvorming) en was een zaak van technologisch prestige. Via de goede contacten met de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk hoopte België een technologische voorsprong te verwerven op andere landen. Zo stelde de Belgische regering later haar kandidatuur voor de bouw van de pilootopwerkingsfabriek Eurochemic op haar grondgebied, en werd Mol naar voren geschoven als kandidaat voor de vestiging van het ‘Europees Centrum voor Kernonderzoek’.
De niet-militaire toepassing van kernenergie kreeg wereldwijd een belangrijke stimulans met de ‘Atoms for Peace’ voordracht van president Eisenhower (1955). Eisenhower pleitte voor een wereldwijde samenwerking rond kernenergie en een snelle verspreiding van de technologie, op voorwaarde dat de deelnemende landen de technologie niet voor militaire doeleinden zouden aanwenden. Ook de belangen van de Amerikaanse industrie, die een voorsprong hadden opgebouwd in de drukwaterreactortechnologie en een enorme wereldwijde afzetmarkt zagen voor hun product, hebben zeker gewogen op dit initiatief. Transnationale instellingen (IAEA, Euratom) zagen het licht met als expliciet doel de verspreiding van kernenergietechnologie te bevorderen, kennisondersteuning te verlenen (nucleaire TA) en de proliferatierisico’s te beperken. Deze benadering hanteerde echter een dubbele moraal waarbij kernwapenstaten verder kernwapens konden produceren in het ultiem perspectief van latere ontwapening terwijl ze de anderen via de V.N. dwongen om geen nucleaire militaire ambities te realiseren. Niettemin kon niet verhinderd worden dat naast de ‘erkende’ kernwapenstaten (Frankrijk, Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk, China en de Sovjet-Unie) sommige landen (India, Pakistan, Israël, Zuid-Afrika) naast een civiel kernenergieprogramma ook een kernwapenprogramma ontwikkelden.
Vanaf midden jaren ’50 groeide ook bij de Belgische industrie interesse voor de ontwikkeling van een industriële kernenergiecyclus, hierin ondersteund door onderzoeksprogramma’s van het SCK•CEN. De industriële strategie op de lange termijn was helder gesteld: beginnen met drukwaterreactoren, opwerken van het afval zodat uranium en plutonium konden afgezonderd worden, en later gebruik van dit plutonium in kweekreactoren die een veel betere benuttigingsgraad van splijtstoffen toelaten dan gewone reactoren. Deze industriële visie was een materiële vertolking van een als onvermijdbaar en wenselijk geachte exponentiële groeilogica. Bovendien was het de bedoeling dat België (vooral via de Generale Maatschappij) op termijn zowat alle stappen van deze energieketen zou beheersen, om te komen tot een grote mate van autarkie op het gebied van energievoorziening: uraniummijnen (Union Minière), brandstoffabricage (MMN), een eigen reactortype (onderzoek Belgonucléaire en SCK•CEN rond de ‘Vulcain’-reactor), opwerking en afvalverwerking (Eurochemic, Belchim), deelname in onderzoeksprogramma’s rond kweekreactoren (Kalkar). Deze ambitie bleek echter te hoog gegrepen. Een na een werden deze activiteiten ofwel overgenomen door buitenlandse belangen (MMN, participatie van Westinghouse in ACEC), ofwel afgesloten (Vulcain, Eurochemic), met verlies van expertise naar het buitenland, of liepen uit op een politieke impasse omtrent de regulering van veiligheidsrisico’s (Kalkar); zodat na verloop van tijd de Belgische belangen in de kerncyclus enkel nog aanwezig waren op het gebied van de industriële architectuur en controle (studiebureaus, erkende controleorganismen), ‘klassieke’ elektrotechniek (turbines, stoomgeneratoren, enz.) en bouwnijverheid (reactorgebouwen, enz.). De financiële middelen die door de regering ter beschikking waren gesteld hebben de nucleaire verworvenheden niet in Belgische handen kunnen houden.
De overheidsbudgetten voor het nucleaire onderzoek (vooral SCK•CEN) hebben nooit aanleiding gegeven tot een parlementair debat, hoewel zij sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog (en tot op heden) het leeuwendeel vormen van de totale begroting voor energieonderzoek. Ook de keuze tussen verschillende reactorsystemen (via de Westinghouse-licentie verkreeg de drukwaterreactor haar dominante positie in België) werd grotendeels bepaald door de houding van de Generale Maatschappij zonder al te veel overheidsinmenging. Kenmerkend voor deze eerste fase is dat er zeer weinig (publieke) reactie is gekomen tegen het opzetten van het SCK•CEN, het realiseren van de drie onderzoeksreactoren (BR 1 t/m 3) en de subsidiepolitiek van de overheid. Er heerste blijkbaar een grote overeenstemming dat België zijn toppositie inzake nucleaire technologie moest handhaven, in een context van wetenschappelijk en technologisch optimisme. Kernongevallen, zoals in Windscale (1957) in het Verenigd Koninkrijk, of zelfs in eigen land het ongeval in de kleine nulvermogen onderzoeksreactor ‘Venus’ te Mol (1966), veroorzaakten niet dezelfde mediabelangstelling of publiek protest die latere incidenten wel veroorzaakten. Aan de problematiek van het kernafval werd nauwelijks aandacht besteed – wat duidelijk in strijd is met hedendaagse beoordelingsprincipes van nieuwe technologieën, gebaseerd op een ‘levenscyclusanalyse’ (in kaart brengen van afvalstromen, van de ‘wieg’ tot het ‘graf’), het voorzorgsbeginsel en duurzame ontwikkeling. Dit gebrek aan belangstelling voor de milieu-impact van industriële activiteiten was natuurlijk niet enkel eigen aan de nucleaire sector, maar kaderde in een bredere context van dominantie van economische groeidoelstellingen.
Wereldwijd brachten vooral de atmosferische atoombomtesten, en de gezondheidsgevolgen van de mondiale fall-out, een brede maatschappelijke protestbeweging op gang (bvb. wetenschappelijke personaliteiten verenigd in Pugwash). Via de gevaren van proliferatie werd de band met de civiele toepassingen van kernenergie gelegd. Ook in België werd er in 1960 een anti-atoommars georganiseerd. Hoewel ook deze actie vooral gericht was tegen de militaire toepassingen van de kerntechnologie, vestigde de vertrekplaats van de mars (Mol, waar op dat moment de BR3 reactor in aanbouw was) op een symbolische manier de aandacht op de aanwezigheid van nucleaire installaties op eigen bodem, en vertolkte de ‘angst’ of ‘onrust’ hieromtrent.
Het ontstaan van een maatschappelijke controverse rond kernenergie in België is redelijk nauwkeurig te dateren, nl. in januari 1974, toen de bouwplannen van de elektriciteitsproducenten voor een kerncentrale te Zeebrugge bekend raakten. Nochtans was de principiële keuze voor de bouw van kerncentrales reeds eerder genomen. Het ministercomité voor sociaal-economische coördinatie gaf immers in 1966 reeds zijn principieel akkoord voor Doel, Tihange en Zeebrugge als vestigingsplaatsen voor kerncentrales, op basis van de aanbevelingen van de ‘commissie Boereboom’ (waarin naast vertegenwoordigers van de politieke wereld ook leden van de elektroholdings zetelden). Dat deze keuze geen aanleiding gaf tot een maatschappelijk debat (zo was er bvb. nauwelijks mediabelangstelling) valt vooral te begrijpen door de geslotenheid van de nucleaire sector, en het feit dat het energiebeleid en de exponentieel stijgende energieconsumptie (als motor van de economische groei) niet als problematisch ervaren werden. Er was eerder sprake van een ‘probleem’ van een overaanbod aan energieopties – met keuze uit de import van goedkope aardolie, in stand houden van de binnenlandse steenkoolproductie (met aanzienlijke overheidssubsidies), of de bouw van kerncentrales – dan van schaarste. Ook de soepele vergunningsprocedures en de invloed van de sector ook op het niveau van de adviserende overheden en erkende controleorganismen vergemakkelijkten de introductie van deze nieuwe vorm van elektriciteitsopwekking.
De oliecrisis van 1973 stelde het energieprobleem op een nieuwe manier aan de orde (hoewel er achteraf bekeken geen sprake was van een reële schaarste). Het beleid greep de oliecrisis vooral aan als een gelegenheid om een breed draagvlak te creëren voor beleidsopties die het hoofd zouden bieden aan de crisis. De belangrijkste doelstellingen op gebied van energiebeleid werden geformuleerd: voorop de zekerheid van bevoorrading (diversificatie van de energievectoren, stimulering van eigen steenkoolwinning, aanleggen van strategische voorraden en afsluiten van lange termijn contracten), en later ook het bevorderen van energiebesparing. De noodzaak van economische groei, en de als onvermijdelijk geachte groei van de energievraag, werden niet in vraag gesteld. De reeds eerder genomen beslissingen op het gebied van kernenergie pasten perfect in dit plaatje: door de verhoging van de aardolieprijzen zou kernenergie (nog) competitiever worden (steeds gebaseerd op niet onafhankelijk geverifieerde gegevens van de elektriciteitssector), bovendien kon zij bijdragen aan de diversificatie van de energiebronnen en de politieke onafhankelijkheid van de OPEC-landen. Ook de
E.E.G. pleitte voor een verdere uitbouw van kernenergie. Nadat in 1974 de eerste drie kerncentrales (Doel 1+2, Tihange 1) in gebruik waren genomen, werden de kernenergieplannen opgedreven nog voor enig parlementair debat had plaatsgevonden: de elektriciteitsproducenten bestelden in de loop van 1974 de hoofduitrusting voor vier nieuwe kerncentrales. In sommige scenario’s die in de loop van de jaren ’70 het licht zagen is (bvb. in het rapport van de ‘Commissie der Wijzen’) zelfs sprake van de bouw van ongeveer één kerncentrale per jaar tot 1990 (bij stijging vanhet jaarlijkseelektriciteitsverbruik van7à9%).
Door de resonantie met een bredere culturele achtergrond van kritiek op de consumptiemaatschappij oversteeg de impact van de oliecrisis echter de verwachtingen van de politieke klasse. In 1972 was reeds het befaamde rapport van de Club van Rome (“The Limits to Growth”) verschenen, dat de groeiende kritiek verwoordde op de veronachtzaming van natuur, milieu, industriële risico’s, sociale uitsluiting, enz. Internationaal gezien ontstond er in de jaren ‘70 een eerder kleine (maar historisch gezien) hardnekkige denkrichting die de oplossing voor de energieproblematiek ziet in efficiëntie, besparing, en de inzet van hernieuwbare energiebronnen (Lovins, Illich, Schumacher, Commoner, Ford Foundation e.a.), en die als inspiratiebron en/of cultureel paradigma functioneerde voor de Belgische actiegroepen en kritische academici. Alhoewel een vestigingsconflict (aanvraag bouwvergunning voor een kerncentrale te Zeebrugge) de concrete aanleiding vormde voor de start van de controverse rond kernenergie in België, gaat de motivatie van de contestatiebeweging dieper dan louter de ‘not-in-my-backyard’ (NIMBY) reflex. Deze kleine maar bijzonder actieve kern van kritische groepen (REM-U-235, VAKS, e.a.) en individuen (‘manifest der academici’, ‘de Nieuwe Maand’, ‘Links’, e.a.) tekent op korte tijd de krijtlijnen uit van wat in de volgende decennia bijzonder robuuste (technisch-wetenschappelijke, politieke en breed culturele) argumenten tegen een naar hun mening ‘onbezonnen’ uitbouw van kernenergie zullen blijken te zijn.
De beleidsnota van dhr. Baeyens (de toenmalige secretaris-generaal bij het ministerie van economische zaken, zie Deel 3), die in 1976 waarschuwt voor vestigingsproblemen (problematiek van de kerneilanden) indien aan een exponentiële groei van de elektriciteitsvraag wordt voldaan op basis van kernenergie, toont aan dat bepaalde argumenten van de contestatiebeweging ook tot het beleidsniveau waren doorgedrongen (waar er voordien eerder sprake was van twee gescheiden naast elkaar bestaande argumentaties). Het beleid bevond zich in het midden van de jaren ’70 in een moeilijke positie t.o.v. de groeiende kritiek. Enerzijds moesten probleemmilderende oplossingen geboden worden door de politieke verantwoordelijken, anderzijds waren de mogelijke beleidsopties beperkt door de reeds genomen beslissingen, die vooral door de elektroholdings1 waren uitgewerkt. De elektriciteitssector en de nucleaire sector vormden immers in België een onderdeel van invloedrijke economische en financiële groepen, die in de jaren ’70 en ’80 gerust als de ‘beslissingscentra’ inzake de uitrustingsplanning kunnen
1
Het huidige Tractebel is ontstaan uit de fusie in 1986 van Electrobel en Tractionel (vroeger ‘Traction et Electricité’), die hoofdaandeelhouders waren in de elektriciteitsbedrijven EBES, Unerg en Intercom (in 1990 gefusioneerd tot Electrabel). Tegenwoordig heeft Suez Lyonnaise des Eaux (via de Generale Maatschappij) bijna de volledige controle over Tractebel en Electrabel.
omschreven worden2. Bij de (weinig doeltreffende) regulering van de elektriciteitssector in het CCEG werd via de elektriciteitstarieven een ‘voldoende’ rendabiliteit voor de sector gegarandeerd. Deze regeling zorgde er niet alleen voor dat de elektriciteitsbedrijven een aantrekkelijke optie vormden in de beleggingsmarkten, bovendien zette ze de ‘beslissingscentra’ ertoe aan om kapitaalintensieve projecten te verkiezen. Dit effect werd nog versterkt door de verwevenheid (via dezelfde financiële groepen) van de elektriciteitssector met de toeleveringsbedrijven (studiebureaus, constructiebedrijven, bouwondernemingen) – waarvan sommige gedeelten afgestemd waren op een ononderbroken seriebouw van kerncentrales – en de verwevenheid met de publieke besluitvorming (gaande van ministeriële kabinetten tot het gemeentelijk niveau, via de gemengde intercommunales). Bovendien sloten de investeringen in kerncentrales perfect aan bij een globale filosofie van horizontale en verticale integratie van de sector (samenwerking en later samensmelting van elektriciteitsmaatschappijen, uitbreiding van transmissienet, ‘economies of scale’, enz.).
Gezien deze omstandigheden zag de overheid in een ‘afkoelingsperiode’ de mogelijkheid om een fundamenteel maatschappelijk debat aangaande het energiebeleid te ontwijken. Hiertoe werd de ‘Commissie der Wijzen’ opgericht die zich over alle aspecten van kernenergie moest uitspreken, ter voorbereiding van een parlementair debat. De resultaten van deze commissie bevestigden grotendeels de keuze voor een voortgezet nucleair beleid in België Het meest kritische geluid kwam van de werkgroepen ‘Gezondheid’ en ‘Ecosystemen’, die duidelijke randvoorwaarden stelden aan een verdere nucleaire expansie. Het rapport van de ‘Commissie der Wijzen’ kwam dan ook nauwelijks tegemoet aan de kritische vragen die de contestatiebeweging formuleerde, zodat het meest tastbare resultaat van het werk van de commissie de bouw van koeltorens bij de nieuwe kerncentrales (Doel 3+4, Tihange 2+3) was. Met de oprichting van het nationale DPWB-onderzoeks-programma ‘Energie’ (in 1976, nadat in de periode 1975-’76 reeds Commissies REV/URE (‘Rationeel EnergieVerbruik’/Utilisation Rationelle de l’Energie’) actief waren) probeerde de regering wel onafhankelijke expertise inzake het Belgische energiesysteem te ontwikkelen.
Verdere beslissingen werden bevroren in afwachting van de resultaten van het parlementaire energiedebat, dat uiteindelijk pas in 1982 zou plaatsvinden, en dat voorbereid werd met de publicatie van het ‘Witboek’ aangaande energie (1979).
De elektriciteitsproducenten bleven gedurende de jaren ’80 (tot 1988) in de opeenvolgende uitrustingsplannen voor de elektrische productiemiddelen de bouw van één of meerdere kerncentrales als de meest rendabele optie voorstellen. Het
2
De totstandkoming van deze situatie wordt in het rapport historisch gesitueerd, met als voornaamste etappes de oprichting van het Controlecomité voor Elektriciteit en Gas (CCEG) (1954), de groeiende integratie van de sector in de jaren ’60 en ’70, en de ‘Pax Electrica’ in 1981.
debat en de argumentatie rond de wenselijkheid van deze uitbouw zet zich dus verder in de jaren ’80, maar echter niet zonder de invloed te ondergaan van een wijziging in zowel de modaliteiten (opentrekken van het debat in institutionele overlegstructuren zoals het parlement of het ‘Nationaal Comité voor Energie’ (NCE), overname van kritische standpunten door politieke partijen) als de (inter)nationale context (reactorongevallen in Three-Mile-Island (TMI) (1979) en Tsjernobyl (1986), moratorium op zeeberging van laagradioactief afval (internationaal van kracht vanaf 1982)). Hierbij wordt de rol en gedeelten van de argumentatie van de contestatiebeweging (VAKS, kritische academici) gaandeweg overgenomen door andere groepen, bvb. politieke partijen (AGALEV/ECOLO, KP, VU, in mindere mate SP), vakbonden (vooral ABVV en in mindere mate ACV) en academici. Naast het verbrede periodieke debat rond de uitrustingsplanning (en vooral de vraagstelling rond een eventuele nucleaire expansie), lag de nadruk in het maatschappelijk debat tijdens de jaren ’80 ook op nucleaire veiligheid (zie bvb. de werkzaamheden van de ‘Tsjernobyl-commissie’ (1986-1991)). De problematiek van het kernafval kwam op het einde van de jaren ’80 (Transnuklear afvalschandaal (1987)) op de publieke en politieke agenda, hoewel de mogelijkheden van een berging in kleilagen reeds sinds het midden van de jaren ’70 bestudeerd werden in een onderzoekslabo van het SCK•CEN.
Het NCE bood gedurende de jaren ’80 een formeel forum voor een verruiming van het debat rond de uitrustingsplanning tot een bredere kring van betrokkenen, en tot de context van de gehele energieproblematiek. Deze verruiming greep echter pas effectief plaats door de katalysatorrol van bvb. de vakbondsorganisaties ABVV en ACV) en door de in opbouw zijnde expertise van de onafhankelijke onderzoeksgroepen in het kader van het DPWB-programma ‘Energie’ en het Planbureau. De modaliteiten van het debat waren ook in het NCE niet ideaal te noemen, omwille van de korte periode voorzien voor het formuleren van een advies, het feit dat het secretariaat van het NCE niet over eigen expertise beschikte, enz.. Toch werd deze verruimingsoperatie door verschillende groepen als een aanzienlijke verbetering t.o.v. de voorgaande situatie aanzien. Tijdens de debatten argumenteerden de critici vooral dat de beslissingsbasis voor de investering in productiemiddelen (de uitrustingsplannen) in België ‘bijzonder smal en zwak’ te noemen was: ze wezen op een gebrek aan aandacht voor onzekerheden (een selectief gebruik van scenario’s voor wat betreft de groei van de elektriciteitsvraag, investeringskosten voor kerncentrales, enz.), voor een globaal energiebeleid (afwegen van de aanbodsgerichte logica tegen een beleid dat eerder gericht is op een beheersing van de energievraag), en voor de grondige evaluatie van de gevolgen van de voorgestelde investeringen (voor wat betreft werkgelegenheid, de impact op de handelsbalans, milieu-impacts, diversificatie van de energiedragers, enz.). Dat de opeenvolgende uitrustingsplannen in de jaren ’80 nauwelijks tegemoet komen aan deze kritieken toont aan dat er geen sprake was van wederzijds leren van elkaars standpunten.
Andere besluitvormingsinitiatieven brengen dan weer tot uitdrukking dat belangrijke delen van de overheid geen grote rol voor zichzelf weggelegd zagen bij de energievoorziening van het land. Het parlementaire energiedebat van 1982-1983 (reeds aangekondigd vanaf 1975!) werd gekenmerkt door een eerder gebrekkige voorbereiding (de overhaaste actualisering van het ‘rapport der Wijzen’), een formele afwikkeling en een latente onverschilligheid t.o.v. de genomen besluiten (ondanks de lippendienst die bewezen werd aan het belang van ‘rationeel energiegebruik’ werd vrijwel geen effectief beleid in die zin uitgewerkt). Ook decentrale aanbodsopties (vooral WKK) werden systematisch tegengewerkt (via tariefvoorwaarden). Met het stopzetten van het onderzoeksprogramma ‘Energie’ (1987) gaf de overheid ook een teken dat de bijdrage van ‘buitenstaanders’ aan het energiebeleid overbodig werd geacht. Meer algemeen paste deze beleidsbeslissing (die door sommigen ook als een politieke afrekening wordt gekarakteriseerd) in een politiek van besparingen, de logica van de toen op handen zijnde regionaliseringronde (die het uitwerken van een globaal energiebeleid ook nu nog bemoeilijkt), en in een historisch tijdvak dat vaak als de ‘omgekeerde energiecrisis’ wordt aangeduid: tegen 1985 was de olieprijs in de meeste industrielanden opnieuw gestabiliseerd op een lager prijsniveau, en met de terugkeer van de rust op de energiemarkten verdween ook de beleidsaandacht voor het energievraagstuk.
De besluitvorming rond kernenergie werd bovendien in de jaren ’80 doorkruist door twee grote kernongevallen: TMI en Tsjernobyl. Het TMI-ongeval toonde aan dat de ‘menselijke factor’ in probabilistische veiligheidsanalyses (PSA) tot dan sterk onderschat werd (een punt waard de critici reeds tijdens de jaren ’70 op gewezen hadden). Wereldwijd nam de nucleaire sector de lessen ter harte en ging naast technische verbeteringen (die natuurlijk ook een prijskaartje hadden) veel meer aandacht besteden aan het vermijden van menselijk en organisatorisch falen. Het ongeval in Tsjernobyl veroorzaakte een zware schok die wereldwijd het vertrouwen in de kernenergietechnologie ondermijnde. Tegenstanders of critici van kernenergie zagen hun stelling bevestigd dat – zelfs al zijn Westerse reactoren veiliger, en ook al is de veiligheidscultuur in het Westen hoogstaander (argumenten die onmiddellijk door de voorstanders van kernenergie in stelling werden gebracht) – het risico van een catastrofe van ongekende dimensies nooit uitgesloten kan worden, en onaanvaardbaar is, vooral voor een dichtbevolkt industrieel land als België. De ‘Tsjernobyl-commissie’, die gedurende twee legislaturen de gelegenheid kreeg om de hele Belgische kerncyclus onder de loupe te nemen, ondersteunde impliciet deze argumentatie wanneer zij stelt dat “…kerncentrales tenminste 30 km. verwijderd moeten zijn van een stedelijke agglomeratie…”, vermits in België zowel voor Doel (in nabijheid van Antwerpen) als Tihange (in nabijheid van Luik en Namen) hieraan duidelijk niet voldaan wordt. Met deze aanbeveling (goedgekeurd in de senaatszitting van 8 december 1988) sprak de senaat zich in elk geval de facto uit tegen de bouw van een achtste kerncentrale in België. Daarnaast wees de commissie in haar aanbevelingen nog op verschillende lacunes in het nucleaire beleid (noodplanning, gebrekkige controle door de diensten DBIS/DTVK, enz.), waarvoor niet of zeer laattijdig oplossingen aangebracht werden. Het ongeval met de Mont-Louis (1984) vestigde dan weer de aandacht op de nucleaire transporten als ‘zwakke schakel’ in de kernbrandstofcyclus.
De problematiek van het kernafval, waarvan de nucleaire sector al gedurende decennia argumenteerde dat hij op termijn zeker technisch beheersbaar zou zijn, verscheen met het bekendraken van het ‘Transnuklear afvalschandaal’ plots in een uiterst negatief daglicht op de publieke en de politieke agenda. Het bestaan van aanzienlijke ‘nucleaire passiva’ kwam aan de oppervlakte (zowel voor Eurochemic, als voor de ontmanteling van de SCK-reactoren en het voormalige ‘waste’ departement van het SCK•CEN). Bovendien volgde het schandaal kort op het ongeval in Tsjernobyl, en dit in een periode van toenemende mediatisering van de politiek. In casu gaf dit aan oppositiepartijen (vooral de ‘groene’ partijen) en NGO’s een publieke tribune om hun kritische standpunten i.v.m. kernenergie te verkondigen. Vooral het gebrek aan authenticiteit van de nucleaire sector, d.i. de gebrekkige overeenkomst tussen de boodschap die de sector in het openbaar uitdroeg (‘kernenergie is veilig’, ‘het afvalprobleem is oplosbaar’) en het werkelijke gedrag (gedurende tien jaar kon een frauduleuze praktijk blijven bestaan zonder aan het licht te komen door externe controle), heeft toen waarschijnlijk een belangrijke impact gehad op de publieke opinie. Beleidsmatig gezien zijn de gevolgen van het afvalschandaal ook nu nog voelbaar in de strikte scheiding tussen de activiteiten van exploitanten van nucleaire installaties en het management van kernafval, en in de louter nationale organisatie van installaties voor conditionering, opslag en berging.
De nucleaire industrie werd zich gedurende de jaren ’80 in toenemende mate bewust van haar slechte imago en zocht een oplossing in een betere risicocommunicatie, gebaseerd op studies omtrent de risicoperceptie van ‘de gewone man/vrouw’. Initieel was deze nieuwe aanpak vooral gericht op het ‘opvoeden’ van het publiek, zodat zij de ‘meer rationele’ inschattingen van het nucleaire risico door de nucleaire experts zouden aanvaarden. Later, nadat het falen van deze eenzijdige educatieve communicatie aangetoond werd, zou deze aanpak met verschillende tussenstadia evolueren naar meer complexe modellen van interactie, gestoeld op een partnerschap tussen ‘gewone’ burgers, regulerende instanties en de uitvoerders van het nucleaire beleid (zie bvb. het RISCOM-model).
De opeenvolgende crisissen (TMI, Mont-Louis, Tsjernobyl, Transnuklear afvalschandaal) toonden de zwakke coördinatie en paraatheid van de regulerendeen beheersinstanties aan, en stimuleerden het politieke debat rond de gepaste vorm van regulering. De gewenste hervormingen kunnen grosso modo in twee stromingen ingedeeld worden: de ene staat een fusie van de erkende controleorganismen in een overheidsinstelling voor; de andere voorziet een behoud van deze organismen met meer onafhankelijkheid. Deze tegenstelling blijft tot vandaag nazinderen. Dit politieke conflict resulteerde na parlementaire vragen en rapporten in de jaren ’90 in de herstructurering van de bestaande diensten in een federaal agentschap (het ‘Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle -Agence Fédérale du Controle Nucléaire’ of FANC-AFCN). Hierbij zijn politisering en industriële beïnvloeding ondanks politieke intentieverklaringen hun rol blijven spelen. Het erkende controleorganisme AVN bleef in die periode van onzekerheid over de overheidsregulering instaan voor de controle op de veilige exploitatie van de kerncentrales.
Het ontbreken van sterke regulerende instanties (FANC-AFCN, NIRAS-ONDRAF) heeft waarschijnlijk het vertrouwen van de publieke opinie in de overheid gehypothekeerd en zorgde voor een verschuiving van het politieke debat naar structurele maatregelen om het de facto grote Belgische nucleaire programma beter te beheersen alvorens een verdere uitbouw kon overwogen worden.
De tonaliteit en intensiteit van het maatschappelijk debat rond (kern)energie werd in de recente periode vooral getekend door twee hoofdstromingen. Enerzijds was er het groeiende milieubewustzijn, wat zich gaandeweg vertaalde in een integratie van milieudoelstellingen in het economische beleid en politieke programma’s. Internationaal gezien kreeg de verwevenheid van milieu-impacts, economische aspecten, en sociale en institutionele kenmerken van de maatschappelijke ontwikkeling een neerslag in het nieuwe paradigma van ‘duurzame ontwikkeling’, dat wereldwijde bekendheid verwierf door het ‘Brundtland-rapport’ (1987), en in 1992 op de Rio-conferentie door het merendeel van de aanwezige delegaties werd onderschreven. Het vraagstuk van de klimaatsverandering door het (versterkte) broeikaseffect – vooral veroorzaakt door de massale emissie van CO2 uit de verbranding van fossiele brandstoffen – vormt één van de aandachtspunten van duurzaamheid. Op de opeenvolgende klimaatconferenties grijpt de mondiaal georganiseerde nucleaire sector (Foratom e.a.) deze problematiek aan om de voordelen van de eigen technologie op dat gebied in de verf te zetten, als perspectief op een latere toekomst. Maar het concept ‘duurzame ontwikkeling’ gaat verder dan enkel bekommernissen omtrent het milieu of het klimaat. Zo definieerde de ‘Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling’ vijf basisbeginselen van duurzame ontwikkeling: het principe van gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid, het principe van intra-en intergenerationele billijkheid, integratie van de componenten van duurzame ontwikkeling in alle beleidsdomeinen, het voorzorgsbeginsel en de erkenning van wetenschappelijke onzekerheden, en het participatiebeginsel en beginsel van goed bestuur.
Een tweede hoofdstroming is de liberalisering van de Europese elektriciteitsmarkt. Deze evolutie is (althans voorlopig) nadelig voor de bouw van nieuwe kerncentrales, vermits de ondernemingen in de geliberaliseerde context duidelijk de voorkeur geven aan de goedkopere en snel gebouwde STEG-centrales, met laag financieel risico.
M.b.t. de besluitvorming beperken de Europese directieven aangaande de liberalisering de actiemogelijkheden van de nationale overheden. Zo verliest de uitrustingsplanning – het centrale sturingsmechanisme van de voorgaande decennia
– haar bindend karakter en wordt ‘indicatief’. Tevens wordt het Europese niveau in een vrijgemaakte markt het meest relevante niveau voor de planning van productieeenheden, terwijl het nationale niveau belangrijke bevoegdheden blijft behouden om de energievraag bij te sturen. Nationale overheden kunnen immers de productiemix nog ‘sturen’ via bvb. financiële prikkels (groene stroomcertificaten, energieheffingen, verhandelbare emissierechten, enz.) of via het vergunningenbeleid (bvb. weigeren van vergunningen voor bepaalde technologieën), maar niet meer opleggen.
De focus in het kernenergiedebat verschoof, nu er geen sprake meer was van de bouw van nieuwe kerncentrales (vanaf 1988 onderschreven de opeenvolgende regeringen een behoud van het nucleaire moratorium), naar een aantal deeldebatten. Deze debatten waren echter vaak technisch van aard, zodat de publieke en de mediabelangstelling doorgaans eerder gering was. Eerst was er het MOX-debat (1993), dat een trendbreuk vormde in de besluitvorming. Het was de eerste maal dat het parlement, na een discussie ten gronde, eerder genomen beslissingen van de nucleaire sector herriep (althans voor wat de meest recent afgesloten opwerkingscontracten betrof). Voortaan moest de open splijtstofcyclus (met directe berging van gebruikte splijtstofelementen) op gelijke voet behandeld worden met de gesloten splijtstofcyclus (de volledige opwerking van alle gebruikte splijtstof vormde tot dan toe het referentiescenario voor het uitwerken van opties voor de afvalberging). In de parlementaire resoluties was echter ook voorzien dat het debat na vijf jaar herhaald zou worden (in 1998 dus), op het moment dat meer elementen ter beschikking zouden zijn om een keuze ten gronde te maken. Dit vervolgdebat heeft nog steeds niet plaatsgevonden, wat zorgt voor fundamentele onzekerheid (zowel technisch als economisch) omtrent de te volgen strategie voor het afvalbeleid (directe berging van bestraalde splijtstof of opwerking en berging van verglaasd afval).
Het afvalbeleid, en vooral de keuze omtrent een vestigingsplaats voor een berging van laagradioactief afval, stond volop in de publieke belangstelling. De optie van zeeberging werd met de ‘Conventie van London’ in 1993 definitief uitgesloten, zodat een andere oplossing voor het laagradioactief afval zich opdrong. Reeds in 1987 stootte NIRAS-ONDRAF op plaatselijk verzet toen zij een aantal gemeentes aanduidde als potentiële kandidaten voor de berging van laagradioactief afval. Dit scenario herhaalde zich in 1994 (bekendmaking van 98 ‘kandidaat-zones’) en 1997 (referendum te Beauraing). Telkens werd uitgegaan van een ‘top-down’ technocratische benadering van de besluitvorming. Het lokale verzet tegen deze aanpak werd door milieuorganisaties (Greenpeace) en politieke partijen (AGALEV/ ECOLO) aangewend om de problemen van kernenergie in de verf te zetten. Inhoudelijk argumenteerden deze groepen voor een langdurige opslag van het afval in aangepaste bovengrondse gebouwen. In 1998 veranderde NIRAS-ONDRAF haar aanpak grondig; de uitwerking van een bergingsconcept gebeurt nu in overleg met de betrokken lokale bevolking, geformaliseerd in partnerschappen (MONA, STOLA, PaLoFF). De publieke en politieke belangstelling voor deze partnerschappen is voorlopig relatief klein; resultaten worden verwacht in 2004-2005.
Omtrent de terugkeer van het verglaasd hoogradioactief afval uit La Hague werd vooral door Greenpeace actie gevoerd, in het kader van een strategie waarbij ‘in het oog springende’ nucleaire activiteiten telkens aangegrepen werden om een kernuitstap bespreekbaar te maken. Op het beleidsniveau ontstond een debat tussen de betrokken partijen (NIRAS-ONDRAF, Cogéma, Synatom, experts van het SCK•CEN, en de voogdijministers) omtrent controlemogelijkheden van het afval en de verantwoordelijkheid van de afvalproducenten. Voorstellen omtrent een meer uitgebreide (destructieve en niet-destructieve) controle werden op de lange baan geschoven; maar dit gegeven had weinig invloed op de terugkeer van het verglaasde afval, waarvoor de toenmalige voogdijminister (dhr. Deleuze, ECOLO, 1999-2003) zijn akkoord gaf.
Het debat rond de plaats van kernenergie in een toekomstgericht globaal concept van duurzame ontwikkeling is (zoals het tot dusver gevoerd werd) opnieuw een duidelijk voorbeeld van polarisatie tussen voor-en tegenstanders, waarbij vele aspecten van duurzame ontwikkeling (zie boven) onderbelicht blijven. Voorstanders van de blijvende inzet van kernenergie focussen op de positieve bijdrage van kernenergie bij de oplossing van de klimaatproblematiek (waarbij kernenergie als ‘één van de oplossingen’ – zij het een onmisbare – wordt naar voren geschoven), de bijdrage aan de bevoorradingszekerheid van het land (in een context waar naar alle verwachtingen de prijzen van fossiele brandstoffen zullen toenemen), de lage externe kosten (impact op milieu en gezondheid), de strikte veiligheidsvoorschriften en de technische oplosbaarheid van het afvalprobleem. Critici wijzen op het ontbreken van een duurzame oplossing voor het radioactieve afval, dat voor hen trouwens onoverkomelijke problemen i.v.m. transgenerationele ethiek stelt, de proliferatierisico’s (en ethische vragen daaromtrent), de niet-geïnternaliseerde kosten (de directe en indirecte subsidies, bvb. de geplafonneerde verzekeringskosten voor het nucleaire risico, en de ontmantelingkosten en kosten voor de berging van afval die volgens de tegenstanders hoger zullen oplopen dan nu ingeschat), en de mogelijkheid om de economische groei in absolute zin los te koppelen van een stijging van de energievraag.
Het rapport van de ‘AMPERE-commissie’, dat bedoeld was om een licht te werpen op de keuzes voor de elektriciteitsvoorziening van de 21e eeuw, kwam tot de conclusie dat alle opties (inclusief de nucleaire) open gehouden moesten worden voor de toekomst. Deze conclusies waren voor de critici van de nucleaire optie echter niet overtuigend, vermits opnieuw geen globale ‘bottom-up’ analyse van het Belgische energiesysteem, met een diepgaande analyse van de vraagzijde, werd uitgevoerd. Bovendien werden er vragen gesteld bij de modaliteiten die de werking van de commissie regelden, en bij de onafhankelijkheid van sommige experts. Bij de besprekingen n.a.v. het wetsvoorstel aangaande de kernuitstap (voorzien in het regeerakkoord 1999-2003, als één van de eisen van de ‘groene’ coalitie-partners) werd het debat ook niet ten gronde gevoerd. Ondanks het feit dat de wet op de kernuitstap in 2003 van kracht werd, lijkt dit debat dan ook verre van beslist. Een aantal actoren (bvb. Electrabel)3 is er blijkbaar van overtuigd dat een toekomstige regering op de beslissing zal terugkomen, gezien de (post)-Kyoto verplichtingen, het belang van lage en stabiele elektriciteitstarieven voor de grote industriële bedrijven in België, de te verwachten stijging van de internationale marktprijzen van fossiele
3
Zie ook de interviews met dhr. Allé, dhr. Demazy en dhr. Leclère, en dhr. Verbruggen in bijlage.
brandstoffen, en de gevaren van een te grote afhankelijkheid van de elektriciteitslevering op basis van één enkele brandstof (aardgas).
In de marge van de wet op de kernuitstap (waarmee bedoeld wordt dat deze wetgevende initiatieven nauwelijks tot een politiek of maatschappelijk debat hebben aanleiding gegeven) werden ook nog wettelijk bindende regelingen getroffen voor de voorziening van ontmantelingfondsen (met meer garanties aangaande de beschikbaarheid van die fondsen, in de context van een geliberaliseerde markt) en de financiering van de nucleaire passiva ten laste van de consument. Met deze initiatieven probeerde het beleid een oplossing te formuleren voor enkele dossiers die reeds langer op de agenda van de contestatiebeweging figureerden, zij het wel dat deze eerder de elektriciteitsproducenten wensten aansprakelijk te stellen voor de kosten van de nucleaire passiva (via een doorrekening in de nucleaire kWh), en de ontmantelingfondsen volledig onder publiek toezicht wilden plaatsen (tevens worden vraagtekens geplaatst bij de toereikendheid van de nu voorziene fondsen).
Op basis van onze bevindingen kwamen we tot volgende conclusies en aanbevelingen:
Conclusie: De de facto grote uitbouw van kernenergie in België werd nooit gekaderd in een globale analyse van het Belgische energiesysteem, met aandacht voor de vraagzijde en/of de omkadering van het elektriciteitsverbruik binnen het globale spectrum van energievectoren. De geschiedenis toont aan dat de overheid slechts een beperkte rol voor zichzelf ziet weggelegd bij het stimuleren van een maatschappelijk debat rond het energiebeleid (bvb. via expertcommissies of debatfora), of bij de regulering van de energie en/of elektriciteitssector. Het energiebeleid werd, bvb. via de uitrustingsplannen en de beperkte controle hierop, grotendeels overgelaten aan belangrijke financiële groepen. Er moet worden vastgesteld dat door de Europese vrijmaking van de leidinggebonden energiemarkten het nationale niveau minder relevant geworden is voor een aanbodbeleid maar relevanter voor een vraagbeleid via de scheiding tussen distributie en productie.
Een globale en systematische analyse van het energiesysteem dringt zich op, in de eerste plaats in internationaal verband, waar de geïntegreerde markt en de Europese overheid een evenwicht zoeken. Daarnaast is er op federaal (nucleaire bevoegdheid) en regionaal beleidsniveau behoefte aan een coherente regelgeving en stimuli met het oog op een visie op lange termijn.
Conclusie: Hoewel het relevante beleidsniveau op energie en milieuvlak zich nu veel meer dan 50 jaar geleden, ten tijde van de voorbereiding van het Euratom verdrag, op Europees niveau situeert lijkt er behalve voor financiële en R&D steun nog steeds geen belangrijke rol weggelegd voor Europa in beslissingen aangaande de splijtstofcyclus. Recente initiatieven van de EC voor afvalbeleid en veiligheidstoezicht liepen vast (richtlijnen “nuclear package 2003”). Een duidelijk federaal gecoördineerd beleid met oog voor de lokale en regionale implicaties is hierbij meer aangewezen. Het onderzoek naar gebrekkige aanvaardbaarheid en publieke risico-inschatting wijst er nochtans op dat de nucleaire sector (veiligheid, afval i.h.b.) een sterke regulator en een “guardian” van het hele systeem nodig heeft (RISCOM) op elk relevant niveau, waarbij Europa verdragrechterlijk de eerste plaats inneemt. De organisatie van openheid, transparantie en toerekenbaarheid blijft evenwel een uitdaging.
Een grotere rol van de Europese overheid in de splijtstofcyclus is aangewezen, zowel voor wat betreft het afvalbeheer op lange termijn, de reglementaire harmonisering als de controle en het toezicht. De hoofdverantwoordelijkheid blijft uiteraard bij de uitbater van nucleaire installaties liggen, die in het openbaar belang onder toezicht van een sterke regulator of 'guardian' zou moeten handelen.
Conclusie: Sinds Hirosjima/Nagasaki, vormde proliferatie de focus van een vooral ethisch debat wereldwijd en in België. De beweging tegen kernenergie heeft haar argumentatie voor een deel gebaseerd op risico’s van terrorisme en proliferatie in weerwil van de internationale maatregelen (verdragen, inspecties) en door de dubbelzinnigheid (‘haves’/’have nots’) van het non-proliferatie verdrag. De recente opstoot van terrorisme heeft deze thema’s weer scherp in de aandacht gebracht en heeft tot maatregelen genoopt. Het probleem wijst op de inherente technologische kwetsbaarheid van een energietechnologie zoals het nucleaire en vormt een hypotheek op duurzaamheid.
Aanbeveling:
Conclusie: Kernongevallen als TMI en Tsjernobyl tonen het belang van menselijke en organisatorische factoren (veiligheidscultuur) aan. Tsjernobyl was één van de grootste technologische rampen uit de geschiedenis met ruimverspreide pollutie tot gevolg, en heeft voor een stuk het draagvlak voor kernenergie weggenomen. In België werd daarnaast ook vooral gewezen op de gebrekkige reactie van de bevoegde overheden in crisismomenten, en meer algemeen het gebrek aan een sterke overheidsinstantie op het vlak van de regulering van de kernenergie. De milieu-impact van kerninstallaties bij normale werking is beperkt, op het thermische aspect na. Toch stellen zich enkele uitdagingen door lozingen in atmosfeer en water bij de grote opwerkingsfabrieken. Tevens is de invloed van de media op de besluitvorming duidelijk tot uiting gekomen: elk gebrek aan transparantie of elke contradictie wordt uitvergroot.
Het beleid i.v.m. nucleaire veiligheid moet op een proactieve manier vorm gegeven worden, met ruime aandacht voor de veiligheidscultuur (menselijk en organisatorisch falen). De regulering van het stralingsrisico dient meer aandacht te besteden aan de optimalisering van stralings-blootstelling en een beperking van de radioactiviteit in het licht van een ecosysteembenadering.
Conclusie: De elektriciteitsproducenten en financiële holdings hebben in de uitrustingsplannen nooit op een overtuigende manier kunnen aantonen dat de de facto uitbouw van het kernenergiepark zoals we het nu kennen ook vanuit macro-economisch standpunt werkelijk de beste optie was. Andere mogelijkheden (beleid gericht op energiebesparing, decentrale opties, enz.) werden nauwelijks overwogen en onvoldoende gerealiseerd, en de overheid bleef lang in gebreke bij het internaliseren van belangrijke kostenposten zowel in het niet-nucleaire als in het nucleaire (ExternE), waar voor ontmanteling, milieu-en afvalbeleid grote inhaalbewegingen gebeurden. Tegelijk werd de nucleaire optie sterk gesubsidieerd. Hoewel de budgetten voor nucleaire R&D in reële termen op 20 jaar substantieel verminderd zijn, vertegenwoordigden ze volgens het Europese Milieuagentschap op het einde van de jaren ‘90 nog het grootste deel van de R&D budgetten voor energie in Frankrijk en België. Een oefening om inzicht te krijgen in de nucleaire steun in het verleden levert nog onvolledige gegevens op en vergt een gecoördineerde aanpak.
Aanbeveling:
Omwille van de transparantie aangaande de financiering van de nucleaire sector is het nodig de verschillende financiële stromen in kaart te brengen, en te betrekken bij vergelijkende studies omtrent de internalisering van externe kosten bij verschillende energievectoren, met duidelijke weergave van de onzekerheden.
Conclusie: De organisatie van een effectieve onafhankelijke regulator en een onafhankelijke nucleair afval beheerder is in België al te lang uitgebleven en kreeg pas geleidelijk vorm nadat de nucleaire sector over zijn hoogtepunt heen was. Dit heeft ongetwijfeld in het nadeel gespeeld en het vertrouwen in kernenergie gehypothekeerd en vormt evenzeer een uitdaging voor duurzaamheid. De onderzoeks-en erkende instellingen hebben lang een deel van deze rol proberen opvullen in België, maar waren zelf gehandicapt door nucleaire controverses.
Aangezien participatie in de besluitvorming verschillend lijkt te evolueren in het nucleaire en niet-nucleaire domein dient onderzocht te worden hoe een participatiebenadering, die in het nucleaire domein voorlopig beperkt blijft tot lokale partnerschappen m.b.t. beheer van laagradioactief afval, uitgebreid kan worden naar andere dossiers, zoals bvb. reactorveiligheid of de berging van hoogradioactief afval, en naar andere instrumenten, bvb. consensusconferenties.
De beginjaren van de nucleaire geschiedenis in België (jaren ‘50 en ‘60) werden gekenmerkt door een groot optimisme omtrent de toepassingsmogelijkheden van deze technologie. De voorstanders stelden een bijna onuitputtelijke, goedkope en veilige energiebron in het vooruitzicht om tegemoet te komen aan een exponentieel groeiende vraag naar elektriciteit, in eerste instantie op basis van de drukwaterreactor4 technologie, later met behulp van kweekreactoren. De geschiedenis leert ons dat het anders is gelopen. Verschillende maatschappelijke ontwikkelingen en energiepolitieke benaderingen (bvb. vraag-en/of aanbodgerichte strategieën) eisen sinds het midden van de jaren ‘70 min of meer constant de publieke aandacht op en hebben – in verschillende configuraties – aanleiding gegeven tot een niet aflatende maatschappelijke controverse rond kernenergie. Daarbij valt te denken aan de klimaatproblematiek en de Kyotodoelstelling; de problematiek van non-proliferatie en, meer algemeen, de kwetsbaarheid van het energiesysteem (bvb. terrorisme en afhankelijkheid van import van fossiele brandstoffen – vooral olie en gas – uit politiek minder stabiele landen); de problematiek van kernafval en nucleaire veiligheid; de liberalisering van de Europese energiemarkten en de commercialisering van diverse concurrentiële energietechnologieën. Vooral bepaalde vormen van warmtekrachtkoppeling (WKK) en duurzame energievormen kunnen tegenwoordig op gunstmaatregelen rekenen (d.m.v. systemen van groene of WKK stroomcertificaten met gegarandeerde minimale prijszetting en vastgestelde progressieve aandelen in de totale elektriciteitslevering), die tegelijk met nucleaire kosten uit het verleden (passiva) aan de consumenten worden aangerekend. De kerncyclus kon in de door ons onderzochte periode voortdurend op een aanzienlijke financiële steun rekenen. Het SCK•CEN heeft in het kader van deze onderzoeksopdracht een deel van deze financiële stromen in kaart gebracht (zie Bijlage 3).
In België heeft het parlement in 2003 de beslissing genomen om de nucleaire elektriciteitproductie te laten uitdoven, met behoud van de onderzoeksinspanningen. Dit houdt in dat er geen nieuwe nucleaire centrales mogen worden gebouwd ter vervanging van de huidige, bij het verstrijken van de bij wet vastgestelde maximale levensduur van 40 jaar. Zo zouden in de periode 2015-2025 alle nu bestaande kernreactoren voor industriële elektriciteitsproductie, goed voor ruwweg 60% van de Belgische elektriciteitsproductie in 2004, uit dienst worden genomen. In de wet is echter wel een ‘overmachtclausule’ voorzien (zie Deel 5), en toekomstige regeringen kunnen uiteraard de wet wijzigen of schrappen. Op het moment van de parlementaire beslissing waren er slechts beperkte plannen voor vervangende productiecapaciteit of voor een beleid gericht op een reductie van de elektriciteitsvraag. De ‘Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas’ (CREG) volgt als regulator van het transmissienet de uitrustingsplannen wel op, maar kan, omwille van de liberalisering van de elektriciteitssector, enkel nog een indicatieve of
4
Beter bekend als de ‘Pressurised Water Reactor’ of PWR.
stimulerende rol spelen5. De elektriciteitssector zelf neemt een eerder afwachtende houding aan (zie Deel 5).
De toekomst van kernenergie in België lijkt dus vooral af te hangen van volgende (niet exhaustief bedoelde lijst van) factoren: o.a. de doeltreffendheid van energiebesparingsmaatregelen; de economische competitiviteit van kernenergie in vergelijking met de andere energiebronnen en wereldwijde technologische ontwikkelingen op het gebied van energievoorziening; de toekomst van het Kyotoprotocol en eventuele opvolgers; de problematiek van de non-proliferatie en wereldwijd terrorisme; de concrete vormgeving van het liberaliseringproces in de energiesector; de vraag naar oplossingen voor het accumulerende kernafval; de regulering en organisatie van de nucleaire sector; de maatschappelijke perceptie van de kerncyclus; en eventueel toekomstige nucleaire incidenten en ongevallen in Europa en wereldwijd. Omdat kernenergie een technologie is die maatschappelijke controverse oproept, wil het viWTA de huidige maatschappelijke discussie in kaart brengen, en een vergelijking maken met het debat over kernenergie in de jaren ‘70, ‘80en‘906.
Het rapport omvat in de eerste plaats resultaten van een literatuurstudie en, in een secundaire ondersteunende rol, de bevraging van sleutelfiguren rond het thema kernenergie ter onderbouwing van het viWTA programma ‘Energie en klimaat: debat in Vlaanderen’. Er wordt een overzicht opgesteld van het maatschappelijk debat en van de besluitvorming in België en in de Europese context, vanaf het einde van WOII tot het besluit van afbouw van de nucleaire productie van elektriciteit (in 2003). Een analyse op hoofdlijnen vult het overzicht aan. Het project wordt begeleid door een begeleidingscommissie die instaat voor inhoudelijke en methodologische bijsturing.
Centrale doelstellingen van deze studie zijn:
5
Het betreft hier een indicatief tienjarenprogramma dat om de 3 jaar herzien wordt en vanaf 2015 jaarlijks (in het kader van de kernuitstap, om de bevoorradingszekerheid te garanderen). Het wordt opgesteld door de CREG in overleg met de administratie energie van het Ministerie voor Economische Zaken, het Federaal Planbureau (FPB), de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling (ICDO), de netbeheerder (Elia), het Controlecomité voor Elektriciteit en Gas (CCEG, ontbonden op 30 juni 2003) en de gewestregeringen (Memorie van toelichting bij het ‘wetsontwerp houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie’, Parl. Doc. 50 1910/001). Voor de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt (de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteit-en gasmarkt) werden de uitrustingsplannen door het ‘Beheerscomité der Elektriciteitsondernemingen’ (BCEO) voorgelegd aan de regering (de Minister van Economische Zaken) na een adviesprocedure voor het ‘Nationaal Comité voor Energie’ (NCE). Dit uitrustingsprogramma was, na de regeringsbeslissing, bindend. Op de uitvoering ervan werd door het CCEG toezicht gehouden. Men kan zich vragen stellen omtrent het nut en de concrete toepassingsmodaliteiten van dergelijk ‘indicatief’ programma in een geliberaliseerde marktomgeving.
6
Bedoeling is deze resultaten in te brengen in een debat, in eerste instantie voor deskundigen en belanghebbende partijen. Verdere vervolgacties hangen af van de beslissingen van de raad van bestuur van het viWTA.
gevolgen voor mens en maatschappij (Commissie der Wijzen, AMPERE-rapport, MIRA-rapporten, de nucleaire passiva, enz.);
de ontwikkeling en financiering van de kerncyclus in België en gerelateerd onderzoek en ontwikkeling (R&D);
de evolutie van de publieke perceptie en algemene culturele achtergrond (bvb. technologisch optimisme, ‘vooruitgangsdenken’, eerste rapport van Club van Rome, opgang van ‘duurzaamheidsdenken’, enz.);
de politieke initiatieven en acties (van de principiële beslissing in 1966 over vestigingsproblemen in de jaren ‘70, tot structuurhervormingen en de kernuitstap) en de invloed van politieke regulering op de vormgeving van de technologische keuzes;
de graad van participatie (door belangengroepen, NGO’s en het brede publiek) in de besluitvorming.
Deel 1
1.1. Wat is een ‘maatschappelijk debat’?
Om conceptuele verwarring te vermijden is het noodzakelijk het nogal brede begrip ‘maatschappelijk debat’ nader te omschrijven. Een overzicht van de literatuur terzake leert dat dit concept niet welomlijnd is; doorgaans beperkt men zich tot enkele “middle range generalizations” (Cambrosio en Limoges 1991, p. 386). In dit rapport sluiten wij ons aan bij de algemene kenmerken zoals die tijdens het EuropTA onderzoek gedefinieerd werden (Joss en Bellucci 2002, p. 31). Eerst en vooral impliceert een maatschappelijk debat, zoals elk debat trouwens, een uitwisseling van ideeën en standpunten tussen actoren. Maar deze uitwisseling vindt zeker niet plaats in een vacuüm. Maatschappelijke groepen engageren zich niet zomaar vrijblijvend in een debat; er moet wel degelijk iets op het spel staan. Vaak is het bvb. zo dat een controverse pas op gang komt nadat er reeds een ‘sluipende besluitvorming’ heeft plaatsgevonden, en er dus enkel gereageerd kan worden op ‘voldongen feiten’ (bvb. reeds genomen investeringsbeslissingen). Een maatschappelijk debat hoeft ook niet noodzakelijk simultaan of van persoon tot persoon plaats te vinden; zo kan een individuele stellingname (bvb. via een brochure of een opiniestuk in de krant) evenzeer een bijdrage leveren. Men zal immers steeds argumenten impliciet of expliciet verantwoorden tegenover een imaginaire toehoorder of tegenstander7.
Een verder kenmerk van het maatschappelijk debat is dat actoren zich steeds zullen beroepen op het ‘publiek belang’ om bepaalde argumenten te onderbouwen8. Actoren die een stelling innemen in het debat doen dit steeds vanuit een politiek gemotiveerde positie9, ook als dit expliciet ontkend wordt. Verder kan een maatschappelijk debat niet apriori omlijnd worden10. Steeds bestaat de kans dat het ontsnapt aan rigide institutionele en inhoudelijke beperkingen, of aan begrenzingen in ruimte en tijd. De dimensies van een controverse kunnen niet op voorhand vastgelegd worden. Bovendien bepaalt deze ‘controversiële ruimte’11 (met onbepaal
7
In hoeverre deze imaginaire of, in vaktermen, ‘sociaal geconstrueerde’ toehoorder of tegenstander overeenkomt met de reële persoon of groepering is natuurlijk een andere vraag. De sociale constructie van andere groeperingen binnen het vertoog van één bepaalde actor maakt immers inherent deel uit van de maatschappelijke controverse.
8
Cambrosio en Limoges (1991) gaan zelfs zover te stellen dat dit kenmerk het enige absolute onderscheid vormt
tussen een ‘wetenschappelijke’ en een ‘maatschappelijke’ controverse. 9
Dit moet niet in pejoratieve zin opgevat worden; we bedoelen enkel dat actoren bij hun interventie steeds een gewenste maatschappelijke ordening op het oog hebben.
10
Bvb. naar aanleiding van het ongeval in Tsjernobyl (1986) zal de controverse, al naargelang het standpunt van de betrokkene, betere regulering, technische ingrepen in bestaande centrales, of de toekomst van de nucleaire sector in België als inzet hebben.
11
‘Controversiële ruimte’ moet hier dus niet begrepen worden als een ‘betwistbare ruimte’, maar eerder als ‘de ruimte die door de dynamiek van de controverse wordt blootgelegd’.
de dimensie) voor een groot stuk of het debat effectief beslecht kan worden binnen formele structuren (bvb. expertcommissies) dan wel (in sommige deelaspecten) voor een langere periode zal aanleiding geven tot nieuwe debatten telkens zich een concrete gelegenheid voordoet (bvb. problematiek van nucleair afval, nucleaire veiligheid, proliferatie, enz.). Het aantal betrokken actoren varieert ook sterk van debat tot debat, gaande van een publieke controverse op nationale schaal (met ruime aandacht in de media, massademonstraties enz.) tot een discussie binnen academische kringen.
Een analyse van het heterogene materiaal dat bij maatschappelijke controverses naar voren wordt geschoven vraagt om een ruimere aanpak dan de traditionele beleidsanalyse12. Voor dit project worden bijgevolg zowel theorieën en concepten uit politieke en sociale wetenschappen als uit het brede domein van ‘technologisch aspectenonderzoek’ (beter bekend onder de engelse terminologie ‘technology assessment’ of TA) toegepast. We sluiten aan bij inzichten van auteurs zoals Rip (1986), Rip et al. (1994), Cambrosio en Limoges (1991) en het recente EuropTA project (Joss en Bellucci 2002) die allen aandacht besteden aan het maatschappelijk debat (controverse) als de bepalende, limiterende factor voor de beslissingsruimte waarbinnen formele TA initiatieven (bvb. expertcommissies) en publieke besluitvorming (ontwikkeling van beleid, regelgeving, politieke actie, enz.) zich kunnen ontwikkelen.
In de volgende paragrafen beschrijven we eerst wat we precies bedoelen met het ‘in kaart brengen’ van een maatschappelijk debat. Hierbij schuiven we het concept ‘robuustheid’ als centrale onderzoekslijn naar voren. Daarna gaan we verder in op enkele aandachtspunten die we wensen te benadrukken i.v.m. onze onderzoeksaanpak. De laatste paragraaf handelt over de onderzoeksinstrumenten.
Bij onze analyse van het maatschappelijk debat gebruiken we het concept ‘robuustheid van argumentatie’ als leidraad. Een argument is robuust als het stand houdt onder wijzigende omstandigheden en kan verdedigd worden tegen externe aanvallen13. Onze analyse wijkt af van andere vormen van argumentatieanalyse14
12
Instrumenten uit de beleidsanalyse richten zich op de analyse van oplossingsstrategieën voor gegeven beleidsproblemen, en gebruiken hiertoe een meer homogeen bronnenmateriaal (beleidsdocumenten, beleidsnota’s, regeringsverklaringen, enz.). De analyse richt zich dan vooral op de effectiviteit en efficiëntie van de bestudeerde strategieën, d.w.z. rekening houdend met politieke belangen, economische kosten, macht van drukkingsgroepen, enz. In dit rapport is het ons niet te doen om de evaluatie van beleidsopties, maar eerder om het uitklaren van argumentatiepatronen (d.w.z. het beleidsprobleem is niet simpelweg gegeven; verschillende actoren kunnen in een gegeven situatie verschillende problemen zien). Bovendien is onze analyse er niet op gericht voorkeur toe te kennen aan deze of gene argumentatie of stellingname boven een andere.
13
Stirling (1999, p. 27) geeft volgende algemene definitie van ‘robuustheid’: “The capacity to sustain performance
under external perturbation by maintaining an established internal structure.” 14
Wij denken hier vooral aan het klassieke (en nog steeds invloedrijke) werk van Toulmin (1958).
waar vooral gelet wordt op de juistheid en de relevantie van de argumenten waarop een bepaalde stellingname is gebaseerd. Rip et al. (1994) wijzen er op dat in maatschappelijke controverses deze vorm van argumentatieanalyse minder geschikt is, omdat net in deze gevallen de correctheid van wetenschappelijke gegevens zelf ter discussie staat en er geen overeenstemming bestaat over de maatschappelijke waarden die betrekking hebben op het probleem. Het is voor de onderzoeker van maatschappelijke controverses onmogelijk om apriori uitspraken te doen omtrent relevantie of correctheid van argumenten.
Dit impliceert echter niet dat in deze gevallen een debat zinloos zou zijn, of dat zomaar ‘eender wat’ beweerd kan worden. Een controverse zal immers doorgaans leiden tot een articulatie van ‘foci’ in het debat. Rip et al. (1994, p.189) definiëren foci als vertrekpunten en centrale beschouwingen in een argumentatieschema, waarvan het belang door quasi alle maatschappelijke actoren erkend wordt. Dit betekent dat bijna alle actoren in hun argumenten naar het thema in kwestie zullen verwijzen, hetzij instemmend, hetzij om de positie van andere actoren te ondergraven. Op die manier kan de analyse van een controverse belangrijke informatie bevatten voor beleidsvoerders: welke argumenten worden algemeen aanvaard, welke worden betwist, en hoe wordt het verband gelegd tussen bepaalde argumenten en de corresponderende stellingname?
De verschillende deelnemers aan een maatschappelijk debat pogen nu hun argumentatie en stellingname op een zo robuust mogelijke manier op te bouwen, rekening houdend met de ‘foci’ van het debat. Robuustheid is een pragmatisch concept: argumenten zijn robuust als zij zonder al te veel moeite kunnen gestaafd worden, bvb. door een beroep te doen op – in het kader van deze studie historisch te situeren – algemeen aanvaarde beleidsprincipes, beleidsdoelen, ethische inzichten, en/of wetenschappelijke kennis. ‘Robuustheid’ en ‘correctheid’ en/of ‘relevantie’ zijn niet in tegenspraak want een argumentatie die opgebouwd wordt vanuit foute premissen kan onmogelijk robuust kan zijn in het maatschappelijk debat. ‘Correctheid’ en ‘relevantie’ moeten eerder gezien worden als één bepaalde manier om ‘robuustheid’ te bereiken.
In een maatschappelijk debat proberen verschillende deelnemers door het kiezen van robuuste argumenten hun positie te verdedigen tegen externe aanvallen. Dergelijk verdedigingsmechanisme leidt op zijn beurt tot een betere articulatie van argumenten. Mazur (1981, p. 127) omschrijft dit proces als volgt: “…Critics attack with great vigor, stretching their imagination for all manner of issues with which to score points against their targets. Proponents counterattack, producing new analyses and funding new experiments in order to refute the critics. Each probes and exposes weaknesses in the other side’s arguments. As the controversy proceeds, there is a filtering of issues so that some with little substance become ignored while others move to the fore…”. Robuustheid impliceert dus minstens een zekere articulatie van een netwerk van argumenten, standpunten, belangen, enz. ter ondersteuning van een bepaalde claim; zoniet zou deze claim bij de eerste de beste aanval in elkaar stuiken. Merk ook de inherente link op tussen ‘robuustheid’ van argumentatie in een maatschappelijk debat (wat door sommigen als ‘informele technology assessment’ bestempeld wordt) en ‘robuustheid’ van ‘klassieke’ TA instrumenten (bvb. expertverslagen, zoals de veiligheidsstudies voor kerncentrales (PSA15) of de ‘performance assessment’ en veiligheidsrapporten in het kader van de nucleaire afvalberging (SAFIR16)). Rip (1986) noemt dergelijke instrumenten ‘black boxes’. Hiermee bedoelt hij dat bepaalde deelaspecten van het debat (bvb. nucleaire veiligheid, afvalberging) geïsoleerd en zeer grondig worden bestudeerd, zodat het voor andere groepen steeds moeilijker wordt om de conclusies van dergelijke expertverslagen aan te vechten. Dit vereist immers een actieve deconstructie van de ‘black box’ – een optie die vaak de mogelijkheden van vele maatschappelijke groepen te boven gaat. Ook technologische artefacten kunnen op zich ‘robuustheid’ bezitten: zo kan, om een voor de hand liggend voorbeeld te geven, niemand eraan voorbij gaan dat er nu eenmaal zeven kerncentrales staan die instaan voor het grootste deel van de basislastproductie van elektriciteit in ons land.
Het is dit proces van articulatie dat we zullen aangrijpen in deze studie om het maatschappelijk debat in kaart te brengen. Rip et al. (1994, p. 190) raden aan om bij deze analyse gebruik te maken van zogenaamde argumentatiescenario’s: dit zijn schema’s die de verbanden tussen vertrekpunten, argumenten en eindconclusies systematisch in beeld brengen. Als foci gelden de thema’s die door nagenoeg alle actoren in hun argumentatie worden opgenomen, ofwel omdat men ermee instemt, ofwel omdat men ze betwist. Dergelijke argumentatiescenario’s kunnen om twee redenen verschillen tussen actoren onderling: ten eerste, omdat ze een verschillende nadruk leggen op dezelfde focus17, en ten tweede, omdat de foci door verschillende actoren op een andere manier worden uitgewerkt18. In theorie is het natuurlijk mogelijk om alle argumenten tot in de details uit te werken, maar dit maakt de argumentatiescenario’s al snel bijzonder complex en moeilijk hanteerbaar. Voor deze studie zullen wij ons beperken tot de grote lijnen. Onze keuze om bepaalde argumenten niet te behandelen impliceert dus geenszins dat ze niet relevant of correct zouden zijn, het betekent enkel dat deze argumenten o.i. op dat bepaalde moment geen focus vormden in het debat. De keuze voor de nadruk op robuuste argumentatiescenario’s houdt ook in dat we niet zozeer geïnteresseerd zijn in de positie van individuele maatschappelijke groepen. De reconstructie van argumenten in argumentatiescenario’s komt meer dan waarschijnlijk niet volledig overeen met de specifieke positie die een bepaalde groepering op een bepaald moment heeft ingenomen.
Het gebruik van argumentatiescenario’s leent zich ook op een efficiënte manier tot een historische studie. Een maatschappelijk debat kan aldus in kaart gebracht
15
Probabilistic Safety Assessment. 16
Safety Assessment and Feasibility Interim Report. 17
De sociologen Luc Boltanski en Laurent Thévenot (1991) spreken van verschillende legitieme
argumentatiepatronen of, in hun termen ‘cités de justification’. 18
Rip et al. (1994, p.191) geven in de context van de berging van radioactief afval het voorbeeld van ‘het in rekening brengen van toekomstige generaties’: voor de ene actor impliceert dit dat het afval definitief geborgen moet worden; voor een andere dat er geen afval meer geproduceerd mag worden; voor een derde dat afval terughaalbaar moet geborgen worden.
worden door systematisch de evolutie van de foci doorheen de geschiedenis te traceren. Foci kunnen van de agenda verdwijnen of in de tijd verschuiven, beter gearticuleerd worden of er kunnen nieuwe foci ontstaan. Dit hoeft niet noodzakelijk gepaard te gaan met een leerproces bij de individuele actoren; het kan evenzeer het geval zijn dat sommige actoren de arena van het maatschappelijk debat verlaten en nieuwe verschijnen.
Concreet zullen we dus werken volgens een aantal parallelle tijdsassen. Op de eerste as zullen we de belangrijkste gebeurtenissen (internationaal, Europees, nationaal) uitzetten. Een tweede as omvat de belangrijkste besluitvormingsinitiatieven. We werken in drie grote blokken (jaren ‘70, ‘80 en ‘90 tot nu, met een korte inleiding – de zogenaamde ‘prehistorie’), met daarbinnen een aantal concrete scharnierpunten. Op de derde as wordt het maatschappelijk debat in kaart gebracht, zodat interacties tussen de drie assen duidelijk tot hun recht kunnen komen.
De studie omvat volgende scharnierpunten:
In deze paragraaf vatten we nog kort enkele centrale lessen samen m.b.t. het onderzoek van maatschappelijke controverses. Hoewel we niet in detail kunnen ingaan op elk van deze inzichten afzonderlijk, denken we dat het toch belangrijk is ze ten minste aan te halen om een aantal mogelijke misvattingen uit de weg te gaan.
19
“These regimes, grounded in institutions, consist of linked sets of people, engineering and industrial practices, technological artifacts, political programs, and institutional ideologies, which act together to govern technological development and pursue technopolitics” (p. 16).
20
Met name de verwevenheid van politiek en (nucleaire) industrie (bvb. via de aanwezigheid van experts vanuit het bedrijfsleven in de kabinetten, in ‘onafhankelijke’ onderzoekscommissies, enz.) weerhoudt hier onze aandacht.
Deze achtergrondschets is echter vooral bedoeld om tot een beter begrip van de argumentatiescenario’s te komen.
Hoewel wij in het kader van dit rapport niet in detail kunnen ingaan op al deze belangrijke onderwerpen, zijn er toch aanzetten tot analyse te vinden in de hoofdtekst van het rapport en in de samenvatting van de interviews die wij voor dit rapport afnamen (zie Bijlage 2). Wij hopen echter vooral dat dit rapport de aanleiding vormt voor verdere en meer diepgaande studies op bovenvermelde domeinen.
En de bijhorende vragen van beslissingsbevoegdheid, verdeling van verantwoordelijkheden, enz.
Samengevat zet dit methodologisch perspectief ons aan tot een bevraging volgens twee onderzoekslijnen. Enerzijds zullen verschillende ‘scharnierpunten’ geïdentificeerd worden binnen de historiek van het nucleaire debat, dwz. momenten waarop (vaak naar aanleiding van concrete crisissituaties of technologische kansen) de kerncyclus in vraag gesteld werd. Op basis van een historische situatieschets22 zullen we beschrijven hoe op die momenten formeel vorm gegeven werd aan de beoordeling van de nucleaire technologie (bvb. de aanstelling van een ad hoc expertcommissie, aanzet tot een parlementair debat, een wetgevend initiatief, nieuwe regulering, behandeling van het vraagstuk binnen bestaande instelling of creëren van nieuwe instellingen, enz.). Anderzijds zullen deze ‘formele’ momenten gecontrasteerd worden met het maatschappelijk debat zoals het bvb. in de pers en door actiegroepen gevoerd werd. De vergelijking en interactie tussen beide domeinen laten ons toe na te gaan welke perspectieven al dan niet toegang verkregen tot het ‘formele’ politieke domein, en waarom. Het laat ons ook toe te verklaren waarom in bepaalde deeldomeinen van het nucleaire debat de controverse gesloten kon worden, en waarom dit zo moeilijk is in andere domeinen (bvb. berging van radioactief afval).
Er wordt gekozen voor een dynamische analyse: de bovenvermelde onderzoeksvragen worden systematisch toegepast op elke historische periode, wat toelaat om een evolutie in het nucleaire debat in kaart te brengen. Wat betreft de onderzoeksinstrumenten zullen we vooral gebruik maken van:
22
Wat was de concrete aanleiding (de ‘trigger’) van het debat?, welke impact stond ter discussie?, wat was de status van wetenschappelijke kennis (was er sprake van tegengestelde expertopinies)?, wat was de overheersende politieke cultuur?, welke coalities van belangengroepen namen deel aan het debat?, enz.
Boltanski, L. en Thévenot, L. (1991), De la justification. Les économies de grandeur, Gallimard, Paris.
Cambrosio, A. en Limoges, C. (1991), “Controversies as governing processes in technology assessment”, Technology Analysis & Strategic Management, Vol. 3, No. 4, pp. 377-396.
Grin, J., van de Graaf, H. en Hoppe, R. (1997), Interactieve Technology Assessment: Een eerste gids voor wie het wagen wil, Rathenau Instituut, Den Haag.
Hecht, G. (1998), The Radiance of France. Nuclear Power and National Identity after World War II, MIT Press, Cambridge / London.
Hisschemöller, M. (1993), De democratie van problemen. Over de relatie tussen de inhoud van beleidsproblemen en methoden van politieke besluitvorming, VU Uitgeverij, Amsterdam.
Joss, S. en Bellucci, S. (2002), Participatory Technology Assessment – European Perspectives, Centre for the Study of Democracy / Swiss Centre for Technology Assessment, London.
Mazur, A. (1981), The Dynamics of Technical Controversy, Communications Press, Washington D.C.
Petts, J., Horlick-Jones, T. en Murdock, G. (2001), Social amplification of risk: The media and the public, Contract research report 329/2001, Health & Safety Executive, Norwich.
Rip, A. (1986), “Controversies as informal technology assessment”, Knowledge: Creation, Diffusion, Utilization, Vol. 8, No. 2, pp. 349-371.
Rip, A., Smit, W. en van der Meulen, B. (1994), “Radioactive waste disposal: taking societal views into account”, in Proceedings of the Workshop on Environmental and Ethical Aspects of Long-Lived Radioactive Waste Disposal (1-2 Sept. 1994), OECD, Paris.
Stirling, A. (1999), On science and precaution in the management of technological risk, Final report of a project for the EC Forward Studies Unit, available <ftp://ftp.jrc.es/pub/EURdoc/eur19056en.pdf>
Toulmin, S. (1958), The Uses of Argument, Cambridge University Press, Cambridge.
Deel 2
De ‘prehistorie’ (1945-1970)
2.1. Socio-culturele en politieke achtergrond
In België werd kernenergie geïntroduceerd tegen een achtergrond van ontluikend optimisme over nucleaire toepassingen wereldwijd. In de vier landen die onmiddellijk na de tweede wereldoorlog een voortrekkersrol speelden in het nucleaire onderzoek (de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk), ligt de nadruk op de ontwikkeling van kernwapens. Na de atoombommen op Hirosjima en Nagasaki kwam er onder het mom van militaire geheimhouding een einde aan de openheid rond nucleair onderzoek. Dit beleid werd in 1949 bij het begin van de Koude Oorlog nog verstrengd wanneer bleek dat de Sovjet-Unie in staat was om kernwapens te produceren en te gebruiken.
De Belgische uraniumertsindustrie (Union Minière, onder controle van de Generale Maatschappij) bezorgde de Verenigde Staten het noodzakelijke uranium om in het kader van het ‘Manhattan Project’ een eerste atoombom te bouwen. De uraniummijnen in Katanga, een provincie in de voormalige Belgische kolonie Kongo, waren uniek in de wereld omdat het mineraal hoge concentraties uraniumoxide bevatte. Vlak na het ontdekken van de uraniumertslaag in Katanga (1913) werd in Olen (1921) een radium/uraniumindustrie ontwikkeld.
Na de ontdekking van de nucleaire fissie (splitsing van uraniumkernen in verschillende fissieproducten met vrijzetting van energie en neutronen) in 1939 kwamen zeer snel contacten tot stand tussen de Franse Nobelprijswinnaar Joliot en Union Minière. Gillon (1991, pp. 7-9) bespreekt hoe Union Minière uranium aan Frankrijk (Joliot) en Engeland leverde vanuit Kongo of vanuit Olen en geeft duiding bij de hoeveelheden die Duitsland bekwam tijdens de bezetting. Hieruit blijkt dat de Duitse bezetter geen beslag kon leggen op grote voorraden. Als nevenactiviteit van het ‘Manhattan project’ werd in april 1945 1.100 ton uraniumzouten in Duitsland gerecupereerd wat volgens Gillon (1991, p. 9) aantoont dat de Duitsers de hoop hadden opgegeven om het atoomwapen te ontwikkelen. Union Minière leverde in totaal tussen 1940 en 1960 30.000 ton uranium aan Amerikanen en Engelsen. Er zijn ook uit andere bronnen aanwijzingen dat Union Minière uranium leverde en/of verkocht aan Duitsland in het begin van de jaren ‘40 (Coolsaet 1987, Powers 1993).
Na de oorlog tekenden de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en België in 1944 een ‘gemeenschappelijke intentieverklaring’. In ruil voor de levering van uraniumerts kreeg België bevoorrechte toegang tot nucleaire knowhow voor commerciële, niet-militaire doeleinden. Naar aanleiding van het nieuwe beleid van de Verenigde Staten inzake militaire geheimen (vastgelegd in de zogenaamde ‘McMahon Bill’, die in 1946 wordt goedgekeurd) werd deze overeenkomst echter bijgestuurd. In 1951 bereikte men hierover een compromis: België mocht belastingen heffen op de export van uranium en dat geld voor nucleair onderzoek gebruiken. Bovendien kreeg België van de Verenigde Staten splijtstof voor de drie reactoren in Mol. In 1952 werd het ‘Studiecentrum voor de Toepassingen van Kernenergie’ (SCTK) opgericht (SCK•CEN 2002, Govaerts et al. 1994), dat later omgedoopt werd tot ‘Studiecentrum voor Kernenergie -Centre d’Etude de l’Energie Nucléaire’ (SCK•CEN). In 1947 richtte het ‘Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek -Fonds National de la Recherche Scientifique’ (NFWO-FNRS) het eerste nationale instituut voor kernenergie op: het ‘Interuniversitair Instituut voor Kernfysica’. In 1951 werd het instituut – dat deel uitmaakt van het NFWO-FNRS – tot ‘Interuniversitair Instituut voor Kernwetenschappen -Institut Interuniversitaire des Sciences Nucléaires’ (IIKW-IISN) omgedoopt. Het voornaamste verschil tussen beide instituten was dat het IIKW-IISN zich met fundamenteel onderzoek bezighield en het SCK•CEN eerder met op toepassingen georiënteerd onderzoek.
Wereldwijd ontstond er op dat moment ook meer aandacht voor niet-militaire toepassingen van kernenergie. Kernenergie werd beschouwd als een optie met groot toekomstpotentieel. Sommige voorstanders beweerden dat “elektriciteit uit kernenergie te goedkoop zou worden om te meten” (“too cheap to meter”). In juli 1955 (tijdens zijn ‘Atoms for Peace’-toespraak op de conferentie van de Verenigde Naties (VN) in Genève) stelde de Amerikaanse president Eisenhower een internationale samenwerking voor om niet-militaire toepassingen van kernenergie te promoten. Intussen escaleerde de kernwapenwedloop tussen de koude oorloglanden. In de toespraak van Eisenhower werd voorgesteld om nucleaire technologie aan andere landen te verkopen, op voorwaarde dat die beloofden om de technologie uitsluitend voor civiele doeleinden te gebruiken. Het plan was vooral bedoeld om de commerciële belangen van de Amerikaanse industrie te dienen. Zij hadden immers een technologische voorsprong op het gebied van PWR-reactoren opgebouwd – een reactortype dat oorspronkelijk voor militaire doeleinden in duikboten was ontwikkeld – en deze technologie vond snel vrijwel overal ingang (Cowan 1990).
In België werd in deze context in juni 1955 onder impuls van de eerste minister dhr. Van Acker de ‘Belgische vereniging voor de vredelievende ontwikkeling van de atoomenergie’ opgericht; de voorzitter van deze vereniging, baron Kronacker, liet de volgende uitspraak optekenen: “…De toekomst van België zal afhangen van de snelheid en vindingrijkheid waarmee de kernbrandstof, krachtgeneratrice, zal worden aangewend…”.
De atoombommen op Hirosjima en Nagasaki toonden duidelijk aan welke verwoestingen atoombommen kunnen veroorzaken. De vredesbeweging die tegen kernwapens opkwam, kreeg stilaan vorm. Een invloedrijke groep internationale wetenschappers en intellectuelen (met onder meer Albert Einstein, Bertrand Russell, Nils Bohr, enz.) kwam in 1956 samen en richtte de organisatie Pugwash op. Pugwash voert nog steeds actief campagne tegen het gebruik van kernenergie voor militaire doeleinden (zie Pugwash On line 2002)23. Tijdens de Koude Oorlog vonden een aantal kernproeven plaats. Als gevolg hiervan kwamen grote hoeveelheden fissieproducten in de atmosfeer vrij. Dat leidde wereldwijd tot protest (Kasperson 1980). Angst voor een kernoorlog is waarschijnlijk een belangrijke factor voor het beeld dat de publieke opinie zich van civiele reactortechnologie vormt, zoals later uit onderzoek over risicoperceptie zal blijken.
In 1957 werd onder de bescherming van de VN het ‘Internationaal Agentschap voor Atoomenergie’ (IAEA) opgericht. Het heeft tot taak om civiele nucleaire toepassingen te promoten en tegelijk de proliferatie van kernwapens een halt toe te roepen. Er werd onderhandeld over voorstellen voor een VN-verdrag en in 1968 werd het ‘non-proliferatieverdrag’ (NPT)24 ondertekend (van kracht vanaf 1970). Nog in 1957 sluiten België, Frankrijk, West-Duitsland, Nederland en Luxemburg het Euratom-verdrag. Dit verdrag was erg vooruitstrevend, omdat het niet alleen vanaf het begin het niet-militaire gebruik van deze technologie bevorderde en regelde, maar tegelijk een politieke controlestructuur in het leven riep. Ook het openbare bezit van nucleaire brandstof gedurende de volledige splijtstofcyclus kwam aan bod en er werd een bevoorradingsagentschap opgericht. Er werd eveneens een strikte controle opgelegd als voorwaarde voor levering van nucleaire brandstof uit de Verenigde Staten. Omdat niet alle landen even ver stonden qua nucleaire ontwikkeling en omdat de nationale belangen uiteen liepen, kon deze aanpak maar gedeeltelijk worden gerealiseerd. De Europese Commissie kreeg de opdracht om veiligheidsnormen uit te werken en te harmoniseren, om R&D te promoten (vooral inzake veiligheid), om grensoverschrijdende vervuiling in kaart te brengen en om de proliferatie onder controle te houden. De Commissie kreeg echter maar beperkte bevoegdheden om de uitgewerkte veiligheidsnormen ook echt om te zetten en te controleren. Kernafval was op dat ogenblik nog niet echt een belangrijk vraagstuk (Eggermont et al. 1998).
De wereldtentoonstelling die in 1958 in Brussel plaatsvond vormde een concrete uiting van een groot technologisch optimisme. Hiervoor werd het ‘Atomium’ gebouwd als symbool voor de beloftevolle wetenschappelijke vooruitgang. Aanvankelijk was het de bedoeling dat een PWR-kernreactor van Westinghouse-makelij met 10MWe vermogen de elektriciteit zou leveren voor de wereldtentoonstelling. Deze oorspronkelijke plannen werden echter opgeborgen: de reactor werd evenwel twee jaar later gebouwd op het domein van het SCK•CEN.
23
Pugwash Conferences on Science and World Affairs en Joseph Rotblat krijgen de Nobelprijs voor vrede (in 1995)
voor hun inspanningen om het gebruik van kernwapens in de internationale politiek terug te dringen. 24
De historische ambiguïteit tussen technologisch enthousiasme en technologisch risico, tussen bevordering en beoordeling, tussen grote en kleine militaire mogendheden bepalen van bij het begin de aanpak van het IAEA, wat zijn efficiëntie en geloofwaardigheid bij recente globale uitdagingen geen goed heeft gedaan (Eggermont et al. 1998).
Dit betekent echter niet dat er zich in die periode geen incidenten met kernenergie voordeden. In 1957 vatte ‘reactor Pile 1’ (bestemd om militair plutonium op te wekken) in Windscale25 in het Verenigd Koninkrijk vuur. Hierbij raakte 20% van de reactorkern beschadigd (Nuclear Engineering International 2000). Het incident dat later in niveau 5 van de zevendelige ‘International Nuclear Event Scale’ (INES – Internationale Nucleaire Gebeurtenissenschaal)26 wordt ingeschaald, leidde tot de sluiting van de twee kernreactoren (British Energy 2001). In datzelfde jaar ontplofte een tank met hoogradioactief afval in Kyshtym in de voormalige Sovjet-Unie (net buiten de opwerkingsfabriek van Mayak Chemical). Dit ongeval wordt later in niveau 6 van de INES-schaal ingeschaald. Het is zeker niet het enige incident in de voormalige Sovjet-Unie (Bøhmer et al. 1995). Door de strikte geheimhouding die het communistische regime hanteerde, kregen de nationale en internationale kringen het nieuws pas veel later te horen (na het einde van de Koude Oorlog). Deze incidenten verklaren de voorsprong van de Sovjet-Unie op het vlak van radio-ecologisch onderzoek in de jaren ‘70, zoals blijkt uit de vertaling van ‘Atomnaya Energya’ in ‘Soviet Atomic Energy’.
In België werden in Mol drie onderzoeksreactoren in gebruik genomen (SCK•CEN 2002). De eerste -BR1 (bestemd voor stralingsproeven voor intern onderzoek en voor externe klanten) -in 1956, de volgende -BR2 (een onderzoeksreactor met hoge neutronenflux) in 1961, en BR3 (de eerste PWR-reactor die in Europa in gebruik wordt genomen) in 1962. De keuze voor deze reactoren werd ingegeven door de doelstellingen die men had vastgelegd (deze onderzoeksreactoren moesten de basis vormen om de kennis over kernreactoren voor civiele doeleinden uit te breiden) en door de Amerikaanse aanpak m.b.t. reactortechnologie (CRISP 1976)27.
Het onderzoekscentrum fungeerde als aantrekkingspool voor andere nucleaire inrichtingen in de buurt van Mol en Dessel (Govaerts et al. 1994, Leroy 1979):
• Belchim: Oorspronkelijk had het SCK•CEN eigen installaties om afval te behandelen, maar andere bedrijven uit de buurt wilden ook van deze installaties gebruik maken. Dit leidde in 1958 tot de oprichting van Belchim (door Belgonucléaire en Metallurgie Hoboken). Belchim was van 1958 tot 1964 verantwoordelijk voor de verwerking van nucleair afval.
25
Windscale wordt later omgedoopt tot Sellafield. 26
Het IAEA heft deze schaal na het incident in Tsjernobyl (eind jaren ‘80) ontwikkeld. 27
De Amerikanen slaagden erin om met de watergekoelde reactor (die oorspronkelijk voor militaire toepassingen in kernonderzeeërs zijn ontworpen) de wereldmarkt voor nucleaire technologie te domineren. Dankzij hun externe netwerkstrategie (door het verspreiden van knowhow) slaagden ze in hun opzet. Knowhow van operationele prestaties, het correct inspelen op incidenten en veiligheidsnormen halen België en Zweden over de streep en deden hen voor de PWR-technologie kiezen (Cowan 1990).
Zoals blijkt uit het hierboven opgesomde lijstje van instellingen (Belchim, Belgonucléaire, enz.) is er ook in de jaren ‘70 aandacht voor het afvalprobleem, maar van beperkte aard. Rond 1975 startte het SCK•CEN met voorbereidend onderzoek naar de ondergrondse opslag van hoogradioactief afval. Er werd echter geen geld vrijgemaakt voor toekomstige initiatieven.
28
In werking sinds 1960, met een productiecapaciteit van 400 ton uranium/jaar.
De prille industriële start van de kernenergiesector in België werd aldus vooral bepaald door de belangen van de Generale Maatschappij (een financiële holding), die via de door haar gepatroneerde ondernemingen bijna de hele splijtstofcyclus beheerste: de ontginning van uranium (Union Minière), de bewerking tot splijtstof (MMN), de bouw van centrales (Cockerill, ACEC, Métallurgie Hoboken e.a.) en de afvalverwerking (Belchim). Langzaamaan brokkelde deze controle echter af. De belangrijkste elektrotechnische onderneming van België, ACEC (gecontroleerd door de Generale Maatschappij), verkreeg in 1957 van de Amerikaanse multinationale onderneming Westinghouse een licentie voor de bouw van PWR-reactoren. In ruil voor deze licentie verwierf Westinghouse echter een belangrijke participatie in ACEC. Sommige commentatoren zien hierin een teken dat de Generale Maatschappij toen reeds niet meer geloofde in een Belgische reactor en het zekere voor het onzekere koos (Vanpol 1980, p. 89)29. Toen in 1970 de nucleaire afdeling van ACEC volledig werd overgenomen door Westinghouse, en bovendien MMN in 1972 werd overgenomen door FBFC, dat door Westinghouse (rechtstreeks en via Framatome) gecontroleerd werd, leek de rol van de Generale Maatschappij in reactor-en brandstoftechnologie uitgespeeld. Alles wijst er echter op dat de Generale Maatschappij uiteindelijk een ‘modus vivendi’ vond met Westinghouse. De aanstelling van de toenmalige gouverneur van de Generale Maatschappij (dhr. Nokin) als het enige buitenlandse lid in de raad van beheer van Westinghouse lijkt deze verstandhouding te symboliseren (Daems 1979, p. 11). Met de sluiting van Eurochemic werd de Belgische kernenergiesector ook voor de opwerking volledig van het buitenland afhankelijk.
In het begin werd in België nauwelijks of geen debat gevoerd over het gebruik van kernenergie voor burgerlijke doeleinden. Iedereen zag de komst van onderzoeksinstellingen en de bouw van energiecentrales als een bron van tewerkstelling en een enorme economische kans. Bovendien dacht men zo de toekomstige energiebehoeften te kunnen dekken. Ook in België was het vroege protest vooral gericht tegen de gevolgen van de mondiale nucleaire ‘fall-out’ als gevolg van de atmosferische atoombomtesten30. In een historisch onderzoek naar de berichtgeving rond kernenergie in de voornaamste Vlaamse kranten31, bericht Fontyn (2001, pp. 113-120), naar aanleiding van de officiële ingebruikname van BR3 in 1962, dat het optimisme van de kernindustrie grotendeels gedeeld werd door de pers, die blijk gaven van een groot chauvinisme inzake de Belgische verwezenlijkingen. Er werd nauwelijks gewezen op de stralings-of veiligheidsrisico’s, en dan nog enkel in geruststellende zin (bvb. naar aanleiding van het ongeval te Windscale).
België investeerde onder meer in volgende reactoren in het buitenland:
29
Vanaf 1959 werkte Belgonucléaire (opgericht door een consortium van bedrijven uit vooral de non-ferro sector)
aan een eigen reactortype (‘Vulcain’). Het project mislukte wegens een gebrek aan afzetmarkten. 30
Zie de getuigenis van dhr. Turf als bijlage. 31
De Standaard, het Nieuwsblad, de Gentenaar, het Volk, Gazet van Antwerpen, het Belang van Limburg, het Laatste Nieuws, de Nieuwe Gazet, de Morgen en de Financieel-Economische Tijd.
32
De enige reactor ter wereld die om veiligheidsredenen ondergronds wordt gebouwd.
over veiligheidskwesties en de groeiende tegenstand van de bevolking leidden in 1991 tot de stopzetting van het project (Monju website 1995).
Nederlandse actiegroepen tekenden in 1974 een protest aan tegen de Nederlandse betrokkenheid bij het Kalkar-project. In België is de Belgische betrokkenheid een van de thema’s die de ‘Verenigde Actiegroepen voor een Kernstop’ (VAKS) aankaarten (zie Deel 3).
In tegenstelling tot sommige andere Europese landen heeft België na de Tweede Wereldoorlog de elektriciteitssector niet genationaliseerd. Sommige partijen (socialisten en communisten) waren hier wel voorstander van, maar in juli 1955 kwam men tot een compromis. De elektriciteitssector bleef grotendeels in privéhanden, maar vakbonden en werkgeversorganisaties mochten mee toezicht uitoefenen. Dit leidde tot de oprichting van het ‘Controlecomité voor Elektriciteit en Gas’. De drie vakbonden (ACV, ABVV en ACLVB) en de werkgeversorganisatie (‘Verbond der Belgische Ondernemers’ (VBO)) fungeerden als toezichthouders; het ‘Beheerscomité van de Belgische Elektriciteitsondernemingen’ (BCEO) was de gecontroleerde partij. Oorspronkelijk was de regering niet vertegenwoordigd binnen het CCEG; later was dit wel het geval (nadat de overeenkomst in 1964 wordt vernieuwd). Het CCEG had als doelstelling om na te gaan of de technische, economische en tariefstructuur van de elektriciteitssector (en na 1964 ook de gassector) strookte met het algemene belang binnen de krijtlijnen uitgezet door het globale energiebeleid. Efficiëntiewinsten werden verdeeld over kapitaal, arbeid en klanten; kosten en tarieven kwamen onder controle; en de winst werd verdeeld op basis van de opbrengst van het geïnvesteerde kapitaal. De overeenkomst leidde tot een snelle rationalisering en concentratie binnen de elektriciteitssector: in 1955 waren er nog 36 particuliere elektriciteitsbedrijven, in 1976 nog maar drie (EBES, Intercom en Unerg) (Leroy 1979, p. 137). In 1990 fusioneerden deze drie overgebleven elektriciteitsmaatschappijen tot Electrabel, dat tegenwoordig via de holding Tractebel bijna volledig gecontroleerd wordt door de Franse groep Suez Lyonnaise des Eaux.
Het CCEG stond ook in voor de controle van de uitrustingsplannen voor de elektrische productiemiddelen die door het BCEO werden voorgelegd. De draagwijdte van deze controle is moeilijk te achterhalen vermits de documenten van het CCEG niet vrijgegeven werden, maar er bestaat een sterk vermoeden dat ze eerder beperkt was, omdat het comité over geringe eigen expertisemiddelen beschikte (en geen onafhankelijke experts toegelaten worden), en omdat het comité zich enkel boog over de efficiëntie voor de elektriciteitssector zelf (Verbruggen 1986,
p. 309). Deze gang van zaken werd vooral door het ABVV aangevochten (boycot van het CCEG van 1977 tot 1983) en leidde tot de oprichting van het NCE. Zowel het NCE als het CCEG zullen later door de liberalisering van de elektriciteitsmarkt door CREG en VREG opgevolgd worden.
In de distributiesector versterkten de particuliere bedrijven geleidelijk ook hun greep op de markt. Tijdens de jaren ‘60 staakten heel wat gemeentelijke bedrijven hun activiteiten en richten ‘intercommunales’ op. Dit zijn joint ventures tussen ten minste twee gemeentelijke overheden die al (in dat geval spreekt men van ‘zuivere’ intercommunales) dan niet (in dat geval spreekt men van ‘gemengde’ intercommunales) met particuliere partners in zee gaan. Al snel blijken gemengde intercommunales de markt te domineren. In 1974 maakten meer dan 75% van alle Belgische steden en gemeenten deel uit van een gemengde intercommunale (Reynebeau 2000, p. 73). Vanaf 1964 zijn ‘zuivere’ en ‘gemengde’ intercommunales in het CCEG vertegenwoordigd.
Naoorlogse epidemiologische gegevens (hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend gebaseerd op studies die in Hirosjima en Nagasaki zijn uitgevoerd) over de gevolgen van straling wezen in 1952 op stochastische kankeroorzaken als gevolg van straling en op een toename van leukemiegevallen (Eggermont et al. 1998, p. 4). De ‘International Commission for Radiation Protection’ (ICRP – ‘Internationale commissie voor radiologische bescherming’) bracht in de jaren ‘50 een mentaliteitswijziging op gang door te erkennen dat blootstelling aan straling tot een minimum moet worden beperkt. Het besef dat er zich stochastische gevolgen bij lage dosissen kunnen voordoen, leidde tot de ontwikkeling van het ALARA-concept (‘As Low as Reasonably Achievable’ – ‘zo laag als redelijkerwijs mogelijk’). In 1955 werd de ‘United Nations Scientific Committee on the Effects of Atomic Radiation’ (UNSCEAR -Wetenschappelijke commissie van de Verenigde Naties inzake effecten van ioniserende straling) opgericht. In 1958 publiceerde ze haar eerste rapport (een studie over blootstellingbronnen en biologische risico’s). Gedurende de volgende vier decennia worden almaar strengere normen voorgesteld, op basis van de steeds groeiende wetenschappelijke kennis.
Er ontstonden ook meer organisaties die zich bezighouden met de aanpak van specifieke kwesties m.b.t. veiligheid en stralingsbeheersing. In 1965 publiceerde de US National Academy of Sciences Committee zijn eerste rapport over ‘Biological Effects of Ionising Radiation’ (BEIR-rapport – biologische gevolgen van ioniserende straling).
Op het vlak van stralingshygiëne wordt er zowel nationaal als supranationaal vooruitgang geboekt. Het ICRP geeft op basis daarvan advies aangaande een systeem van dosisbeperking. Uiteindelijk bepaalt elk land zelf grenswaarden en bijbehorende wetgeving, behalve in de EU. Het Euratom-verdrag geeft de Europese Commissie immers het gezag om normen aan de lidstaten op te leggen.
Beroepsorganisaties zoals de ‘International Radiation Protection Association’ (IRPA
– ‘Internationale vereniging voor stralingsbescherming’) en de Belgische afdeling ‘Belgische Vereniging voor Stralingsbescherming -Association Belge de Radioprotection’ (BVS-ABR) zijn de wetenschappelijke drijvende kracht achter het opleggen en toepassen van normen. Het IRPA werd in 1968 opgericht om de communicatie m.b.t. stralingsbescherming tussen beroepsorganisaties vlotter te laten verlopen. De BVS werd in 1963 opgericht, in het jaar dat België een koninklijk besluit publiceerde (K.B. 28/02/1963), houdende het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van ioniserende stralingen.
De betere kijk op de gevolgen van straling blijkt ook uit het gebruik van specifieke termen voor stralingshoeveelheden en -eenheden. In de jaren ‘70 werd er voortdurend gewerkt aan nieuwe, betere grenswaarden. Dit effende het pad voor striktere beperkingen in de jaren 80.
Belgische Vereniging voor Stralingsbescherming -Association Belge de Radioprotection (BVS-ABR) (2004), Newsletter 101, Brussel.
Bøhmer, N. and Nilsen, T. (1995), Reprocessing plants in Siberia, Working paper No. 4, The Bellona Foundation, website
British Energy (2001), Fact Files: The Windscale Fire, website
Centre de recherche et d’information socio-politique (CRISP) (1976), Le secteur nucléaire en Belgique: développement et structures actuelles, Courrier hebdomadaire CH 718-719, CRISP, Bruxelles.
Coolsaet, R. (1987), Buitenlandse zaken, Kritak, Leuven.
Cowan R. (1990), “Nuclear Power Reactors: A Study in Technological Lock-in”, The Journal of Economic History, Vol. L, No.3, pp. 549-552.
Eggermont, G., Mol H. and Chayapathi, L. (1998), “Recent and historical trends in nuclear TA; major challenges and opportunities for meeting environmental and sustainability criteria”,
rd
International Conference IATAFI 1998, New Delhi, India.
Fontyn, G., (2001), Kernenergie in België: Historiek en berichtgeving in de Vlaamse pers, licentiaatsthesis, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen (vakgroep Communicatiewetenschappen), Ugent.
Gillon, L. (1991), “L’approvisionnement en uranium “, Conférence ‘Histoire de l’énergie nucléaire en Europe, des origines au début de l’Euratom’ (Louvain-la-neuve, 18-19 november).
Govaerts, P., Jaumotte, A. en Vanderlinden, J. (Eds.) (1994), Un demi-siècle de nucléaire en Belgique. Témoignages, Presses Interuniversitaires Européennes, Bruxelles.
Kasperson, R.E., Berk, G., Pijawka, D., Sharaf, A.B. en Wood, J. (1980), “Public opposition to nuclear energy: Retrospect and prospect”, Science, Technology and Human Values, Vol. 5, No. 31, pp. 11-23.
Leroy, P. (1979), Kernenergie-Milieuconflict of godsdienstoorlog?, Universitaire Instelling Antwerpen, departement politieke en sociale wetenschappen, Antwerpen.
Monju (2002), Fast Reactors of the World, website
Nuclear Engineering International (2000), Windscale: Remote Control (Phase 1 decommissioning, Windscale Pile 1), website http://www.ukaea.org.uk/windscale/nearticle.htm
Powers, Th. (1993), Heisenberg’s War: The Secret History of the German Bomb, Jonathan Cape, London.
Pugwash online (2002), Origins of Pugwash, website
SCK•CEN (2002), Brochure 1952-2002.
Verbruggen A. (1986), “De besluitvorming inzake de bouw van kerncentrales in België”, in Verbruggen (Ed.), Liber Amicorum Prof. Paul-Henri Virenque, Studiecentrum voor Economisch en Sociaal Onderzoek (SESO), Universiteit Antwerpen, Antwerpen, pp. 303326.
Deel 3
Het kernenergiedebat in de jaren ’70
3.1. Socio-culturele en politieke achtergrond
Met het uitbreken van de oliecrisis van 197333 zag deBelgischeregering zich geconfronteerd met een volkomen nieuwe situatie en uitdaging34, met als gevolg, zoals we verderop zullen uiteenzetten, een aanzienlijke stimulans (ook vanuit Europa) voor de verdere uitbouw van een nationaal nucleair programma. De oliecrisis heeft een negatieve impact op de nationale handelsbalans en leidt tot een zware economische recessie in 1975. Westerse industrielanden kwamen plotseling tot het besef dat hun economische welvaart onlosmakelijk verbonden was met de beschikbaarheid van goedkope aardolie. De ware impact van de oliecrisis reikt echter tot ver buiten het strikt economische en/of beleidsmatige domein en resoneert met een bredere culturele achtergrond van kritiek op de consumptiemaatschappij en een groeiend milieubewustzijn. De Club van Rome bekritiseert in haar rapport “The Limits to Growth” (gepubliceerd in 1972, voor de eerste oliecrisis) de onaanvaardbare gevolgen op lange termijn van een volgehouden westers consumptiemodel op wereldschaal. Reeds in 1962 had Rachel Carson met de publicatie van haar boek “Silent Spring” (omtrent de wereldwijde gevolgen van het gebruik van DDT en andere pesticiden in de westerse landbouw) een belangrijk
33
Tot de oliecrisis ging de geïndustrialiseerde wereld ervan uit dat er steeds voldoende goedkope olie voorhanden zou zijn. De ‘Organization of Petroleum Exporting Countries’ (OPEC), opgericht in 1960, vormde al jarenlang niet meer dan een middelmatige drukkingsgroep, maar het tij keerde in 1969. In september 1969 greep kolonel Kaddafi de macht in Libië; vrijwel onmiddellijk na de staatsgreep verlaagde hij de nationale olieproductie met één vijfde. Samen met de Algerijnse president lanceerde kolonel Kadaffi een offensief om de Arabische olieproducerende landen beter te laten delen in de winsten (vermits de reële inkomsten van deze landen in de loop der jaren waren gedaald). In 1970 boekte men succes: de eerste echte prijsdoorbraak sinds de oprichting van de OPEC werd geforceerd. Libië en Algerije zetten hun offensief verder door de olieproductie te nationaliseren. De verwachte meeropbrengst bleef echter uit: de Westerse landen kregen de inflatie niet onder controle en de dollar (de munt waarmee ook de olie betaald werd) devalueerde. Een tweede fase in de oliecrisis werd ingeluid met het uitbreken van de Jom Kippour-oorlog van oktober 1973. De olie-exporterende landen van het OPEC kartel besloten onmiddellijk na het uitbreken van dit conflict tot een fikse prijsverhoging en een – aanvankelijke – productieverlaging van de ruwe aardolie, te samen met een embargo tegen de Verenigde Staten en Nederland (omwille van hun proIsraïlitisch beleid). De nominale olieprijzen stegen snel, van ongeveer 2$/bbl. tot 10-12$/bbl. De tweede oliecrisis in 1979 (als gevolg van de oorlog tussen Iran en Irak) doet de olieprijzen zelfs stijgen tot een niveau van 25-35$/bbl. Men beschikte toen echter reeds over meer reservevoorzieningen aangevuld met energie-efficiënte oplossingen die in staat waren de impact van deze tweede schok te verzachten (Lowette 1983).
34
Leroy (1979, p. 18) stelt dat voor de energiecrisis nauwelijks sprake was van een (coherent) energiebeleid. In principe was het naoorlogse energiebeleid vooral gericht op het behoud van de binnenlandse steenkoolproductie met als uitdrukkelijk doel te komen tot een relatieve onafhankelijkheid van het land inzake de dekking van energiebehoeften. De ontdekking van goedkope olie in het Midden-Oosten deed echter in de loop van de jaren ‘60 nieuwe prijsverhoudingen ontstaan en steenkool werd – zowel voor huishoudelijk als industrieel gebruik – van de markt gedrongen (Fraunhofer Institute 2003, pp. 44-45). Het probleem bestond dus eerder uit een overschot aan energie dan uit een schaarste. De facto moest het beleid zich dus vooral richten op grootscheepse mijnsluitingen, waarvan de sociale gevolgen d.m.v. reconversieplannen moesten opgevangen worden, gecombineerd met staatssteun voor de nog overblijvende koolmijnen.
vraagteken geplaatst bij het technologisch vooruitgangsdenken. Armory Lovins van het Rocky Mountain Institute publiceert in 1976 “Soft Energy Paths”, een scenariostudie die een toekomst vooropstelt waarin een aanzienlijk lagere vraag naar energie vooral voldaan wordt op basis van hernieuwbare energiebronnen, zonder beroep te doen op kernenergie. Auteurs zoals Ivan Illich, Ernst Friedrich Schumacher en Barry Commoner bepleiten in hun werken een omschakeling naar een meer beperkte groei met meer zachte, alternatieve, kleinschalige, en milieuvriendelijke technologie. De Amerikaanse Ford Foundation (1974) vervult een voorlopersrol met hun pleidooi voor een geïntegreerd vraag-en aanbodsgericht energiebeleid. De anti-kernenergiebeweging ent zich in de jaren ‘70 in vele landen op de reeds bestaande milieubeweging (Kasperson et al. 1980), maar leidt in België, in vergelijking met andere landen, pas laat tot grote protestacties35. De Europese Commissie (1974) ziet echter wel heil in de nucleaire optie: tegen 1985 zou de helft van de elektriciteit in de E.E.G. door kernenergie geleverd moeten worden.
Keren we echter terug naar de context van het Belgische energiebeleid, dan valt het op dat de meeste commentatoren uit die periode dit beleid karakteriseren als ‘paniekerig’, ‘inefficiënt’ en ‘onsamenhangend’36. Voorstellen voor rationeel energiegebruik waren eerder intuïtief (d.w.z. er bestond – althans op het nationale niveau -geen ernstige raming over de te verwachten besparing en evenmin een duidelijke strategische visie op de lange termijn). Het beleidsmatige belang van de oliecrisis moet dan ook op een ander vlak gezocht worden. Leroy (1979) komt tot de conclusie37 dat het beleid hier niet enkel mag beoordeeld worden op zijn manifeste besparingsfunctie maar eerder (en vooral) op het gebied van mobilisatie van de bevolking, met de bedoeling een soort ‘collectief bewustzijn’ en een draagvlak te creëren voor latere beleidsoplossingen. Daarbij bleef het beoogde beleidsdoel echter steeds het voortzetten van de economische groei; energiebesparing werd enkel gezien als een ‘momentane inspanning’.
In het licht van de bovenvermelde analyse is het enthousiasme38 waarmee het uitrustingsplan 1974-1983 voor de elektriciteitssector door de politiek ontvangen werd beter te begrijpen: het vormde immers een direct inzetbaar beleidsinstrument om de energiecrisis het hoofd te bieden. In dit uitrustingsplan was de indienstneming
35
Te vermelden zijn de manifestatie in Borssele (Nederland, 1974) van ongeveer 4.000 mensen en in Brockdorf (West-Duitsland, november 1976), die de eerste vormde in een reeks waarin manifestanten telkens met geweld werden uiteengeslagen. In Creys-Malville (Frankrijk, juli 1977) viel een dode bij een massademonstratie van zo’n 60.000 mensen; in Kalkar (West-Duitsland, september 1977) protesteerden ongeveer 60.000 demonstranten tegen de komst van de snelle kweekreactor (Elliott 2003, p. 40). De grootste manifestatie in België (ca. 20.000 personen) vond plaats in juni 1979 te Doel, in een gezamenlijke actie van VAKS, Les Amis de la Terre en enkele Nederlandse actiegroepen (Tistaert 1991, p. 16). De ‘Kernstop Actie Noordzee’ (25 oktober 1975) langsheen de Belgische Oostkust was één van de eerste demonstraties op eigen bodem; ongeveer 500 mensen namen deel. In 1977 werd voor het eerst een niet-regionale manifestatie gehouden tegen kernenergie (het ‘Grote Kernenergiegebeuren’, Antwerpen, 1 oktober); deze bracht zo’n 5.000 mensen op de been (Tistaert 1991, p. 16).
36
Voor een overzicht, zie Leroy (1979). Ook recent stelt Verbruggen (in Fraunhofer Institute 2003, p. 48) dat “...the measures in the immediate aftermath of the energy crisis (car-free Sundays, mandatory lowering of the ambient temperature in office buildings) were not very effective, nor efficient. They also sent the wrong message that energy savings entailed significant losses of comfort and flexibility…”
37
O.a. door het zeer zichtbare karakter van de maatregelen (bvb. doven van openbare verlichting) en de gerichtheid op de bevolking als geheel (eerder dan een – vanuit economisch opzicht verkiesbare -gedifferentieerde aanpak, naargelang het energiegebruik van verschillende groepen).
38
Leroy (1979) verwijst o.a. naar artikels in de pers en naar het Bulletin van Vragen en Antwoorden van de Kamer van 22 januari en 17 oktober 1974, en van de Senaat op 16 juli 1974.
van drie kernreactoren al voorzien (Doel 1 (392,5 MWe) in 1974, Tihange 1 (962 MWe) en Doel 2 (392,5 MWe) in 1975). De elektriciteitsmaatschappijen maakten gebruik van de gunstige politieke wind en bestelden meteen vier bijkomende reactoren (Doel 3 en Tihange 2 (elk 930 MWe) + twee reactoren (elk 1000 MWe) op een toen nog niet nader omschreven plaats). In dit opzicht had dit ‘post-factum’ uitrustingsplan dan ook vooral een duidelijk demobiliserende en geruststellende functie. Het draagt schijnbaar de boodschap in zich mee dat het beleid de nodige visie had om het hoofd te bieden aan de energiecrisis, die aldus geenszins een bedreiging vormt voor het continu proces van groei en expansie. Het feit dat de voor 1974-’75 geplande reactoren al veel langer waren voorzien, en dat de toevoeging van vier nieuwe reactoren over een periode van een tiental jaar bezwaarlijk de toenmalige energieproblemen konden oplossen, ondersteunt deze argumentatie. Hoewel de oliecrisis van 1973 en het nadien gevoerde beleid dus duidelijk de reeds genomen beslissingen op het hoger niveau van het ‘algemeen belang in tijden van crisis’ tilden, geven ze ons nochtans weinig houvast omtrent de oorspronkelijke redenen achter de keuze voor kernenergie. Daarvoor moeten we verder teruggaan in de tijd (zie titel 3.2.).
Voor wat betreft de mediabelangstelling rond de bouw van de eerste kerncentrales in België vermeldt Fontyn (2001, pp. 121-141) dat de algemene teneur binnen de Vlaamse kranten eerder ‘gematigd neutraal’ (d.w.z. zowel voor-als tegenstanders kwamen aan bod, de behandelde thematiek was ruim, enz.) te noemen was, met belangrijke accentverschillen tussen de kranten onderling. Fontyn merkt op dat dit verschil in berichtgeving nauw lijkt samen te hangen met de ideologische achtergrond van de kranten. Zo sloot ‘De Standaard’ vrij nauw aan bij de standpunten van de Christelijke Volkspartij (CVP) in haar vooral op economische argumenten gebaseerde ‘gematigd positieve’ houding. De krant ‘Het Volk’, exponent van de christelijke vakbond (ACV), had daarentegen meer aandacht voor ecologische en veiligheidsaspecten, maar trok hieruit geen harde conclusies – wat volgens Fontyn samenhangt met de houding van het ACV die op dat moment (1975) nog geen standpunt hadden ingenomen. ‘De Vooruit’ (toen sterk aanleunend bij de socialistische vakbond ABVV) nam van de onderzochte kranten het meest expliciete anti-kernenergiestandpunt in, en bood ook een forum aan vertegenwoordigers van de anti-kernenergiebeweging. Fontyn verklaart deze houding door de groeiende sympathie vanuit het ABVV en de ‘Jongsocialisten’ (de jongerenorganisatie van de socialistische partij) voor de standpunten van de anti-kernenergiebeweging, daar waar de socialistische partij (SP) zich als regeringspartner het niet echt kon permitteren om een anti-kernenergiestandpunt in te nemen.
In 1965 werden, op initiatief van Synatom, voorafgaande studies aangevat voor twee kerncentrales, die volgens planning in Doel en Tihange39 zouden worden gebouwd. De Belgische regering werd in datzelfde jaar door de elektriciteitsproducenten op de hoogte gebracht van dit voornemen (Vanpol 1980, p. 57). Er werd een permanente contactcommissie opgericht tussen overheid en industrie (de ‘Commissie Boereboom’40). De taak van deze commissie bestond uit het bestuderen van de problemen die de twee nucleaire sites met zich zouden kunnen meebrengen. In de loop van de werkzaamheden van de ‘Commissie Boereboom’ stelden de elektriciteitsmaatschappijen nog drie bijkomende locaties voor voor de plaatsing van bijkomende kerncentrales langs de Belgische kust41. De bevoegdheid van de commissie was beperkt tot het goed-of afkeuren van deze terreinen; over de technologische kenmerken van de kerncentrales zelf werd niet gediscussieerd42.Het voltooien van het onderzoek gaf op 14 december 1966 aanleiding tot de principiële goedkeuring (door het ministercomité voor economische en sociale coördinatie) van Doel, Tihange en Zeebrugge als inplantingmogelijkheden voor kerncentrales. Formeel ging het hier om een principebesluit, die dus niet het eindpunt van een procedure voor een bouw-of exploitatieaanvraag vormde. De verklaring werd wel in de pers overgenomen43 maar veroorzaakte weinig deining in de publieke opinie. In deze verklaring werden voornamelijk economische argumenten aangehaald ter ondersteuning van het principebesluit: kernenergie was immers in het licht van de voorziene stijging van het elektriciteitsverbruik en op basis van de berekeningen van de elektriciteitsmaatschappijen een voordeliger optie dan elektriciteitsproductie uitgaande van steenkool of aardolie (Reynebeau 2000, p. 130).
Dat het hier echter om veel meer gaat dan een principebesluit blijkt uit de talloze referenties naar beleidsnota’s, persverklaringen en verklaringen van regeringsleden die Vanpol (1980, pp. 105-107) in zijn studie aanhaalt. Hieruit blijkt dat het zondermeer ging om een akkoord voor een kernuitrustingsprogramma in de komende decennia. In dit opzicht is het gebrek aan maatschappelijke en politieke belangstelling – een vaststelling die zowel Leroy (1979), Reynebeau (2000) als Vanpol (1980) doen – des te opvallender. Deze auteurs dragen overigens verschillende mogelijke verklaringen aan: het algemene (nog ongeschokte) vertrouwen in het economische groeimodel; de culturele achtergrond van de toenmalige politieke elite (die immers opgevoed werd tijdens de naoorlogse periode van de wederopbouw); het imago van kernenergie als ‘spitstechnologie van het
39
De keuze voor deze vestigingsplaatsen werd gerechtvaardigd door het feit dat een kerncentrale een aantal eisen aan haar omgeving stelt: beschikking over een voldoende debiet aan koelwater (dus enkel grote stromen of de zee komen in aanmerking); een terrein van minstens 60 ha. groot; voldoende toegankelijk via grote invalswegen; geschikte geologische kenmerken; voldoende verdunningsmogelijkheid voor radioactieve effluenten; en een geringe bevolkingsdichtheid in de buurt van de centrale. De evacueerbaarheid van een ruimer gebied bij ongeval bleef in België voor Antwerpen problematisch vergeleken met USNRC criteria (de zogenaamde ‘10 mile’-zone, zie verder).
40
Zo genoemd naar de voorzitter van de commissie, dhr. Boereboom, kabinetschef van de toenmalige Minister van Openbare Werken. De commissie bestond uit 13 leden waarvan 4 leden de elektroholdings vertegenwoordigden (Reynebeau 2000, p. 125). Ze kwam in de periode oktober 1965 – juni 1966 zeven maal samen.
41
De elektriciteitsmaatschappijen voorzagen immers, op basis hun prognoses van de groei van de elektriciteitsvraag, de noodzaak om 4 bijkomende kerncentrales in dienst te nemen tegen 1985 (Govaerts et al. 1994,
p. 561).42
Dit behoorde tot de bevoegdheid van de studiebureaus van de elektriciteitsmaatschappijen, die een (quasi-
)monopolie bezaten op het gebied van informatie rond nucleaire technologie. 43
Reynebeau (2000, p. 130) citeert een artikel in de Standaard van 20 dec. 1966.
moment’; de bijdrage van kernenergie aan de lokale werkgelegenheid; de valorisatie van reeds eerder gedane investeringen in nucleair onderzoek; de snelle industriële uitbreiding in de Antwerpse haven en de overeenkomstig snelle stijging van de vraag naar elektriciteit; het gebrek aan informatie bij de overheid; de vertegenwoordiging van diverse leden van de elektriciteitsholdings in diverse overheidsapparaten en de invloed van ‘lobbying’ bij regeringsmandatarissen; en tenslotte de algemene organisatie van de elektriciteitssector die veel ruimte liet voor privé-initiatief (via de uitrustingsplannen) zonder al te veel overheidsinmenging.
Hoe bekwam men concreet, binnen de toen bestaande controlestructuur, een vergunning voor de bouw van een kerncentrale? De Belgische vergunnings-en controleprocedures voorzagen volgende stappen:
| - | het verkrijgen van een bouwvergunning; | |
|---|---|---|
| - | het verkrijgen van een exploitatievergunning; | |
| - | de controle tijdens de werking. | |
Deze procedure moet natuurlijk binnen haar historische context bekeken worden. Toch vertoonde de Belgische wetgeving terzake wel een bijzonderheid in vergelijking met andere landen (bvb. Frankrijk, de Duitse Bondsrepubliek, Verenigde Staten) nl. dat er twee bouwvergunningen vereist waren: de ‘stedenbouw’-vergunning44 en de ‘nucleaire’ vergunning45 of machtiging. De eigenaars van kerncentrales konden de bouw aanvatten op basis van de ‘stedenbouw’-vergunning, zonder te wachten op de ‘nucleaire’ bouwvergunning46 (Commissie van Beraad 1976, p. 32). Om een ‘nucleaire’ bouwvergunning te verkrijgen legde het studiebureau, aangesteld door de eigenaar van de kerncentrale, een installatieplan voor aan het erkend privéorganisme (Vinçotte Nucléaire47), dat in overleg met de bevoegde overheden en de ‘Speciale Commissie voor de Ioniserende Stralingen’48 een beslissing namen omtrent de voorwaarden op het gebied van stralingsbescherming en nucleaire veiligheidsuitrusting die in de ‘nucleaire’ bouwvergunning moesten worden
49
opgenomen. Een exploitatievergunning werd bekomen op basis van een ‘keuring’
44
Afgeleverd overeenkomstig de organieke wet over de ruimtelijke ordening en stedenbouw (B.S. 29 maart 1962).
Deze bouwvergunning werd voor Doel 1+2 afgeleverd op 18 februari 1970, en voor Tihange 1 op 6 juli 1972. 45
Afgeleverd overeenkomstig het Koninklijk Besluit tot bescherming tegen stralingen (B.S. 18 februari 1963). Deze ‘nucleaire’ bouwvergunning werd voor Doel 1+2 afgeleverd op 25 januari 1974, en voor Tihange 1 op 5 september 1974.
46
De werkzaamheden werden wel opgevolgd door een ‘contactcommissie’, die bestond uit vertegenwoordigers van de betrokken administraties, de Europese Gemeenschap, het erkend controleorganisme, de eigenaars van de kerncentrales, en de betrokken studiebureaus. De Belgische procedure word door de ‘Commissie der Wijzen’ (Groep V ‘Veiligheid’, p. 26 – zie verder) gerechtvaardigd door te stellen dat de PWR reactor een “goed gekend reactortype” vormde.
47
Er waren drie erkende organismes: Controlatom, Corapro en Vinçotte. Van deze drie ondernemingen was er slechts één (nl. Vinçotte) die beschikte over het geschikte materiaal en personeel om de Belgische kerncentrales voor elektriciteitsproductie te controleren.
48
In overleg met een consultatieve commissie van Euratom-experts. 49
De procedure wordt hier ietwat vereenvoudigd voorgesteld. De formele procedure voorzag ook in een tussenkomst van de provinciegouverneur, de burgemeester van de betrokken gemeente (op basis van een publieke
door het erkend controleorganisme, waarin een uitspraak wordt gedaan omtrent de conformiteit van de installaties met de voorwaarden opgenomen in het vergunningsbesluit (op basis van het ‘Safety Analysis Report’ van de kerncentrale in kwestie). Er dient opgemerkt te worden dat in heel deze procedure de rollen van de diverse betrokkenen vaak overlapten: zo zetelde de toenmalige directeur van Vinçotte in de speciale commissie, en de gecontroleerde maatschappijen hadden tevens vertegenwoordigers in de raad van beheer van het erkende controleorganisme (Vanpol 1980, p. 53). Bovendien werd het controleorganisme door de elektriciteitsproducent zelf aangesteld en betaald. Later vinden we verschillende kaderleden van de erkende controleorganismen terug in de ‘Commissie der Wijzen’ (zie verder), die over de veiligheid beleidsadviezen formuleerde.
De vergunningsprocedures voor Doel 1 en 2 en Tihange 1 verliepen nagenoeg zonder vertragingen50. Aldus waren deze centrales rond het midden van de jaren ‘70 klaar om van start te gaan op het moment dat het maatschappelijk debat in volle hevigheid uitbrak. Inmiddels voerden de elektriciteitsproducenten verdere studies uit over de mogelijke vestiging van bijkomende kerncentrales langs de Belgische kust hetzij op de kustlijn, hetzij net daarachter, hetzij op een kunstmatig eiland.
Het maatschappelijk debat in België laait vooral op na januari 1974, nadat de bouwaanvraag voor een kerncentrale in Zeebrugge bekend raakte (Leroy 1979, p. 38)51. De standpuntbepaling en mobilisatie van een kritische beweging rond kernenergie wordt dus vooral uitgelokt door een vestigingsprobleem. Het Zeebrugse woonmilieu stond in die tijd onder druk van een grote industriële-en havenuitbreiding, wat de paraatheid van lokale actiegroepen verklaart. Een van deze lokale actiegroepen, REM-U-23552, lanceert onmiddellijk verscheidene initiatieven
(o.a. een perscommuniqué, handtekeningenactie, brieven aan betrokken ministeries en senatoren) en argumenteert in een bezwaarschrift dat een kerncentrale aan de Belgische kust een te zware belasting voor het leefmilieu en een definitieve aftakeling van het toerisme zou betekenen. REM-U-235 kreeg kritisch wetenschappelijke ondersteuning, hanteerde van in het begin een discours dat op waardenreferenties was gebaseerd en was communicatief sterk. Het lokale verzet spreidt zich uit tot een veertigtal kustverenigingen en de druk leidt tot een negatief
consultatie en een advies van het schepencollege) en de bestendige deputatie. In de praktijk was de rol van deze
betrokkenen eerder beperkt. 50
In Vlaanderen boog een commissie van experts zich met enige kritisch zin over de plannen voor Doel, wat een eerste academisch inzicht bracht in de gehanteerde criteria (G. Eggermont). Vanpol (1980, pp. 59-61) bericht hoe de wettelijk voorziene procedures niet al te nauwgezet gevolgd werden: de bouwwerf van Doel 1 en 2 werd in 1969 geopend nog voor de aanvraag voor het bekomen van een bouwvergunning werd ingediend; en de eerste steen van Tihange 1 werd gelegd nog voor het algemeen plan van aanleg was goedgekeurd.
51
De bouwaanvraag werd op 18 januari 1974 door EBES ingediend en werd aanvankelijk binnenskamers behandeld. Het is echter na een vraag van een gemeenteraadslid (op 28 januari 1974), tevens een lid van REM-U-235, dat het bestaan van de bouwaanvraag algemeen bekend werd.
52
Een werkgroep van het overkoepelende actiecomité ‘Zeebrugge blijft’, opgericht in april 1973. Naar eigen zeggen groeide bij de initiatiefnemers van de actiegroep “…het besef van de grote impact die de keuze voor ‘het nucleaire’ heeft en verder kan hebben voor alle leven en het bestaan op aarde…” (Goderis-Lyppens 2004, p. 1), zodat aanvankelijk werd besloten tot het inwinnen van informatie (onderhoud met de provinciegouverneur van West-Vlaanderen op 16 juli 1973), later tot vormingsinitiatieven, studie en actie.
advies door het Zeebrugse schepencollege aan het bestuur voor Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening (1 februari 1974).
Intussen krijgt de protestbeweging een ruimere dimensie53. Op 16 februari 1974 wordt de ‘Verenigde Actiegroepen voor een Kernstop’ (VAKS)54 opgericht met als doelstelling de stopzetting van alle nieuwe bouw-en exploitatievergunningen en het stopzetten van kredieten voor de SNR-300 kweekreactor te Kalkar. Gedurende heel de zomer van 1974 doen geruchten de ronde omtrent mogelijke andere vestigingsplaatsen aan de Belgische kust. Eind september wordt een vergadering van alle kustburgemeesters samengeroepen, en daar wordt overeengekomen interpellaties te houden in Kamer en Senaat. De provincieraad van West-Vlaanderen keurt in oktober 1974 unaniem een motie goed waarin voorbehoud gemaakt wordt bij het oprichten van kerncentrales aan de kust, totdat voldoende elementen bekend zijn omtrent mogelijke negatieve gevolgen (m.a.w. een voorwaardelijke stellingname). Algemeen valt op te merken dat voor het einde van 1974 op beleidsniveau eigenlijk geen sprake is van het in vraag stellen van ‘de optie kernenergie’ op zich. Er wordt wel gediscussieerd over vestigingsplaatsen en de gevolgen die een kerncentrale eventueel met zich kan meebrengen, maar het principe van de nuclearisatie wordt weinig of niet in twijfel getrokken.. In de loop van 1974 worden de hoofduitrustingen voor vier nieuwe kerncentrales door de elektriciteitsproducenten besteld (met het akkoord van de toenmalige Minister van Economische Zaken55, dhr. Oleffe), nog voor enig parlementair debat heeft plaatsgevonden (zie boven).
Daarop volgen chronologisch gezien de parlementaire interpellaties56. Tijdens deze interpellaties overwegen, naast de heersende onzekerheid m.b.t. de eventuele bouw van een kerncentrale aan de Belgische kust, vooral economische en milieugerelateerde argumenten; andere aspecten (besluitvorming, macht van economische groepen, evidentie van groei en expansie) komen minder aan bod (zie Leroy 1979, pp. 42-46). Ook hier weer stelt de Minister van Economische Zaken (dhr. Oleffe) dat de uitbouw van kernenergie “...une politique qui a été voulue par les gouvernements successifs...”57 is, en dat er dus geen sprake kan zijn van het in vraag stellen van deze principiële beslissing.
53
Ook wat betreft de gebruikte argumentatie (argumentatiestructuren worden onder Titel 3.3 uitgeklaard). In het voorjaar van 1974 verschijnen verschillende berichten van REM-U-235 leden in de pers, die o.m. pleiten voor een ‘energiebeleid in dienst van de gemeenschap’, ‘democratische inspraak’, ‘meer informatie’, enz. (Goderis-Lyppens 2004, p. 2).
54
Waarvan o.a. REM-U-235, het Westkust Aktiecomité Kernenergie (WAKE), het Gents Aktiecomité Leefmilieu, de Belgische Jeugdbond voor Natuurstudie Gent, de Werkgroep Soft Technology, de Aktie-kern Antwerpen, Natuur 2000, enz. deel uitmaken. De anti-kernenergiebeweging ent zich dus duidelijk op reeds bestaande milieugroeperingen.
55
Govaerts et al. (1994, p. 569) vermelden een onderhoud tussen vertegenwoordigers van EBES en Intercom en dhr. Oleffe (17 juli 1974). Dit onderhoud resulteerde in een akkoord van de minister voor wat betreft: de voorgestelde nucleaire uitbreidingsplannen; de keuze van PWR reactoren; de bestelling van verschillende reactoren op hetzelfde moment; en een maximale uitbesteding van het werk aan de Belgische industrie, zelfs indien dit een zekere meerkost zou veroorzaken.
56
Bulletin van vragen en antwoorden, Kamer, 15, 17 en 29 oktober 1974; Senaat 8 en 15 oktober 1974. 57
Bulletin van vragen en antwoorden, Kamer, 29 oktober 1974, p. 208.
In regeringskringen kon men echter steeds moeilijker gewoon voorbijgaan aan de beroering rond kernenergie58. Leroy (1979, pp. 47-48) merkt op dat er niet alleen een toenemende druk viel waar te nemen, maar ook een verdieping en vooral een verschuiving in argumentatie bij de actiegroepen. Men poogt het probleem op een andere manier aan de orde te stellen. De vraagstelling begint zich eerder te richten op vergunningsprocedures, de structuur van de nucleaire sector, de betrokkenheid van de staat bij de uitbouw van het nucleaire programma, enz.; een vraagstelling die eerder samen te vatten is onder de noemer ‘Wie beslist er eigenlijk?’. Daarnaast worden er ook fundamentele vragen gesteld bij het volhouden van een economisch groeimodel. In Vlaanderen vallen terzake in 1974 de initiatieven op van de volkshogeschool ‘Lodewijk de Raet’, die het debat stimuleren zowel over het belang van de groei van de energievraag als over technische problemen m.b.t. kernenergie. Deze verschuiving valt zeer goed waar te nemen in het dossier van ‘La Revue Nouvelle’ (LRN) (1975), dat later gedeeltelijk door ‘De Nieuwe Maand’ (DNM) (1976)59 werd overgenomen. In deze dossiers is sprake van een sterke belangenvermenging, een osmose tussen politieke functies en raden van beheer, en kruisparticipaties in de energiesector. Conclusies zijn dat enerzijds de overheid slechts daar een rol van betekenis speelt waar verliezen te noteren vallen (in de steenkoolsector), terwijl ze anderzijds helemaal geen greep heeft op sectoren met hoge winstcijfers (petroleum, kernenergie). In januari 1975 eisen de Bond Beter Leefmilieu (BBL)60 en het VAKS op een persconferentie een uitgebreid parlementair debat omtrent de vier bestelde kerncentrales en het hele energiebeleid61, en dit in naam van ‘de publieke opinie’.
In reactie op deze toenemende druk poogt de regering het probleem te depolitiseren door de vraagstelling door te schuiven naar expertcommissies. Deze nieuwe wending blijkt o.a. uit de bespreking in de Senaat van de begroting voor Economische Zaken voor 1975. De Eerste Minister (dhr. Tindemans) kondigt een parlementair debat aan eens het regeringsstandpunt is bepaald. Staatssecretaris Dhoore (in afwezigheid van minister Oleffe) vindt het noodzakelijk onafhankelijke experts aan het woord te laten, omdat de sector “…haast terzelfdertijd partij en rechter is…” (Leroy 1979, p. 51). Hij verwijst hierbij eveneens naar het verwachte advies van de ‘Commissie Willems’, een werkgroep die begin december 1974 werd opgericht met een adviserende opdracht omtrent mogelijke vestigingsplaatsen van kerncentrales en/of gasterminals aan de kust. Ongeveer een maand later kondigt
58
Ook de elektriciteitsmaatschappijen geven blijk van enige bezorgdheid door de uitgave van een extra brochure. Men beperkt zich hier echter tot een herhaling van de ‘klassieke’ argumenten (‘kernenergie is veilig, zuiver, onontbeerlijk, onuitputtelijk’).
59
Initiatiefnemers achter deze documenten zijn een los-vast collectief van intellectuelen. Reeds in 1972 wijdde LRN een themanummer aan de invloed van de Generale Maatschappij op de Belgische politiek. Te vermelden zijn ook het themanummer in september 1976 over het ‘rapport der Wijzen’, het dossier van de ‘Groupe Interuniversitaire pour l’Etude des Problèmes de l’Energie’ (GIPE) over het Belgische kernenergieprogramma, en het themanummer van ‘Les Cahiers Marxistes’ rond het Belgische energiebeleid.
60
De overkoepelende organisatie van vier gewestelijke federaties op het gebied van bescherming van het leefmilieu: Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, Raad Leefmilieu te Brussel (BRAL), Inter-environnement Wallonie, en Interenvironnement Bruxelles. Samen overkoepelden deze vier federaties ruim 160 particuliere verenigingen uit het hele land. Zij werkten bovendien samen met talloze niet aangesloten lokale actiegroepen.
61
Hier valt op te merken dat de BBL op dat moment nog geen eensgezind standpunt had ingenomen inzake kernenergie. De BBL zal pas in 1977 een duidelijk standpunt innemen en de bouw van verdere kerncentrales afwijzen (Tistaert 1991, p. 15).
minister Oleffe de oprichting aan van ‘een Raad van Wijzen’62. Deze commissie wordt verondersteld een ‘objectieve stand van zaken’ op te maken omtrent alle aspecten van kernenergie63. Er wordt benadrukt dat deze commissie zich niet mag uitspreken over de wenselijkheid of noodzaak van nieuwe kerncentrales; dit is immers “...een taak van de politiek...” (Commissie van Beraad 1976, p. 2). In een poging tegemoet te komen aan de publieke bezorgdheid vraagt de minister aan de BBL een dossier op te stellen met vragen, waarop de ‘Commissie der Wijzen’ vervolgens een antwoord moet formuleren.
Tijdens de zomer van 1975 bereikt het debat een hoogtepunt. Enkele honderden leden van het academisch personeel van de Belgische universiteiten en onderzoekscentra (111 in Vlaanderen) publiceren een manifest waarin het energiebeleid en de invoering van kernenergie onder druk van multinationale ondernemingen zoals Westinghouse kritisch onthaald wordt, en waarin gewaarschuwd wordt voor massale reactorbestellingen in de EEG (de Europese Commissie stelde op dat moment tegen 1985 een capaciteit van 160 kerncentrales voorop) op een ogenblik dat een aantal problemen wetenschappelijk noch structureel opgelost waren64. Er wordt gepleit voor een moratorium van twee jaar op de verdere uitbouw van het kernenergieprogramma, in navolging van gelijkaardige moratoria in andere landen. Het initiatief daartoe gaat uit van een multidisciplinaire universitaire werkgroep65. Het belang van een parlementair debat wordt nogmaals bevestigd na verdere interpellaties, men wacht echter de resultaten van de ‘Commissie der Wijzen’ af. Een periode van relatieve windstilte volgt. Eind 1975 opteert de ‘Commissie Willems’ voor kerneilanden als eerste keuze; Doel 4 en Tihange 3 vormen echter ‘ernstige alternatieven’. Een studie van Symarinfra66 pleit voor kerneilanden en de haven van Zeebrugge als nieuwe vestigingsplaats voor gasopslag.
Begin februari 1976 houdt de BBL haar tweede persconferentie, en stelt bij deze gelegenheid het dossier met vragen en antwoorden van de ‘Commissie der Wijzen’ voor (Ministerie van Economische Zaken 1976). Het eigen standpunt van de BBL betreft een vraag naar een moratorium, een parlementair debat en een raadpleging van de bevolking. Bij een nadere beschouwing van dit document valt vooral op hoe de ‘Commissie der Wijzen’ de vragen van BBL in hun eigen raster van werkgroepen indeelt zodat het vaak moeilijk wordt een geïntegreerde visie van overkoepelende aspecten te ontwikkelen. Verschillende vragen worden slechts op deelaspecten beantwoord. Bovendien vallen tal van vragen buiten het bestek van het mandaat van
62
Deze politieke zet wordt overigens door de BBL geïnterpreteerd als “…een bewijs te meer dat de overheid behoefte heeft aan volledige en betrouwbare informatie om in de mate van het mogelijke en a posteriori de leemte te vullen die de publieke opinie duidelijk had aangevoeld…” (Ministerie van Economische Zaken 1976, p. 3).
63
Het gaat hierbij met name om economische aspecten, alternatieve oplossingen voor kernenergie, vestigingsplaatsen, veiligheid, gezondheid, ecologie en tenslotte de impact van de gehele splijtstofcyclus. De werking van de ‘Commissie der Wijzen’ is gebaseerd op een opdeling in werkgroepen volgens bovenvermelde onderdelen.
64
Zie de ‘Open stellingname in verband met het energiebeleid, ingenomen door academici’ (RUG secretariaat). 65
Zowel dhr. Eggermont als dhr. Thielens (nucleaire experts, RUG), als dhr. Billen (bioloog, ULB) zijn lid van de ‘Commissie der Wijzen’, en maken deel uit van deze initiatiefnemende groepen in respectievelijk Vlaanderen (met dhr. Vermeersch (filosoof, RUG) en dhr. Polk (bioloog, VUB)), Brussel en Wallonië (zie het interview met dhr. Sapir, coôrdinator).
66
Een groep die zich specifiek inliet met de aan de kust te voorziene infrastructuur en industriële ontwikkeling.
de commissie, vooral dan deze met betrekking tot de politieke organisatie van de sector. Eind maart 1976 worden dan de eindconclusies van de ‘Commissie der Wijzen’ zelf bekend gemaakt. Wat het meeste opvalt aan dit rapport is hoe de commissie in haar beleidsaanbevelingen zowel warm als koud lijkt te blazen. Immers, de werkgroepen ‘gezondheid’ en ‘ecosystemen’ stellen in hun rapportage de facto een waslijst van voorwaarden op voor de bouw van nog meer kerncentrales67. Het meest positieve geluid komt van de werkgroep rond economische en financiële aspecten. Tijdens de werkzaamheden van de commissie krijgen de leden zwijgplicht opgelegd, wat tot een perspolemiek leidde (zie interview mevr. Goderis-Lyppens).
De publicatie van het ‘rapport der Wijzen’ lokte natuurlijk reactie uit; hierbij vallen vooral de dossiers van Links (Eggermont 1977), DNM (1976)68 en VAKS (1976) op. De argumentatie richt zich nu vooral op de samenstelling en het mandaat van de commissie en de kostprijsvergelijking tussen klassieke en nucleair geproduceerde elektriciteit (waarbij men de positieve inschatting van de werkgroep economische en financiële aspecten poogt te weerleggen), naast ‘klassieke’ bezwaren rond veiligheid en milieuvriendelijkheid.
Ongeveer omstreeks dezelfde tijd worden de economische tegenargumenten van de actiegroepen bijgevallen vanuit een (tot dan toe) eerder onverwachte hoek. In een beleidsnota69 (dd. 31 maart 1976) waarschuwt de secretaris-generaal van Economische Zaken, die ook de administratie Energie onder zijn bevoegdheid heeft (dhr. Baeyens, later voorzitter van het SCK•CEN) zijn nieuwe minister (dhr. Herman) voor de gevolgen van een exponentiële groei van de elektriciteitsvraag70 en voor de nucleaire scenario’s zoals vooropgesteld door de commissie der Wijzen. Deze groei zou immers betekenen dat in de periode 1985-2000 een capaciteit van ongeveer 35.000 – 40.000 MWe elektrisch vermogen zou moeten geïnstalleerd worden. Overweegt men hiervoor de optie kernenergie, dan impliceert dit dat tientallen locaties voor nieuwe centrales moeten gezocht worden, of dat tal van reusachtige kerneilanden in zee moeten gebouwd worden – een uitdaging die op dat moment nog nergens ter wereld aangegaan werd. Hij concludeert dan ook dat “... le tout nucléaire pour le secteur électrique est impossible...” en opteert voor “...un programme nucléaire minimaliste...”71, met dien verstande dat “...nous ne proposons nullement d’abandonner les programmes de centrales nucléaires, en tout cas en ce qui concerne les quatres centrales dont les commandes ont été passées par le
67
Zodat hun gematigde “ja, indien...”-standpunt bijna evengoed kan worden uitgelegd als een “neen, tenzij...”, vooral dan m.b.t. de nog onopgeloste problematiek van het kernafval. Leroy (1979, p. 56) bericht overigens ook dat de ontvangst van dit rapport in de pers tot zeer tegenstrijdige interpretaties heeft geleid.
68
Overigens telde de redactieraad van De Nieuwe Maand enkele (later) bekende politici onder haar leden: Marcel
Colla, Norbert De Batselier, Jean-Luc Dehaene, Karel Van Miert, e.a. 69
Baeyens, A., “Considérations sur la politique énergétique”, 31 maart 1976. 70
De ‘Commissie der Wijzen’ onderzocht groeiscenario’s gaande van 3,4 tot 9% jaarlijkse stijging van de
elektriciteitsvraag, zonder overigens fundamentele bezwaren te formuleren bij dergelijke groeisnelheden. 71
Baeyens opteert voor centrales met kleinere dimensie (< 1000 MWe) om de mogelijke vestigingsplaatsen optimaal te benutten. Voorts moeten mogelijkheden onderzocht worden om te participeren in buitenlandse elektriciteitscentrales, naast een hernieuwde inzet van steenkool voor elektriciteitsproductie (3.000 – 4.000 MWe)
i.p.v. in de staalindustrie, en dit in het kader van een rationeel energiebeleid. Hij waarschuwt ook profetisch voor een escalerende kostprijs van de nucleaire splijtstofcyclus met verwijzing naar de U.S.A en voor de verwaarlozing in de kWh kostprijs van het nucleair afvalbeheer. Hij merkt op dat de grote subsidies voor de nucleaire sector niet geïnternaliseerd zijn voor macro-economische vergelijkingen .
secteur. (...) Il est de la plus haute importance que la Belgique recherche bilatéralement toute possibilité de construction des centrales dans les pays limitrophes…”. Minister Herman, die dan dhr. Dehaene (voordien directeur van de studiedienst van het ACV) als kabinetschef heeft, waarschuwt later voor ‘al te voortvarende investeringen in de kernenergiesector’, omdat de evolutie van de voorbije twee jaren (de economische crisis, inflatie en recessie) alle prognoses omtrent de groei van het elektriciteitsverbruik op losse schroeven zette. Ook op andere vlakken valt een verschuiving in de politieke stellingname waar te nemen. Op 29 april 1976 installeert de regering het ‘Nationaal Comité voor Energie’ (NCE)72, een overlegorgaan voor de belangrijkste maatschappelijke groepen met adviserende functie naar de overheid. Het NCE zal vooral een forum bieden voor de discussie omtrent de uitrustingsplannen, en vooral de mogelijke bouw van (een) nieuwe kern-centrale(s) in België en de Belgische participatie in de Franse reactoren Chooz B1+B2 gedurende de jaren ‘80 (zie Deel 4). Bovendien werd reeds in 1975 besloten tot een onderzoeksprogramma aangaande niet-nucleaire energie73, onder de coördinatie van de ‘Dienst voor Programmatie van het Wetenschapsbeleid – Services pour la Programmation de la Politique Scientifique’ (DPWB-SPPS). Tevens worden een aantal commissies opgericht om een programma van rationeel energiegebruik (REG) uit te werken. Deze initiatieven kunnen geïnterpreteerd worden als stappen in de richting van een ‘globaal energiebeleid’.
Ondertussen was het nog steeds niet duidelijk of de laatste twee bestelde kerncentrales al dan niet Doel 4 en Tihange 3 zouden worden. Klaarheid hieromtrent komt er als de regering op 16 juli 1976 beslist om de optie van de bouw van een kerneiland of een vestiging aan de Belgische kust niet langer te overwegen (Vanpol 1980, p. 78). Tevens wordt een moratorium van twee jaar aanvaard, in afwachting van een parlementair debat inzake het te volgen energiebeleid. Dit moratorium gold echter enkel voor een verdere uitbreiding (d.w.z. supplementair aan de vier reeds bestelde kerncentrales); een feit dat voor nogal wat verwarring zorgde bij de tegenstanders74. De polarisatie tussen voor-en tegenstanders lijkt een voorlopig
| hoogtepunt | te | bereiken | met | de | publicatie | van | een | brochure | door | de | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| elektriciteitsmaatschappijen75 , | waarin | deze | de | actiegroepen | beschuldigen | van | ||||||||
| “psychologische verontreiniging”. | ||||||||||||||
Leroy (1979, p. 59) vermeldt vanaf eind 1977 een dalende belangstelling voor de kernenergiediscussie in de politiek. Immers, de belangrijkste beslissingen waren toen reeds genomen, en de vestigingsplaatsen waren bekend. Het zwaartepunt van de anti-kernenergiebeweging verplaatst zich naar Wallonië, waar o.a. de bouwvergunning voor Tihange 2 (en voor de koeltoren) wordt aangevochten door ‘les
72
Opgericht bij Koninklijk Besluit van 12 december 1975. Het NCE werd pas volledig operationeel na publicatie van
de wet van 8 augustus 1980 (Art. 73, §1) die voorzag in de adviesprocedure voor de uitrustingsplannen. 73
De grote lijnen van dit programma waren: verbetering van de kennis van het nationaal energiesysteem, nieuwe technologieën aangaande energiebesparing en de recuperatie van afvalwarmte, zonne-energie, de technologische en economische mogelijkheden van steenkoolvalorisatie, en de invloed van ruimtelijke ordening op energiegebruik (Ministerie van Economische Zaken 1978, p. 101).
74
Vanpol (1980, p. 108) bericht hoe bij het afleveren van de bouwvergunningen voor Doel 4 en Tihange 3 de
tegenstanders argumenteren dat dit een verbreking is van het moratorium. 75
Vereniging der Elektriciteitsbedrijven, “Kerncentrales, waarom?” (brochure, 1976).
Amis de la Terre’, en verzet wordt geboden tegen de vestiging van Tihange 376 (Vanpol 1980, pp. 80-83). Een gemeentelijk referendum te Andenne77 toont de afkeer van de bevolking voor de vestiging van een kerncentrale: 84% tegenstemmers kan gezien worden als een duidelijke indicatie.
Op beleidsgebied valt vooral de publicatie van het ‘Witboek inzake Energiebeleid’ (Ministerie van Economische Zaken 1978) op. Dit document probeert alvast op papier een uiting te geven aan de nieuwe prioriteiten voor het energiebeleid en ontwikkelt een globale en geïntegreerde visie op de verschillende deelsectoren. Het is in die zin een brede(re) studie over alle vormen van energie, en dit met het oog op het beloofde parlementaire debat, dat nog altijd niet had plaatsgevonden.
In deze paragraaf zullen we verder ingaan op de argumentatiescenario’s (zie Deel 1) zoals die door verschillende maatschappelijke actoren werden gehanteerd. Uit de voorgaande analyse van de culturele-en beleidscontext mag het duidelijk zijn dat de jaren ‘70 een bijzonder turbulente periode vormden, met een overeenkomstig snelle articulatie, verdieping en consolidatie van argumenten. Voor onze analyse van argumentatiescenario’s steunen we vooral op de standpunten zoals die geformuleerd werden op het hoogtepunt van de controverse, d.i. na de publicatie van ‘het rapport der Wijzen’ (maart 1976). Wij maken hierbij dankbaar gebruik van een eerdere aanzet tot een typologie van argumenten door Leroy (1979), zonder nochtans gebruik te maken van zijn specifieke referentiekader78. Opnieuw benadrukken we dat het hier gaat om een ideaaltypische benadering, d.w.z. dat in de praktijk steeds overlappingen tussen verschillende argumentatiescenario’s voorkomen en dat de scenario’s nooit in deze ‘zuivere’ vorm door één bepaalde actor zullen gebruikt worden. Bovendien moet men bij het lezen van deze paragrafen steeds de hierboven geschetste context voor ogen houden: het ruime maatschappelijke debat kwam pas op gang naar aanleiding van een vestigingsproblematiek, nadat de belangrijkste investeringsbeslissingen voor de nu bestaande kerncentrales reeds genomen waren. De inzet van het debat was op dat moment een eventueel nog verdergaande nuclearisatie van België.
3.3.1. Een technisch-economische argumentatie
76
Er wordt o.a. ook een eis geformuleerd voor een valorisatie van de afvalwarmte van de centrale in het kader van een politiek van rationeel energiebeleid; aan deze eis wordt echter bij het afleveren van de bouwvergunning geen gevolg gegeven.
77
Een andere mogelijke vestigingsplaats aan de Maas. 78
Leroy maakt gebruik van een begrippenkader ontleend aan de godsdienstsociologie, wat o.i. soms leidt tot nogal geforceerde beschrijvingen van ‘leidersfiguren’, ‘organisatievormen’ en ‘volgelingen’ binnen bepaalde groepen.
De technisch-economische argumentatie79 wordt zowel door voor-als tegenstanders gebruikt. Het verschil tussen beiden bestaat erin dat ze elk een andere inschatting geven van de technische en economische onzekerheden die met de keuze voor kernenergie zijn verbonden, en daaruit voortvloeiend voor andere beleidsopties kiezen, zonder het fundamentele doel van het energiebeleid in vraag te stellen. We vertrekken vanuit de positie van de ‘voorstanders’80, om vervolgens ad negativum de ‘tegenstanders’ in het debat te betrekken, hoewel een aantal experts en maatschappelijke actoren voor een kritische tussenoplossing opteerden, die op haar beurt het gepolariseerd debat hebben gevoed.
3.3.1.1. De ‘voorstanders’
De technisch-economische argumentatie van de voorstanders wordt o.i. het duidelijkst en meest diepgaand verwoord door de werkgroepen ‘financiële en economische aspecten’, ‘alternatieve energiebronnen’, ‘reactortypes’ en ‘nucleaire veiligheid’ van de ‘Commissie der Wijzen’ (Commissie van Beraad 1976, pp. 3-43)81. Enigszins in telegramstijl weergegeven gaat de redenering als volgt: Eerst wordt een schatting gemaakt van de economische groei in de komende jaren. Hierbij wordt overigens een eerste (min of meer expliciet toegegeven) waardengeladen keuze gemaakt: men acht een nulgroei niet alleen onwaarschijnlijk, maar eveneens onwenselijk – dit zou immers leiden tot “...moeilijk te verdragen sociale spanningen...” (p. 5). De ideologie van de welvaartstaat is sterk aanwezig: armoede en sociale problemen in het algemeen kunnen opgelost worden, zolang de economische koek maar groot genoeg is. De ‘Commissie der Wijzen’ houdt in haar berekeningen dan ook enkel rekening met een economische groeivoet van 2,5 – 4% in de periode 1976-1985.
Vervolgens moet, afhankelijk van deze vooruitzichten, een schatting gemaakt worden van de te verwachten elektriciteitsvraag. Ook hier weer wordt er in de bestudeerde scenario’s enkel uitgegaan van een jaarlijkse groeivoet, gaande van 3,4% tot 9%. De commissie geeft overigens toe dat de economische aspecten van elektriciteitsproductie enkel correct bekeken kunnen worden in een ruimer kader van de volledige energiestructuur van het land – d.w.z. rekening houdend met de groei van industriële productie, evolutie van vervoer, energiebesparingsmaatregelen, enz.
– maar stelt vervolgens dat dergelijke aspecten buiten haar mandaat vallen of in dit geval wel tot de ‘politieke sfeer’ behoren (p. 3). Men beperkt zich tot een nogal vage aanbeveling van “...goed gecoördineerde R&D-programma’s op deze gebieden (...)
79
Met deze benaming willen we echter geenszins suggereren dat de argumentatie ontdaan is van elk politiek of ideologisch gekleurd standpunt. Wel is het zo dat de actoren die vooral deze argumentatievorm hanteren slechts zelden of nooit hun ideologische uitgangspunten expliciet verwoorden.
80
Wij plaatsen de benaming ‘voorstanders’ en ‘tegenstanders’ tussen aanhalingstekens, opdat ze niet al te essentialistisch zouden worden opgevat. Dit alles is vooral een kwestie van gradaties. Onder ‘tegenstanders’ zit bvb. een breed spectrum aan standpunten vervat, gaande van een vraag tot een bezinningsstop inzake kernenergie (zolang bepaalde deelaspecten, bvb. de afvalproblematiek, niet voldoende uitgeklaard zijn), tot een resolute afwijzing van de verdere ontwikkeling van het kernenergieprogramma in België.
81
Herhaaldelijk wordt in het ‘rapport der Wijzen’ gesteld dat men “...op objectieve manier de stand van zaken...” wil opmaken, en dat “... nergens gaan de beweringen verder dan de wetenschappelijke kennis...”. Herhaaldelijk wordt gesteld dat de commissie haar werkzaamheden heeft verricht buiten iedere politieke of andere druk.
die een geleidelijke controle van de algemene groei van het nationaal energieverbruik mogelijk moeten maken zonder daarbij het welzijnspeil in het gedrang te brengen...”.
In het licht van deze prognoses komt het er dan op aan na te gaan of het economisch verantwoord is te investeren in kernenergie. Dit doet men d.m.v. een vergelijkende analyse van de kosten per geproduceerde kilowattuur in een klassieke centrale (d.w.z. op basis van zware stookolie) en een kerncentrale, met, na de nodige sensitiviteitsanalyses82, als resultaat dat de competitiviteitmarge van kernenergie in de meeste gevallen ruim blijft (p. 7). Alternatieven worden één na één van de kaart geveegd: bijkomende elektriciteitsproductie op basis van binnenlands ontgonnen steenkool zou slechts instaan voor 2 x 600 MWe; terwijl ondergrondse steenkoolvergassing wordt gezien als een kansrijke optie, die echter nog aanzienlijke onderzoeksinspanningen vereist. Hierdoor zou deze optie pas na 1985 beschikbaar worden. Hernieuwbare alternatieven worden snel gecatalogeerd: fotovoltaïsch als te duur (zeker de eerste tien jaar), en voor windenergie ziet men “...geen betekenisvolle evolutie mogelijk, behoudens voor plaatselijke toepassingen met gering vermogen...”
(p. 16). Bovendien geeft de commissie (p. 30) toe dat er op dat moment geen gegevens beschikbaar zijn om de mogelijkheden van decentrale productie (WKK nabij stadscentra of drukke industriezones) te onderzoeken.
Volgt dan nog een beschouwing omtrent de financiering van de kerncentrales door de betrokken ondernemingen, waar men in het geval van een sterke stijging van de elektriciteitsvraag (+7,7% jaarlijks) toch enkele (niet onoverkomelijke) problemen ziet. De financiële lasten voor de ondernemingen zouden in dat geval immers oplopen tot 20 miljard BEF (500 MEuro) jaarlijks in de periode 1976-1980. Daarom beveelt de commissie een aantal maatregelen aan, gaande van een tijdelijke verhoging van de elektriciteitstarieven, over een gemengd programma met kerncentrales en minder investeringsintensieve traditionele centrales, tot directe of indirecte interventie van overheid in financiering van de centrales. In het licht van de als zeer mogelijk (en wenselijk) geachte uitbreiding van het kernprogramma83 kan een gebrek aan vestigingsplaatsen natuurlijk een zwak punt in de argumentatie vormen. De commissie ziet op dit vlak geen noemenswaardige problemen voor de onmiddellijke toekomst in Doel; vestigingen aan de Maas moeten absoluut voorzien worden van koeltorens (o.w.v. de reeds hoge thermische belasting); centrales op de kustlijn of kunstmatige eilanden dichtbij de kust worden eerder afgewezen o.w.v. het behoud en de verdere ontwikkeling van het kusttoerisme. Blijft over: kunstmatige eilanden in zee, die “...op middellange termijn de problemen kunnen oplossen die zich in België onvermijdelijk zullen stellen ten aanzien van de keuze van nieuwe vestigingen voor energieopwekking...” (p. 28). De commissie beveelt dan ook aan onmiddellijk de nodige aanvullende studies te ondernemen.
82
Voor wat betreft de gebruikte actualisatievoet, de investeringskost, de kostprijs van de splijtstof, en de kostprijs
van zware stookolie. 83
Bij een groeivoet van 7,7% voorzag men in 1990 een operationeel vermogen van 11.100 MWe aan kerncentrales.
Wat betreft de nucleaire veiligheid steunt men vooral op de regelgeving van de ‘U.S. Nuclear Regulatory Commission’ (USNRC), gezien de conceptie van de Belgische centrales ook van Amerikaanse oorsprong is. Men acht de bestaande veiligheidsvoorzieningen adequaat op alle gebieden (vergunningsprocedures, beperking van afvallozingen, blootstelling van werknemers, kwaliteitsgarantie, bescherming tegen zware ongevallen). De bevindingen van het WASH-1400 rapport (beter gekend als het ‘Rasmussen-rapport’) (USNRC 1975) worden, ondanks de beperkingen, gezien als de best beschikbare en bovendien toereikend84. De algemene teneur van het betoog is dat “...ondanks de nog heersende onzekerheidsfactoren (...) mag worden beweerd dat de activiteiten op nucleair gebied, in een wereld die zich terecht bewust is geworden van zijn leefmilieu, ten voorbeeld kunnen worden gesteld en de weg kunnen banen voor een soortgelijke benadering voor andere industrietakken die als potentieel gevaarlijk kunnen worden beschouwd...” (p. 40), en bovendien dat “...in verhouding tot andere risico’s die de moderne maatschappij wel aanvaardt, de hier ter sprake gekomen risico’s beperkt zijn...” (p. 37). Eventueel nog overblijvende onzekerheden kunnen gaandeweg gereduceerd worden (bvb. door het aanleggen van een database over defectstatistieken, deelname aan fundamenteel onderzoek naar nucleaire veiligheid, enz.). Ook de effecten op de gezondheid en ecosystemen wegen niet op tegen de voordelen van kernenergie, indien voldaan wordt aan een lijst van voorwaarden85 (p. 73). De elektriciteitsproducenten van hun kant proberen in een soort intellectueel steno de argumentatie nog verder te consolideren tot de stelling dat de nieuwe energiebron absoluut veiliger86 en milieuvriendelijker is dan eender welk alternatief.
Samengevat: het energievraagstuk voor België is niet langer een kwestie van een tekort; het gaat eerder om een (louter technische) omschakelingskwestie. Er moet een einde komen aan de te grote afhankelijkheid van het Midden-Oosten om de
84
WASH-1400 was de eerste toepassing van een probabilistische methode (de ‘Probabilistic Safety Assessment’ of PSA) op de analyse van de veiligheid van kernreactoren (de zogenaamde ‘event-tree’ en ‘fault-tree’ analyse). Het is hier niet onbelangrijk op te merken dat het ‘Rasmussen-rapport’ in de Verenigde Staten aanleiding heeft gegeven tot een intense controverse (waarin o.a. de American Physical Society, de Union of Concerned Scientists, de U.S. Environmental Protection Agency, het Advisory Committee on Reactor Safeguards, enz. waren betrokken). Uiteindelijk liet de USNRC in 1977 een tegenonderzoek verrichten door de ‘Risk Assessment Review Group’ (RARG)
o.l.v. prof. Lewis. De houding van de RARG t.o.v. het ‘Rasmussen-rapport’ was zeer genuanceerd: de groep benadrukte de innoverende aard van het gevoerde onderzoek en erkende de gegrondheid van de gebruikte methodiek, maar was echter meer dan gereserveerd t.o.v. bepaalde statistische analyses en gaf uiting aan een fundamentele twijfel omtrent de marges voor vergissingen in de resultaten. Bovendien laakte men de ondoordringbaarheid van het rapport, in die zin dat het moeilijk is te bepalen op welke wijze een bepaald resultaat werd bekomen (RARG 1979). Aldus werd een essentieel onderdeel van de wetenschappelijke methode, de zogenaamde ‘peer review’, quasi onmogelijk gemaakt. Als gevolg van al deze kritische geluiden verklaarde de USNRC in januari 1979 publiekelijk afstand te nemen van de conclusies van het ‘Rasmussen-rapport’ zoals die in de ‘executive summary’ gepubliceerd waren.
85
We vermeldden reeds de innerlijke tegenspraak in het ‘rapport der Wijzen’, vooral m.b.t. de afvalproblematiek. Enerzijds stelt de werkgroep omtrent de splijtstofcyclus dat “...rekening houdend met de reeds voorhanden zijnde technieken en verwerkingsschema’s, met de opgedane ervaring op het vlak van het nucleair afval, alsook met de perspectieven van het aan gang zijnde onderzoeks-en ontwikkelingswerk kan men aannemen dat het radioactief afval geen hinder hoeft te zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie...” (Syntheseverslag ‘Splijtstofcyclus’, p. 7). Anderzijds stelt de werkgroep ‘gezondheid’ een voorwaarde van een tienjaarlijkse evaluatie van het kernprogramma “...zolang er geen definitieve of althans voldoende zekerheid biedende oplossing is gevonden voor hoogactieve afvalstoffen en voor de controle van tritium, edele gassen, koolstof 14 en jodium 129...” (onze cursivering, Hoofdrapport, p. 50).
86
Zo bloklettert de ‘Vereniging van Elektriciteitsbedrijven’ (VEB) in haar brochure “Kerncentrales, waarom?” (1976) dat kernenergie een gunstig resultaat van “...1100 reactorjaren gecumuleerde bedrijfservaring zonder persoonlijk ongeval...” kan voorleggen.
bevoorradingszekerheid veilig te stellen en de financiële last kleiner te maken. Kernenergie is hiervoor de enige haalbare en bovendien de goedkoopste optie.
3.3.1.2. De ‘tegenstanders’
Chronologisch gezien vormt het argument ‘veilig en zuiver’ een eerste focus in het debat. Tegenstanders proberen vooral de robuustheid van dit argument te ondergraven. Deze strategie kan men op drie niveaus van algemeenheid situeren. Ten eerste kunnen we een argumentatie op het vlak van lokale en conventionele (dus niet specifiek met het gebruik van kernenergie verbonden) milieueffecten onderscheiden. Men vermeldt hierbij vooral de thermische pollutie (die niet specifiek is voor kerncentrales, maar wel gezien de omvang en het redelijk lage rendement (33%) van deze centrales grotere problemen stelt), het gebruik van gronden en de esthetische hinder (vooral dan met het oog op de bescherming van het kusttoerisme). Een uitgewerkte argumentatie van de mogelijke gevaren van koelsystemen (van thermische, mechanische en chemische aard) voor het ecosysteem van de Noordzee vindt men in VAKS (1976, pp. 128-186). Interessant in dit opzicht is het feit dat men wijst op de enorme gevoeligheid aan verstoringen van dit ecosysteem, en op het fundamenteel gebrek aan kennis hieromtrent, zodanig dat er sprake is van “...een situatie waarin wetenschappelijk onderzoek wordt geremd, en waarin heel wat vitale ecologische aspecten ernstiger geëvalueerd moeten worden, terwijl de industriële ontwikkeling wordt voortgezet en toeneemt...” (p. 159). Een beroep op het voorzorgsbeginsel avant-la-lettre?
Dergelijke argumenten kunnen eventueel wel effectief uitgespeeld worden in het kader van een lokaal of regionaal vestigingsconflict87; als wapens in de strijd tegen het principe van een verdergaande nuclearisatie zijn zij niet krachtig genoeg. Daarvoor zijn meer specifiek op kernenergie gerichte argumenten noodzakelijk. In eerste instantie (op het tweede niveau van algemeenheid) wijst men op talloze incidenten (vooral in het buitenland) in de verschillende stadia van de splijtstofcyclus (voor een inventaris, zie VAKS 1976, p. 44-51). Maar ook van deze inventaris gaat op zichzelf nog altijd niet voldoende overtuigingskracht uit. Daarvoor is de argumentatie te indirect, de conclusie (‘kernenergie is (nog) niet veilig genoeg’) laat zich enkel vermoeden: het blijft steeds mogelijk deze incidenten te wijten aan louter contextuele factoren of af te doen als kinderziektes van een nieuwe industrietak. Het is blijkbaar pas wanneer men zich, in aanvulling op bovenvermelde argumenten, op het gebied van de technische berekeningen (het derde niveau) – d.i. het traditionele domein van de experts – waagt, dat de argumentatie van ‘de tegenstanders’ erin slaagt het principe van de verdergaande nuclearisatie zelf in vraag te stellen. Op dit niveau worden bvb. de somatische en genetische effecten van langdurige of frequente bestraling (zelfs bij lage dosering), al dan niet in interactie met ‘klassieke’
87
We vermeldden reeds hoe de bezwaren omtrent thermische pollutie van Schelde en Maas opgevangen werden door de nieuwe kerncentrales te voorzien van koeltorens (de reeds bestaande eenheden Doel 1+2 en Tihange 1 – die tevoren voorzien was van atmosferische koeling -werden bij die gelegenheid ook aangesloten); vestigingen aan de Belgische kust behoorden sinds 1976 niet meer tot de mogelijke opties.
chemische polluenten, in vraag gesteld. Het belangrijkste strijddomein vormt echter de waarschijnlijkheid en de gevolgen van het ‘grootst denkbare reactorongeval’, nl. het smelten van de reactorkern als gevolg van een falende primaire koelkring88, onderzocht in het ‘Rasmussen-rapport’. In de kritiek op dit rapport sluit men aan bij analyses van de Sierra Club, de Union of Concerned Scientists, les Amis de la Terre, enz. (zie voetnoot 84; zie ook van Dijk en Smit 1976): men verwijt Rasmussen vooral een gebrekkig gebruik van statistische methodes (waarschijnlijkheidsintervallen zijn te klein ingeschat, gegevensbasis voor waarschijnlijkheidsberekeningen is ontoereikend, extrapolatie op basis van twee onderzochte reactoren is onmogelijk, enz.). Bovendien wijst men zeer nadrukkelijk op de mogelijkheid van menselijk falen, of meer algemeen, de invloed van menselijke factoren in alle fases van de bedrijfsvoering, die zich niet gemakkelijk laten kwantificeren. De experimenten in de Verenigde Staten die twijfels deden rijzen omtrent de effectiviteit van de noodkoeling onder reële ongevalomstandigheden (zie voetnoot 88) worden eveneens ingeroepen.
Eggermont89, die voor de ‘Commissie der wijzen’ het ‘Rasmussen-rapport’ kritisch analyseerde, zet na het ongeval in Harrisburg (in 1979 -zie Deel 4) alle kritieken nog eens op een rijtje in een brief aan voorzitter prof. Hoste, zich baserend op de beoordeling van het ‘Rasmussen-rapport’ door het NRC: het rapport bevat geen volledige risicoweergave, de ‘executive summary’ geeft een vertekend beeld van de bevindingen, er is onvoldoende weergave van de onzekerheden, het rapport werd onkritisch gebruikt voor publieke opiniëringsdoelstellingen, er bestaat onzekerheid voor wat betreft het effect van lage dosissen die met een factor 5 à 10 onderschat werden (en i.h.b. de betwistbaarheid van de risico-inschatting van schildklierkanker speelt een rol), de globale milieu-impact en niet alleen het effect op de menselijke gezondheid zou moeten in acht genomen worden, en een studie (van de ‘American Physical Society’) wees op andere in acht te nemen ongevalscenario’s (breuk reactorvat) in relatie tot specifieke condities (bevolkingsdensiteit, hydrogeologie).
Kortom, de berekeningen in het ‘Rasmussen-rapport’ suggereren een rationele beheersbaarheid die kernenergie niet haalt. De bedreiging die van de ganse
88
Het zogenaamde ‘LOCA’ ongeval (‘Loss Of Coolant Accident’). In 1967 toonde een speciale onderzoeksgroep van de Amerikaanse ‘Atomic Energy Commission’ (AEC) aan dat onder bepaalde voorwaarden de omsluiting van de reactorkuip doorbroken kon worden, nl. bij een onvoldoende koeling van de reactorkern (het zogenaamde ‘China syndrome’, waarbij de gesmolten reactorkern zich doorheen de reactorwand en de betonnen omsluiting een weg zou banen tot in de grond). Deze conclusie veroorzaakte een fundamentele verandering in de veiligheidsfilosofie: waar deze voorheen vooral op deterministische overwegingen was gebaseerd (nl. de omsluiting ‘stevig genoeg’ maken), richtte men zich nu vooral op het voorkomen van een kernsmelt. Voortaan werden kerncentrales voorzien van een ‘Emergency Core Cooling System’ (ECCS). Tijdens experimenten op kleine schaal bleek echter dat deze ECCS niet in staat was voldoende koelwater in de kern te brengen, en dus onvoldoende kernkoeling veroorzaakte. De AEC reageerde aanvankelijk (in 1971) door strenge tussentijdse aanvaardingscriteria voor vergunningsaanvragen uit te vaardigen (‘Interim Acceptance Criteria’ of IAC). Voor een aantal actiegroepen (bvb. de ‘Union of Concerned Scientists’) en individuele wetenschappers was dit echter niet voldoende, en het debat gaf uiteindelijk aanleiding tot een controverse op nationale schaal in de Verenigde Staten (openbare hoorzittingen in de periode 1972-1973). Deze controverse leidde zelfs tot het opdelen van de AEC in de ‘Nuclear Regulatory Commission’ (NRC) en de ‘Energy Research and Development Agency’ (ERDA). Zodoende werden de twee (moeilijk verenigbare) functies van de AEC – promotie en onafhankelijk toezicht – effectief opgesplitst. Achteraf is gebleken dat de onvoldoende kernkoeling te wijten was aan een foutieve inschatting van de abnormaal hoge thermische inertie van het kleinschalige experiment, waardoor het koelwater niet tot de kern raakte. Alhoewel latere tests op normale grootte wel degelijk een voldoende kernkoeling aantoonden, werden de strenge criteria behouden en in 1974 bevestigd als ‘Final Acceptance Criteria’ (FAC), die nu nog altijd van kracht zijn. (Consensus 1984, zie ook de website ‘History of Nuclear Safety’ <http://users.owt.com/smsrpm/nksafe/seventies.html>)
89
Eggermont, G., persoonlijke communicatie aan prof. Hoste (20/04/1979).
splijtstofcyclus uitgaat is in deze argumentatie kwalitatief zo verschillend van andere energievormen, dat zij zich nauwelijks leent tot een vergelijkende risicoanalyse (van Dijk en Smit 1976, p. 156). Naast veiligheid en gezondheidsrisico’s worden bovendien proliferatierisico’s (en de intrinsieke verbondenheid van civiel en militair gebruik van splijtstofmateriaal), mogelijke problemen i.v.m. sabotage en terrorisme, en de nog onopgeloste afvalproblematiek aangehaald. Zo concludeert bvb. Eggermont (1978, pp. 77-78, p. 85): “…De uitdaging is hier: ‘Zal de nucleaire industrie erin slagen de hoogradioactieve producten op industriële schaal veilig te verpakken voor honderdduizenden jaren, en op te slaan in stabiele geologische lagen zo dat de waarschijnlijkheid dat ze de watervoorziening en de atmosfeer kunnen besmetten binnen miljoenen jaren klein is.’ (…) Ook hier lijkt het erop dat de nucleaire expansie te snel van stapel loopt terwijl er nog onopgeloste problemen zijn. (…) De Commissie der Wijzen beperkte de nucleaire expansie in België tot 10 jaar tenzij er een afdoende oplossing voor dit afvalprobleem zou worden gevonden. Het is echter zeer twijfelachtig of 300 miljard investeringen na 10 jaar nog politiek in vraag gesteld kunnen worden in de huidige economische machtssituatie in België…”.
Daarnaast vormt in deze argumentatie investeren in kernenergie ook economisch gezien een risico. Men haalt de onzekerheid aangaande toekomstige investeringskosten en uraniumprijzen aan90; en de toekomstige kosten van afvalberging en ontmanteling die op dat moment zeer onnauwkeurig geschat worden. Het argument van de noodzakelijke omschakeling, weg van aardolie, wordt ontkracht: men zou immers van het ene monopolie in het andere vervallen, met dezelfde gevaren -o.a. ook gevaren van technologische afhankelijkheid van één bepaald reactortype (de Westinghouse technologie). Men acht, niettegenstaande de op dat moment grote onzekerheden op dat gebied, de sociale kosten voor kernenergie op basis van een kwalitatieve analyse toch hoger dan die voor fossiele energie (VAKS 1976, pp. 207). Dergelijke sociale of externe kosten werden pas in de jaren ‘90 grondig geëvalueerd in het ExternE project (zie het desbetreffende deel voor een bespreking van de recentste resultaten). Tegelijkertijd gaan de eerste stemmen op om alle kostelementen, ook de subsidiëring, te internaliseren in de kWh-prijs.
Het argument dat fossiele brandstoffen uitgeput raken wordt verworpen – er zou immers geen reële schaarste zijn, geen nood om onmiddellijk en massaal op kernenergie over te schakelen. Dit impliceert echter niet dat de (verspillende) tendensen gewoon verder gezet konden worden, wel dat er voldoende tijd voorhanden was om op middellange termijn (> 10 jr.) alternatieven te zoeken (energiebesparing, meer efficiënte en decentrale fossiele technologie die bovendien een meer transparant energiebeleid moet mogelijk maken) (VAKS 1976, p. 257). De ‘tegenstanders’ zijn op dat moment nog niet in staat een specifiek voor België uitgewerkt alternatief te bieden; wel verwijzen ze naar in het buitenland uitgevoerde studies, die alle aanzienlijke mogelijkheden voor energiebesparing aantonen (o.a. het bovenvermelde rapport van de Ford Foundation). De keuze tussen kernenergie (en aanvaarden van de risico’s) of inleveren van welvaart wordt als een ‘vals dilemma’
90
De uraniumprijzen stegen in de periode 1974-1979 inderdaad scherp (van 20 tot 100 $/kg U) door kartelvorming, om daarna weer sterk te dalen.
bestempeld (p. 262). Men zou immers kunnen inzetten op energiebesparing om de groei van de vraag naar energieproducten te beperken (men wijst daarbij op efficiëntere energieproductietechnieken, recyclage van grondstoffen, mogelijkheden van energiebesparing in de transportsector en in huishoudens), en zodoende tijd winnen om het nodige globale energiebeleid op punt te stellen.
Samengevat: “...Gezien er op zijn minst twijfel bestaat over de noodzakelijkheid en de veiligheid van de ontwikkeling van de kernindustrie, moet deze twijfel, in afwachting van meer ervaring op beperkte schaal, in het voordeel van de algemene veiligheid en volksgezondheid, leiden tot een bezinningsstop…”91 (onze cursivering). Of, zoals het door VAKS (1976, p. 21) wat beeldrijker wordt uitgedrukt: “…Ze hebben ons op een trein zonder remmen geduwd en roepen ons vrolijk na: je zal onderweg wel wat verzinnen...”.
Deze argumentatie vertrekt vanuit een ander uitgangspunt. In dit denkschema stelt de keuze voor kernenergie veeleer een reële vraag over de keuze van een samenlevingsmodel dan over kosten en risico’s. Kernenergie wordt dan eerder een testcase voor de democratische structuren. Ze is in deze benadering niet op zichzelf (om technische redenen) onveilig en/of onrendabel. Als kernenergie zich ondanks het feit dat ze onveilig en/of te duur zou zijn toch heeft kunnen uitbreiden, dan is dit omdat het tot dusver gevoerde beleid geen garanties op die vlakken heeft kunnen bieden. In de bovenstaande paragrafen stelden we reeds dat dit argumentatiescenario vooral wordt uitgedragen door de maandbladen ‘La Revue Nouvelle’ (LRN) en ‘De Nieuwe Maand’ (DNM) en de weekbladen ‘Links’ en ‘de Nieuwe’; in wat volgt pogen we een samenvatting van de redenering weer te geven.
Eerst en vooral klaagt men het informatiemonopolie van de elektriciteitsmaatschappijen aan, die bovendien van dit monopolie misbruik zouden maken om de bevolking te misleiden. Maar de invloed van de elektriciteitsmaatschappijen zou veel verder reiken. Zo zouden machtige multinationale ondernemingen in België de facto de energiepolitiek beheersen. Er is sprake van een lobby (d.w.z. dat de elektriciteitsproducenten, de studiebureaus, de holdings, en de leveranciers van reactoronderdelen hun belangen hebben verenigd) waartegen de overheid machteloos staat. Bovendien is de elektriciteitssector zodanig gestructureerd dat de elektriciteitsproducenten niet zelf de gevolgen van vergissingen in investeringskeuzes of management moeten dragen: via het ‘cost-plus’ tarifering-systeem krijgen zij de garantie van een ‘redelijke winstmarge’ bovenop de werking-en investeringskosten. Door het systeem van de gemengde intercommunales wordt de lokale politiek afhankelijk gemaakt van de gemaakte winsten92. De vakbonden zitten gebonden in het Controlecomité voor Elektriciteit en Gas (CCEG), en worden
91
Conclusies van het colloquium “Leven of Sterven met kernenergie”, ingericht door de Stichting Lodewijk de Raet
en REM-U-235 op 9 november 1974. 92
Zie Leroy (1979, pp. 135-142) voor een bondige historiek van de organisatie van de elektriciteitssector in België.
gepaaid met sociale voordelen in de sector, terwijl de investeringsplannen aan effectieve controle ontsnappen. Enzovoort. Kortom, zovele bewijzen voor de stelling dat een open en democratische besluitvorming in de energiesector toen als onwaarschijnlijk geacht moest worden.
Spitst men deze redenering toe op kernenergie, dan klaagt men vooral het gebrek aan onafhankelijke controle op de sector aan. De privé-controleorganismen worden immers betaald door diegenen die de controle ondergaan (DNM, p. 417). Men pleit dan ook voor een controle op nucleaire veiligheid door een zelfstandig orgaan onder rijkstoezicht (naar het voorbeeld van het USNRC). De procedure voor het bekomen van een vestigingsvergunning (zie boven) wordt eveneens aangevallen. Dezelfde argumentatie geldt voor de economische rendabiliteit van kernenergie. Als kernenergie immers goedkoper zou uitvallen, dan was dat ondermeer dankzij de steun die de technologie in haar experimentele fase van de overheid had gekregen, en toen nog kreeg op de kostenposten ‘opwerking’ (via de staatsovername van de Eurochemic opwerkingsfabriek – zie ook Deel 4) en ‘afvalberging’. Dit mechanisme, dat vaak werd samengevat onder de noemer ‘privatisering van de winst en collectivisering van het verlies’ wordt o.a. ook nog geïllustreerd aan de hand van het verzekeringsstelsel voor kerninstallaties, ingesteld door de Verdragen van Parijs (1960) en Brussel (1963). Daarin was op dat moment ondermeer voorzien dat bij ongevallen met schade, de schadevergoeding (beperkt in tijd en bedrag), slechts voor ongeveer 5% op rekening van de exploitant kwam, terwijl de nationale overheid, met medewerking van de andere ondertekenende staten, voor de overige 95% garant stond93.
Is het oprichten van de ‘Commissie der Wijzen’ dan geen stap in de goede richting te noemen? Ook hier worden de besluiten en beleidsadviezen van deze groep net vanuit de optiek van een onafhankelijk energiebeleid in vraag gesteld. Enerzijds blijkt uit een ‘kleine “who is who” van de Commissie der Wijzen’ (DNM, pp. 463-468) dat talrijke experts ofwel reeds eerder een duidelijke positie in het debat hadden ingenomen, ofwel bindingen hadden met de energiesector (elektriciteitsproducenten, holdings, studiebureaus, enz.), ofwel gevestigde belangen te verdedigen hadden (bvb. de aanwezigheid van kaderleden van de Association Vinçotte en SCK•CEN in de werkgroep veiligheid wordt aan de kaak gesteld). Anderzijds wordt het wetenschappelijk statuut van deze adviezen in een bijdrage94 van de filosoof Etienne Vermeersch in vraag gesteld (DNM, pp. 469-475). Vermeersch argumenteert op basis van inzichten uit de wetenschapsfilosofie95 en de sociale psychologie96 dat wetenschappers door publieke stellingnames of gebondenheid aan vertrouwde werkmethodes nog zeer moeilijk hun eigen opvattingen in twijfel zullen kunnen
93
Interessant is dat dit gegeven door de ‘tegenstanders’ in de technisch-economische argumentatie wordt aangegrepen als indirect bewijs van de ‘onveiligheid’ van kernenergie: als zelfs de verzekeringsmaatschappijen weigeren borg te staan voor de nucleaire risico’s…
94
Daar waar het aantonen van de (politieke) bindingen van experts nog kan afgedaan worden als een ‘verdachtmaking’ die niets zegt over het wetenschappelijk statuut van hun bijdrage, betrekt dit argument eerder ‘het wetenschappelijk bedrijf’ op zichzelf (eerder dan de individuen die deel uitmaken van dit bedrijf)in de discussie.
95
Met name de theorie van Thomas Kuhn rond wetenschappelijke paradigma’s. 96
Met name de theorie van Leon Festinger rond cognitieve dissonantie.
trekken. Op basis van deze redenering komt hij tot een aantal voorwaarden voor de samenstelling en werking van een ‘Commissie van Wijzen’97. In het geval van deze commissie concludeert hij dat “…het hier eerder gaat om een verzameling van opinies, die zeker vaak solied zijn, maar die ook op verschillende plaatsen gekenmerkt zijn door bewuste of onbewuste weglatingen, door beperkte visies en door starheid van denkkaders. Deze opinies zijn eerbiedwaardig, maar ze moeten geconfronteerd worden met andere die, zo mogelijk, uitgaan van een alternatief engagement…” (p. 475).
Overigens worden onder de noemer van ‘principes van een democratische politiek’ ook soms argumenten ingebracht die stellen dat de kernenergietechnologie inherente eigenschappen vertoont die inherent strijdig zouden zijn met deze principes, bvb. door de controle op ‘betrouwbaarheid’ van de medewerkers in de sector; of door de ‘uitgebreide politiebewaking’ van kerncentrales, transporten, opwerkingsfabrieken, enz. Deze argumentatie verschilt van de bovenstaande in die zin dat de inzet van kernenergie a.h.w. een deterministische impact heeft op de maatschappelijke structuren, zonder enig mogelijke vorm van bijsturing. De nucleaire technologie wordt dan gezien als een technologie van de macht, omdat ze alleen zou kunnen functioneren in een stabiele, technocratische, gecentraliseerde politiestaat. Deze redenering wordt soms ook opgevoerd binnen het denkkader van de klassenstrijd: de uiterst complexe technologie zou leiden tot een “…dekwalificering van de arbeider…”, “…de virtuele onmogelijkheid voor die arbeider om de instrumenten van zijn arbeid zelf te beheersen…” en tot “…een aanslag op de individuele en collectieve (syndicale) vrijheden…” (DNM 1976, p. 477).
Samengevat: “…De keuze over energie, gekoppeld aan een massieve ontwikkeling van kernenergie, is uiteindelijk een keuze met dergelijke verstrekkende gevolgen, dat alleen een bevolking, bij monde van haar representatieve en georganiseerde krachten, deze keuze kan maken…” (Thill 1976). Ook hier luidt het advies dat een moratorium moet in acht genomen worden, totdat het parlement zijn verantwoordelijkheden opneemt en een echt democratisch en onafhankelijk energiebeleid wordt uitgewerkt.
Naast de twee bovenstaande ideaaltypes kan er nog een derde soort benadering worden onderscheiden. Leroy (1979, pp. 76-77) stelt dat deze benadering veel meer dan de twee andere een drager is van een milieubewustzijn in die zin dat ze zich in die periode nog volop ontwikkelde naar aanleiding van en in voortdurende wisselwerking met milieuconflicten van allerhande aard. Op dat moment was er nog geen sprake van een volledig consistent argumentatiepatroon of van een coherente synthese die de nieuwe maatschappelijke structuren uitwerkte. Men vindt
97
Het gaat hier om het aan bod laten komen van uiteenlopende opinies, het bekendmaken van eerdere engagementen, het confronteren van experts met een verschillend engagement, het bekendmaken van professionele afhankelijkheden, het duidelijk aangeven van het wetenschappelijk statuut van een bepaalde bewering (quasizekerheid, nog niet volledig erkende methodes, hypothetische uitspraken,…).
argumenten van dit type dan ook eerder in verspreide slagorde terug, o.m. in het dossier van VAKS (1976) en ettelijke publicaties van lokale milieugroeperingen (bvb. REM-U-235 en de werkgroep ‘Soft Technology’) die zich baseren op het gedachtegoed van buitenlandse voorbeelden (o.m. Illich, Schumacher – zie boven). Deze vorm van argumenteren kan dan ook best benaderd worden in vergelijking met de twee voorgaande.
Het fundamentele verschil met de technisch-economische argumentatie blijkt o.a. uit de invulling die hier aan het begrip ‘externe effecten’ wordt gegeven. Het gaat hierbij om veel meer dan de bovengenoemde ‘externe kosten’98, die in het hedendaagse debat een vaste plaats hebben verworven en dus veel meer – althans in de argumentatie – geïntegreerde dan externe effecten zijn. Het technisch-economisch geïnspireerde vooruitgangsdenken zelf is in deze redenering de oorzaak van een diepere culturele malaise, die met een lange lijst van symptomen wordt geduid: sociale vervreemding, uitbuiting van het Zuiden door het Noorden, verstedelijking, milieuvervuiling, schaalvergroting, bureaucratisering, beïnvloeding door massamedia, doden van de fantasie, enz. Tegenover de instrumentele rationaliteit van verdergaande specialisatie en opsplitsing van wetenschap in deeldomeinen wordt een verlangen uitgedrukt naar eenheid, overzichtelijkheid, en vereenvoudiging; men wil bruggen aanleggen tussen kennis, moreel besef en ervaring op mensenmaat. De menselijke ervaring in haar interactie met technologie moet opnieuw ‘leesbaar’ gemaakt worden. Er heerst eensgezindheid over de centrale kenmerken van deze nieuwe technologie (Schumacher 1973): kleinschalig (d.i. afgestemd op de behoefte van de lokale markt), eenvoudig (d.i. begrijpbaar en hanteerbaar zonder specialisatie) en vreedzaam99. De inzet van kernenergie vormt natuurlijk de antithese van deze kenmerken. Zij vormt binnen dit denkkader een typerend symbool van wat er mis is met het denken in termen van steeds maar meer technologische oplossingen voor problemen die door de afhankelijkheid van technologie zelf gecreëerd werden. De concrete zichtbaarheid van dit symbool verklaart voor een groot stuk de effectieve werkingskracht van dit denkkader.
Ook met de argumentatie op basis van principes van een democratische politiek zijn er overlappingen: het uitgangspunt dat kernenergie een grondige ingreep in maatschappelijke structuren zal bewerkstelligen wordt gedeeld; de remedie (in termen van meer controle, aanstellen van onafhankelijke experts, het voorzien van nieuwe overlegstructuren, enz.) echter niet. Het is binnen deze redenering een uitgemaakte zaak dat kernenergie een ‘technologie van de macht’ is, en op een quasi-deterministische manier bepaalde sociale processen zal versterken: expertocratie, informatiemonopolies, bewapeningswedloop, groeiende afhankelijkheid van het Zuiden, enz.
98
Hoewel deze argumenten ook binnen dit betoog hun plaats krijgen.
99
Een verhelderende discussie van de idee van een kleinschalige technologie is te vinden in Winner (1980), Hoofdstuk 5 “Decentralization clarified”.
Cahiers Marxistes – Spécial Energie, 8me année, No. 37-38 (Sept.-Oct. 1977), pp. 1-96.
Commissie van Beraad inzake kernenergie (1976), Eindrapport, Ministerie van Economische Zaken, Brussel.
Consensus – Informatietijdschrift over Energie, Jaargang 1984, No. 3-4, “Belangrijke veiligheidstest voor kerncentrales”, p. 108.
De Nieuwe Maand, Jaargang 19, No. 7 (Sept. 1976), Standaard Uitgeverij, Antwerpen/Utrecht, pp. 389-478.
Eggermont, G. (1977), “Wijzen: kerncentrales JA, maar…”, Links, Vol. 20, No. 2.
Eggermont, G. (1977), “Euro-hoorzittingen over kernenergie”, Links, Vol. 20, No. 2.
Eggermont, G. (1978), “Kernenergie”, Informatie en Argumentatie – Dossier van de Jongsocialisten, Brussel.
Elliott, D. (2003), Energy, Society and Environment, Routledge, London/New York.
Fontyn, G., (2001), Kernenergie in België: Historiek en berichtgeving in de Vlaamse pers, licentiaatsthesis, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen (vakgroep Communicatiewetenschappen), Ugent.
Ford Foundation (Energy Policy Project) (1976), A Time to Choose – America’s Energy Future, Ballinger Publishing Co., Cambridge.
Fraunhofer Institute for Systems and Innovation Research (2003), “Beheer van de energievraag” in het raam van de door België te leveren inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, Ministerie van Economische Zaken, Brussel.
Goderis-Lyppens, L. (2004), Documentatienota’s uit het archief van REM-U-235, samengesteld naar aanleiding van het project “Kernenergie en maatschappelijk debat”.
Govaerts, P., Jaumotte, A. en Vanderlinden, J. (Eds.) (1994), Un demi-siècle de nucléaire en Belgique. Témoignages, Presses Interuniversitaires Européennes, Bruxelles.
Groupe Interuniversitaire pour l’Etude des Problèmes de l’Energie (GIPE) (1975), Quelques aspects du programme électronucléaire en Belgique, Bruxelles.
Kasperson, R.E., Berk, G., Pijawka, D., Sharaf, A.B. en Wood, J. (1980), “Public opposition to nuclear energy: Retrospect and prospect”, Science, Technology and Human Values, Vol. 5, No. 31, pp. 11-23.
La Revue Nouvelle – Numéro Spécial “Société Générale de Belgique”, No. 11 (Nov. 1972), pp. 307-459.
La Revue Nouvelle – Numéro Spécial “Energie: Qui décide en Belgique?”, No. 2 (Févr. 1975), pp. 115-267.
La Revue Nouvelle – Numéro Spécial “Energie nucléaire: Un choix ‘sage’?”, No. 9 (Sept. 1976), pp. 115-281.
Leroy, P. (1979), Kernenergie – Milieuconflict of godsdienstoorlog?, Universitaire Instelling Antwerpen, departement politieke en sociale wetenschappen, Antwerpen.
Lowette, T. (1983), Olie op het vuur. Lobby’s en overheid in tien jaar energiecrisis, Kritak Uitgeverij, Leuven.
Mariën, F. (1979), “G. Eggermont relativeert het belang van kernenergie”, De Nieuwe.
Mededeling van de Europese Commissie aan de Raad (1974), Naar een nieuwe strategie inzake het energiebeleid van de Gemeenschap.
Ministerie van Economische Zaken (1976), Vragen en commentaar van de Bond Beter Leefmilieu op sommige ekonomische, technische en institutionele aspekten van het kernenergieprogramma in België – Antwoorden van de Kommissie van Beraad inzake kernenergie, Brussel.
Ministerie voor Economische Zaken (1978), Elementen voor een nieuw energiebeleid, Brussel.
Reynebeau, B. (2000), Het energievraagstuk in België: de opkomst van de kernenergie, licentiaatsverhandeling, Rijksuniversiteit Gent, faculteit letteren en wijsbegeerte, Gent.
Risk Assessment Review Group (RARG) (1979), Risk Assessment Review Group Report to the Nuclear Regulatory Commission, NUREG/CR-0400, Springfield, Virginia.
Schumacher, E.F. (1973), Hou het klein, Bilthoven.
Thill, G. (1976), “Kernenergie: een vraag voor de demokratie”, voordracht op het Nationaal Colloquium “De kernenergiemaatschappij: een oefening in prospektief denken” (Dilbeek, 31 mei – 1 juni).
Tistaert, K. (1991), De strijd tegen kernenergie in Vlaanderen. De Vlaamse antikernenergiebeweging en kulturele uitingen van onvrede (midden jaren zeventig – eind jaren tachtig), licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, faculteit letteren en wijsbegeerte, Leuven.
United States Nuclear Regulatory Commission (USNRC) (1975), Reactor Safety Study. An Assessment of Accident Risks in U.S. Commercial Nuclear Power Plants – Executive Summary, WASH – 1400 (NUREG – 75/014), Springfield, Virginia.
Van Dijk, G. en Smit, W. (1976), Kleine kansen – grote gevolgen, of gevolgen van een groot ongeluk met een kerncentrale, Boerderijcahier 7601, Twente.
Vanpol, I. (1980), De besluitvorming inzake kernenergie in het Belgisch politiek stelsel. Gevestigde belangen versus democratie, licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, faculteit der sociale wetenschappen, Leuven.
Verenigde Actiegroepen voor een Kernstop (VAKS) (1976), Dossier kernenergie – balans van een collectief zelfmoordprogramma, Lembeke.
Werkgroep Soft Technology (1973), Energiebeleid en kernenergie, Leuven.
Winner, L. (1980), The Whale and the Reactor. A Search for Limits in an Age of High Technology, the University of Chicago Press, Chicago / London.
Deel 4
Het kernenergiedebat in de jaren ’80
De dynamiek van het energiebeleid en van het beleid rond radioactief afval berust voor bepaalde aspecten natuurlijk op eenzelfde grond, en het spreekt voor zich dat afvalbeleid moet gezien worden als een (‘back-end’) onderdeel van het globale energiebeleid. Aangezien in de jaren ‘80 zowel het energiebeleid als het afvalbeleid scharnierpunten kenden die de geschiedenis van de nucleaire sector tot vandaag ondubbelzinnig bepaald hebben werd in Deel 4 geopteerd voor twee parallelle verhalen die – op relevante punten – telkens gekruid worden met elementen uit het andere verhaal.
In deel 3 beschreven we hoe het maatschappelijk debat rond kernenergie in de jaren ‘70 evolueerde van een vestigingsconflict tot een veel ruimere (technische, economische, politieke en tenslotte culturele) vraagstelling rond de toekomst van het nucleaire programma in België, en dit tegen de achtergrond van de oliecrisissen van 1973 en 1979. Dit debat zet zich weliswaar verder in de jaren ‘80100, maar echter niet zonder de invloed te ondergaan van een wijziging in zowel de modaliteiten (opentrekken van het debat in institutionele overlegstructuren zoals het parlement of het NCE) als de (internationale) context. Op beide elementen zullen we dieper ingaan in de volgende paragrafen.
Naast dit doorlopende debat rond de uitrustingsplanning voor de elektrische productiemiddelen (en vooral de vraagstelling rond een eventuele nucleaire expansie), lag de nadruk in het maatschappelijk debat tijdens de jaren ‘80 vooral ook op nucleaire veiligheid (zie bvb. de werkzaamheden van de ‘Tsjernobyl-commissie’). De problematiek van het kernafval kwam vooral op het einde van de jaren ‘80 (Transnuklear afvalschandaal) op de publieke en politieke agenda, en zal nog aan belang winnen tijdens de jaren ‘90 (zie Deel 5).
De elektriciteitsproducenten blijven tot 1988 in de opeenvolgende uitrustingsplannen de bouw van nieuwe kerneenheden in België voorstellen.
4.1.1.1. De ongevallen in Three-Mile-Island and Tsjernobyl
De kernenergiesector wordt in de jaren ‘80 grondig dooreengeschud door twee ongevallen in kernreactoren die een (gedeeltelijk) smelten van de reactorkern tot gevolg hadden. Het eerste ongeval vond plaats op 28 maart 1979 in de kerncentrale van Three-Mile-Island (TMI) in de Verenigde Staten, het tweede op 26 april 1986 in de kerncentrale van Tsjernobyl in de voormalige Sovjet-Unie101 . Het ongeval in TMI was het gevolg van een technische fout die door menselijk en organisatorisch falen tot ernstige gevolgen heeft geleid (Kemeny 1979)102 . De reactorkern smolt gedeeltelijk, maar het reactorvat en het veiligheidsomhulsel hielden stand en de stralingsbelasting voor de omliggende bevolking en het personeel van de kerncentrale was zeer beperkt. Desalniettemin verlieten ongeveer 200.000 mensen in de buurt van de centrale hun woning, hoewel daartoe nooit een officieel bevel was gegeven (Govaerts et al. 1994, p. 576). Bij het ongeval met de kernreactor in Tsjernobyl kwam er echter wel een aanzienlijke hoeveelheid radioactieve stoffen vrij met enorme gevolgen voor werknemers, brandweerlieden en omwonenden103.Deze kernramp wordt doorgaans toegeschreven aan een instabiele reactorarchitectuur (die compleet verschilt van het PWR-type dat in België gangbaar is), het ontbreken van een veiligheidsomhulsel om de reactor, menselijke fouten, het gebrek aan veiligheidscultuur en de politiek-militaire context van de voormalige Sovjet-Unie (Gillon 1986, SCK•CEN 2001). Omwille van deze grondig verschillende context
101
Binnen het kader van dit rapport kunnen we het exacte verloop en de analyse van de oorzaken van beide ongevallen niet beschrijven. We verwijzen hiervoor bvb. naar Van Assche (1979), Kemeny (1979), Gillon (1986, 1990) en SCK•CEN (2001).
102
De oorzaken van het ongeval in TMI werden grondig geanalyseerd door ‘The President’s Commission on the Accident at Three Mile Island’, die ook vaak kortweg de ‘Kemeny-commissie’ (naar de voorzitter) wordt genoemd. Tijdens het onderzoek kwam o.a. aan het licht dat in 1977 een zeer gelijkaardig technisch incident had plaatsgevonden in de Davis-Besse kerncentrale, echter zonder verdere gevolgen. Dit incident werd wel gerapporteerd maar er werd nooit gevolg aan gegeven, wat wees op een gebrek aan adequate structuren voor een uitwisseling van ervaringen (Eytchison 2004). De aanbevelingen van de Kemeny-commissie waren dan ook zeer uitgebreid en omvatten zowat alle domeinen die op nucleaire veiligheid betrekking kunnen hebben. Vermelden we bvb. een aanbeveling tot herstructureren van de USNRC, een aanmaning tot de nucleaire industrie om “… dramatically change its attitudes toward safety and regulations…” en “… also set and police its own standards of excellence to ensure the effective management and safe operation of nuclear power plants…”; een aanbeveling tot betere opleiding van reactoroperatoren; aanbevelingen tot technische verbeteringen (research rond LOCA ongevallen met nadruk op menselijk falen, verbeteren van de ‘man-machine interface’, enz.); aanbevelingen voor een betere organisatie van de noodplanning; en een bevestiging van “…the public’s right to information…”. De nucleaire industrie heeft aan veel van deze aanbevelingen een positief gevolg gegeven (zie verder).
103
Het ongeval heeft aanleiding gegeven tot enorm menselijk leed, wat zich per definitie moeilijk tot kwantificatie leent. Citeren we een rapport van SCK•CEN (2001, p. 22), dat een overzicht biedt van de wetenschappelijke gegevens terzake: “…Een gebied van ongeveer 150.000 km² in Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland werd door de radioactieve deeltjes zwaar besmet. Het ongeval veroorzaakte acute stralingsziekte bij meer dan 100 werknemers en brandweerlieden, van wie er in de eerste dagen en weken 28 overleden aan stralingsziekte en 2 door andere ongevallen. De gevolgen voor de lokale bevolking waren enorm. Men evacueerde de bevolking in een straal van 30 km. rond de centrale. De radioactieve besmetting buiten de 30 km. zone werd bepaald door de windrichting en de neerslag en leidde uiteindelijk tot de gedwongen verhuis van 220.000 mensen. Het ongeval ontwrichtte het leven van de lokale bevolking met psychosociale problemen tot gevolg. De economische verliezen voor de regio waren zeer groot en versterkten de algemene malaise. De bevolking had het gevoel in de steek gelaten te zijn en als tweederangsburgers te moeten leven in een radioactief besmet gebied. (…) Sinds 1990 vindt men een duidelijke toename van de schildklierkanker bij personen die als kind een grote blootstelling aan radioactief jodium opliepen. Men stelde 1800 gevallen vast en naar verwachting zal het verhoogde risico nog jaren aanhouden. (…) De kans op leukemie, een van de hoofdbekommernissen omwille van de korte latentieperiode blijkt niet verhoogd te zijn bij de bestraalde bevolkingsgroepen of bij de personen betrokken bij de directe bestrijding van de gevolgen van het ongeval of de opruiming nadien. (…) De impact in België was gering. De dosis bedroeg in 1986 slechts een kleine fractie van de jaarlijkse stralingsbelasting en is momenteel gedaald tot minder dan een duizendste van de stralingsbelasting.” Toch moet ook vermeld worden dat in de wetenschappelijke wereld enige twijfel bestaat omtrent de betrouwbaarheid van de epidemiologische gegevensbasis. Er waren reeds indicaties voor verhoogd risico door de atoombomtest-incidenten op de Marshall Islands. In een rapport voor de Commissie der Wijzen was in 1979 gewezen op onderschatting van het blootstellingrisico en de onzekerheden voor wat betreft het risico op schildklierkanker (zie voetnoot 89).
konden uit de ramp in Tsjernobyl minder lessen getrokken worden voor wat betreft de technische aspecten van reactorveiligheid in Westerse kernreactoren.
Hoewel een ongeval van het type TMI wel werd behandeld in de lijst van mogelijke ongevalscenario’s die in het ‘Rasmussen-rapport’ waren opgenomen (USNRC 1975), vormde de kansbepalende factor – namelijk het onjuist handelen op basis van onjuiste, onoverzichtelijke en onbegrepen informatie door het bedieningspersoneel – echter geen onderdeel van deze risicoanalyse (Kemeny 1979, Gezondheidsraad 1989). Algemeen gezien werd de invloed van menselijk falen in PSA studies sterk onderschat104 . Bij het ongeval met de kernreactor in Tsjernobyl was er zelfs sprake van het bewust negeren van veiligheidsvoorschriften en het uitschakelen van veiligheidsvoorzieningen ten behoeve van een proefneming (SCK•CEN 2001).
Beide ongevallen hebben een belangrijke ‘directe’ impact op ‘de nucleaire wereld’, zowel wat betreft het wetenschappelijk onderzoek, de technische veiligheidsvoorzieningen, het in acht nemen van de menselijke fout en de werkorganisatie, opleiding van personeel, enz. als op het gevoerde beleid (organisatie van noodplannen, structuurhervormingen in de nucleaire controle en toezicht, enz.)105 . Zo werd bvb. wereldwijd wetenschappelijk onderzoek geïnitieerd rond de zogenaamde ‘accidents beyond design base’106 (bvb. opstellen van thermohydraulische codes voor het gedrag van de reactorinhoud bij een kernsmelt, studie van mogelijke waterstofexplosies in het reactorvat en het reactorgebouw bij kernsmelt, garanderen van voldoende koeling bij LOCA-ongevallen, enz.) en rond nieuwe reactortypes die een verhoogde (intrinsieke) veiligheid moeten garanderen
t.o.v. de gangbare PWR-types. De ‘indirecte’, psychologische, culturele en/of politieke impact is uiteraard moeilijker te vatten. Davies (1986, pp. 59-61) omschrijft deze als volgt: “…At some point in their careers, most nuclear engineers and scientists have had to resolve in their own minds the awful dilemma posed between the potentially catastrophic effects of a serious accident at a nuclear power plant and the remoteness of the possibility of its occurrence. Most have squared the circle by concluding, consciously or otherwise, that the remoteness of the chance of an accident was such that serious accidents likely would never happen and even could never happen. This conclusion, that serious accidents would, and maybe could, never happen, although based strongly on scientific and technical evidence, then, was more akintoa belief. (…) To be sure, it may well have been a belief necessary to develop and build nuclear power plants at all. Now Chernobyl has dented faith in the belief that serious accidents would not happen. Moreover, any hope that people outside the nuclear power community might come to share that belief (either by persuasion or by the evidence of experience) has surely faded. (…) The anticipated, but unexpected and unwelcome, has happened. When potential danger becomes a
104
Tanguy, een leidende Franse reactorveiligheidsexpert, zal in 1994 aantonen dat het niet in acht nemen van de menselijke factor de kans op een kernsmelt bij een PWR -oorspronkelijk geraamd op 8.10-5 per reactorjaar door Rasmussen -heeft onderschat met een factor 5 tot 25 (IBC Conference, London 1994), waardoor het ongeval in TMI gezien het aantal reactorjaren niet onwaarschijnlijk was.
105
Deze ‘directe’ impact wordt voor de Belgische context verderop besproken. 106
D.w.z. ongevallen met consequenties waarop de oorspronkelijke conceptie van de PWR reactoren niet specifiek voorzien was.
reality, just as a theory translates into an experiment or a design into a product and an industry, the world is changed.” Wat er ook van zij, feit is dat het ongeval in TMI aantoonde dat een reactorongeval zeer hoge kosten veroorzaakte voor de exploitant (op zijn minst het verlies van de ganse centrale met de bijkomende ontmantelingkosten) en dat ‘absoluut’ veilige kernenergie duur zou zijn. De herzieningen en bijstellingen van vele reactoren in opbouw/afwerking in de Verenigde Staten brachten hoge kosten mee, en deden de belangstelling van de investeerders voor kernenergie opdrogen. Dit leidde tot het uitblijven van nieuwe reactorbestellingen in de Verenigde Staten. Ook in West-Europa had het TMI-ongeval een weerslag, bvb. in de parlementaire beslissing aangaande een nucleair moratorium en een kernuitstapscenario in Zweden (Rising 2000). Het ongeval in Tsjernobyl heeft dan weer een wereldwijde terugval in nieuwe reactorbouw veroorzaakt. Het kan in economisch-maatschappelijke termen en in zijn tijdsdimensie als één van de grootste rampen uit de technologische geschiedenis aanzien worden.
Vermelden we hier ook nog een ongeval op kleinere schaal, nl. de aanvaring van het ‘roll-on/roll-off’ vrachtschip Mont-Louis – op weg van Le Havre naar Rusland, en ondermeer beladen met 30 vaten uranium hexafluoride (UF6), een grondstof voor de aanmaak van nucleaire brandstof (via verrijking) – met een Duits schip voor de Belgische kust (25 augustus 1984), dat aantoonde dat nucleaire transporten een zeer kwetsbare schakel in de splijtstofcyclus vormen. Minister Aerts ontkende aanvankelijk dat er radioactieve stoffen aan boord waren. Pas na onthullingen door Greenpeace bleken er UF6 vaten – met vooral toxisch risico – aan boord te zijn. Hoewel ook hier geen schadelijke stoffen vrijkwamen, zorgden o.a. acties van Greenpeace ervoor dat ook de veiligheid van nucleaire transporten in vraag werd gesteld. Kritische wetenschappers wezen o.a. op zwakke punten in de containers, die later gecorrigeerd werden. De Europese Commissie ging vanaf dan zwaarder wegen op de reglementering van transporten om vooral de zwakke schakels in de globale transportketen uit te schakelen (zoals het gebruik van ‘roll-on/roll-off’ schepen of vliegtuigen voor bepaalde nucleaire transporten).
4.1.1.2. Economische en politieke aspecten van het energiebeleid
Op het vlak van de algemene energievoorziening werd het in de jaren ‘80 duidelijk dat de Belgische steenkool op termijn economisch gezien geen alternatief meer kon bieden voor de elektriciteitsproductie. De laatste Waalse steenkoolmijn werd in 1984 gesloten, terwijl de steenkoolproductie in de Kempense steenkoolmijnen nog tot ongeveer 1985 op peil bleef (ca. 6 miljoen ton steenkool per jaar), maar daarna snel daalde. In 1989 werd beslist ook de Vlaamse steenkoolmijnen te sluiten in de periode 1991-1992. Aardolie bleef duur gedurende de eerste helft van de jaren ‘80 (als gevolg van de tweede oliecrisis en de hoge dollarkoers), maar de prijzen begonnen (in reële waarde) vanaf 1985 snel te zakken tot onder het prijsniveau voor 1979. Dit gegeven versterkte ongetwijfeld nog de reeds bestaande tendens waarbij energiebesparingsmaatregelen economisch minder interessant werden voor de eindgebruikers en onvoldoende gepromoot werden, of zelfs actief tegengewerkt107. Het gestimuleerd gebruik van elektrische verwarming, over het algemeen noch vanuit een energetisch noch vanuit een economisch standpunt optimaal te noemen, moet gesitueerd worden in het ontstaan van een nucleaire overcapaciteit in de jaren ‘80.
Aardgas vormt tegen het einde van het decennium een aantrekkelijk alternatief voor elektriciteitsproductie, vooral dankzij aanzienlijke verbeteringen in de gasturbinetechnologie (inzetbaar in de zogenaamde ‘stoom-en-gas’ of STEG-centrales met hoog rendement) (Verbruggen et al. 1988b, Watson 2001), zodat de Europese Unie zich gedwongen zag een eerder verbod op het gebruik van aardgas voor elektriciteitsproductie te herzien. Deze technologische evolutie, gecombineerd met de industrieel-economische belangen van de gassector in België (die met de voltooiing van de LNG-terminal te Zeebrugge over een overcapaciteit beschikte), heeft zeker een rol gespeeld bij de beslissing tot de instelling van een nucleair moratorium vanaf 1988 (zie verder). Wat betreft het Belgische kernenergieprogramma werd het kweekreactoronderzoek van het SCK•CEN, gezien de zeer hoge kosten (zie onder 4.2.1.5.), in internationaal verband stopgezet terwijl de uitbating van BR2 werd verder gezet. Het ontbrak de nucleaire sector algemeen gezien aan een duidelijke wil t.o.v. de multinationale belangen om nationale activiteiten strategisch te reorganiseren, waardoor belangrijke industriële verworvenheden voor de Belgische industrie in de loop van de jaren ‘80 verloren gingen (MOX knowhow, afval-verwerkingtechnologie, toelevering van staalcomponenten voor de centrales, enz). De ontwerpcapaciteit (Tractebel, Belgatom, Belgonucléaire) bleef wel behouden en kon zich ook organiseren op de internationale markt die kon groeien in Oost-Europa (voornamelijk na de val v/h ijzeren gordijn).
Verder had ook de institutionele hervorming van België (regionalisering) een weerslag op de organisatie van het energiebeleid. De wet van 8 augustus 1980 omtrent de hervorming van de staatsinstellingen had een belangrijke impact op het opentrekken van het debat rond de uitrustingsplanning (en de nucleaire expansie). Formeel voorzag deze wet (Art. 173, §1) in een onderzoeksprocedure, waarbij de uitrustingsplannen (voorgesteld door het BCEO) gedurende één maand aan het NCE voorgelegd werden, die een advies of een aanbeveling formuleerde, waarna de bevoegde minister over één maand beschikte om zijn beslissing te formuleren. Deze regeling bewerkstelligde een verruiming van het debat rond de uitrustingsplanning tot de hele energieproblematiek en tot een bredere kring van betrokkenen108. Nochtans
107
We kunnen bvb. verwijzen naar reclamecampagnes van de elektriciteitsproducenten ter stimulering van het gebruik van elektrische verwarming, waardoor men de basislastproductie van de Belgische kerncentrales beter kon integreren in het vraagpatroon van de Belgische economie. Deze campagnes gaven opnieuw aanleiding tot een reactie in DNM (1982) en de pers door een 25-tal wetenschappelijke en politieke personaliteiten, die pleitten voor een reëel REG-beleid en een beperking van het gebruik van elektriciteit voor verwarmingsdoeleinden, gevolgd door een handtekeneningenactie voor een betaalde tegenreclame in de pers. Ook andere praktijken (bvb. degressieve tarieven voor elektriciteitsverbruik) werden regelmatig aan de kaak gesteld.
108
Vertegenwoordigd waren, naast de elektriciteitssector (de gecentraliseerde producenten verenigd in het BCEO en de gedecentraliseerde zelfproducenten), de grote industriële verbruikssectoren (VBO/FEBELIEC), andere verbruikers (VBO/middenstandsorganisaties), en de vakbonden, die ‘adviezen’ konden uitbrengen. Daarnaast konden nog enkele leden van het NCE een ‘mening’ verkondigen: vertegenwoordigers van de consumentenbonden, het Planbureau, de Nationale Adviserende Raad voor de Kolennijverheid, en Inter-Regies (de openbare elektriciteitsbedrijven). Tijdens de hoorzittingen van het NCE konden experts worden uitgenodigd om verheldering te brengen rond bepaalde vragen.
waren er ook enkele praktische tekortkomingen om deze verruiming ten volle te kunnen benutten: het NCE beschikte niet over eigen expertise, en de wet voorzag slechts twee maanden beoordelingstijd voor de uitrustingsplannen (vanaf het zelfgekozen moment waarop de elektriciteitsproducenten hun uitrustingsplan indienden), wat volgens Verbruggen (1986, p. 312) “…veel te kort is om een evenwichtig oordeel te formuleren, alternatieven uit te werken en tot samenwerking te komen. Deze gesimuleerde tijdnood leidt tot een koortsachtige drukte waaruit de beslissing gewild door de sterkste partij en niet de beste beslissing voortkomt…”.
Op het politieke niveau werden nog weinig stimulansen gegeven om een breed maatschappelijk debat rond energiebeleid te ondersteunen. In 1987 besliste de toenmalige minister van begroting (dhr. Verhofstadt) het nationale R&D programma
109
‘Energistop te zetten zonder de continuïteit in expertise te garanderen (Fraunhofer Institute 2003, p. 50). Besparingsoverwegingen, gecombineerd met een afnemende politieke belangstelling voor de energieproblematiek door de daling van de olieprijzen vanaf 1985, speelden ongetwijfeld een rol in deze beslissing110.Enkele door ons geïnterviewde getuigen111 zien in deze politieke zet bovendien een afrekening tussen politieke personaliteiten onderling, ook gericht tegen een aantal onafhankelijke academici, te situeren in een spanningsveld van toegenomen rivaliteit tussen de studiediensten van de elektriciteitssector en de onafhankelijke expertisegroepen van het DPWB (n.a.v. de debatten in het NCE – zie verder). Feit is dat de kennis die aangeleverd werd door de onafhankelijke onderzoeksgroepen van het R&D programma ‘Energie’ voor de eerste maal een goed gestoffeerd, tegensprekelijk en meer transparant maatschappelijk debat rond de uitrustingsplanning mogelijk had gemaakt op het forum dat door het NCE werd geboden (zie boven). Het verlies van deze onafhankelijke expertise (de meeste betrokken experts herschoolden zich tot milieudeskundigen) betekende dus meteen ook een terugslag voor het maatschappelijk debat.
Verdere institutionele hervormingen in 1988 leidden tot een herverdeling van bevoegdheden op het federale en regionale niveau. Algemeen gezien kregen de gewestregeringen (Vlaams gewest, Waals gewest en het Brussels hoofdstedelijk gewest) bevoegdheid over economische aangelegenheden, infrastructuur en milieu; terwijl bvb. financiën, sociale zekerheid, justitie, buitenlandse zaken, landsverdediging, de kernbrandstofcyclus en productnormering inzake volksgezondheid en milieu federale aangelegenheden bleven. Het SCK•CEN werd in 1991 aangepast aan de regionalisering: niet-nucleair gericht onderzoek (bvb. brandstofcellen, wervelbedverbranding) werd voorbehouden voor een nieuw regionaal instituut (het ‘Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek’ of VITO), terwijl het SCK•CEN
109
Voor een evaluatie van de resultaten van dit programma, zie Osterrieth (1988). 110
Na de stopzetting van het R&D-programma ‘Energie’ werd een gedeelte van de begroting overgenomen door het Bestuur Energie. Dit was maar een kleine fractie en was bedoeld om de Belgische deelname mogelijk te maken aan projecten uitgevoerd in het kader van het Internationaal Energie Agentschap (IEA). Kort daarna volgde een regionaliseringronde, waarbij de bevoegdheden over energiebesparing en de hernieuwbare energiebronnen werden overgedragen aan de Gewesten. Deze thema’s werden voorheen behandeld onder het DPWB-programma ‘Energie’. Vanaf dan waren de gewesten verantwoordelijk voor de begroting aangaande die thema’s (persoonlijke communicatie met dhr. Van Rentergem (Administratie Energie) dd. 11/06/2004).
111
Zie de synthese van de interviews met dhr. Allé, dhr. Verbruggen en dhr. Van Rentergem in bijlage.
zich concentreerde op reactorveiligheid, radioprotectie en de eindfase van de splijtstof-cyclus. De institutionele hervormingen zorgden echter wel voor een bijkomende complicatie voor wat betreft het afvalbeleid, vermits een groot deel van het radioactieve afval eigenlijk ‘gemengd’ afval is (het bevat radioactieve en nietradioactieve stoffen, zoals zware metalen – cfr. het oude probleem van met radium besmet afval (Baetslé 1989, p. 3)).
4.1.1.3. Maatschappelijke context en publieke opinie
Keren we terug naar de anti-kernenergiebeweging in Vlaanderen (VAKS). Tistaert (1991, pp. 16-25) merkt op dat de actiegroepen ongeveer vanaf het begin van de jaren ‘80 een ietwat andere strategie begonnen te volgen112. Waar in de jaren ‘70 vooral de nadruk lag op scholing en sensibilisatie van de bevolking met het oog op mobilisatie, begon men zich vanaf 1979 eerder te richten op politieke machtsorganismen. De gesprekken met politieke partijen leverden volgens Tistaert (1991) enkel bij de ‘Kommunistische Partij’ (KP)113 en de ‘VolksUnie’ (VU)114 onverdeeld positieve resultaten op; de liberale ‘Partij voor Vrijheid en Vooruitgang’ (PVV) nam geen standpunt tegen kernenergie in, terwijl de ‘Christelijke Volkspartij’ (CVP) zich eerder afzijdig hield – wat niet belette dat individuele politici soms een kritische stem lieten horen115. Binnen de Socialistische Partij (SP) voerde dhr. Claes (Minister van Energie tot 1982) en zijn kabinet, geleid door dhr. Pauwels (de latere ondervoorzitter van de ‘Commissie AMPERE’ – zie Deel 5), een energiebeleid gebaseerd op een aanbodsgerichte benadering van de energieproblematiek, met weinig aandacht voor rationeel energiegebruik. Vanaf 1982 zetelde de SP/PS echter in de oppositie en namen verschillende politici van deze partij (d.m.v. parlementaire vragen, in onderzoekscommissies, enz.) vaak een kritische houding t.o.v. het (kern)energie-beleid aan116. Ook de jongerenorganisatie van deze partij (de ‘Jongsocialisten’) wees de verdere uitbreiding van het kernenergieprogramma af en had oog voor een vermindering van het primaire energieverbruik en een structurele aanpak van de nucleaire problemen en regulering (zie bvb. het ‘Dossier kernenergie’ (Jongsocialisten 1978)117). Op 8 november 1981 maken de eerste ‘groene’ partijen
112
Tistaert baseert zich in zijn overzichtsstudie (naast de literatuur terzake) vooral op de jaargangen 1981-1984 van het VAKS tijdschrift “Kernachtig” (die wij niet konden inkijken), en op interviews met dhr. Steenkiste en Michiels (beiden pioniers van de anti-kernenergiebeweging in Vlaanderen). In het kader van ons onderzoeksproject interviewden wij eveneens dhr. Michiels. De resultaten van dit interview (zie bijlage) komen goed overeen met de door Tistaert aangedragen interpretatie. We baseren ons voor deze paragraaf dan ook vooral op zijn werk.
113
Geleid door een kernfysicus (dhr. Turf). 114
De ondervoorzitter van de VU (dhr. De Saeyere) had een deel van de economische kostenstudie verzorgd in de ‘Commissie der Wijzen’.
115
De rol van individuele politici werd ons vaak bevestigd tijdens de interviews. Uiteraard konden deze niet lijnrecht ingaan tegen een partijstandpunt, maar het lijkt er toch op dat er voldoende speelruimte was voor individuele stellingnames.
116
Zie bvb. de standpuntbepaling van de PS in 1987 (“L’Energie nucléaire en Belgique: La position du Parti
Socialiste” – Rapport pour le Bureau du Parti Socialiste de la Commission ‘Energie’ présidée par Philippe Busquin). 117
Eggermont -die ook een rol speelde in het publiek debat rond de gevolgen van TMI, en als lid van de ‘Commissie der Wijzen’ eerder al gewezen had op de zwakke schakels van de reactorveiligheid, nucleaire controle en transport spreekt zich ook later (bvb. in ‘De Nieuwe Maand’) niet uit tegen kernenergie, maar situeert een relatief beperkte rol voor elektriciteit op basis van kernenergie in een globale visie op het energiebeleid, met aanpak van het afvalprobleem, reorganisatie van de vergunningen en controles en het probleem van de noodplanning. Ook de dimensie van kwetsbaarheid van de energievoorziening – zowel geografisch (concentratie van verschillende kernreactoren op éénzelfde plaats), geopolitiek als technologisch (keuze voor één bepaald reactortype, in casu de
(AGALEV/ ECOLO)118 hun intrede in het Belgische parlement. Deze partijen hebben steeds de inzet van kernenergie in hun partijprogramma afgewezen. Hoewel hun invloed op het beleid in de jaren ‘80 eerder marginaal te noemen is, zal het milieuthema toch langzamerhand doordringen bij andere politieke partijen.
Volgens Cuypers (1982) hield de toenadering van de anti-kernenergiebeweging tot de politieke wereld een (noodzakelijke) inhoudelijke koerswijziging in: naast de mobilisatie van ‘het brede publiek’ begon VAKS zich nu meer te richten op het ontwikkelen van een globaal alternatief energiebeleid. Deze strategiewissel ging overigens gepaard met een interne discussie binnen de anti-kernenergiebeweging tussen de meer radicale actievoerders (die geweld als een gerechtvaardigd middel zagen bij betogingen) en de meer gematigde zijde die het politieke lobbywerk verkoos. Deze spanningen kwamen o.a. aan de oppervlakte naar aanleiding van incidenten tijdens een betoging te Mol (“Kempische klei atoomvrij”, 25 oktober 1980) en na een betoging tegen het storten van laagradioactief kernafval in zee (14-15 juni 1980)119, en leidden in de periode 1981-1982 tot een breuk in de Vlaamse antikernenergiebeweging120.
De ‘meer gematigde’ strekking richtte inmiddels haar pijlen op de elektriciteitsconventie van 1981, waarbij de elektriciteitssector in België een eengemaakte structuur kreeg door de integratie van de publieke producenten in SPE121 en in de organen van de sector (de zogenaamde ‘pax electrica’). Zodoende participeerden de publieke producenten voortaan in de kerncentrales122, en verkregen de privé elektriciteitsbedrijven nog sluitender garanties dat in alle omstandigheden de nucleaire investeringen zouden kunnen terugverdiend worden via de elektriciteitstarieven. Voorts richtte de actie zich op de voorbereiding van het parlementaire energiedebat, dat uiteindelijk in het najaar van 1982 in de Kamer van Volksvertegenwoordigers zou plaatsvinden123; en op de voorstellen van de elektriciteitsmaatschappijen om nieuwe kerncentrales te bouwen (zie onder 4.2.1.3.). Ook werd toenadering gezocht tot het ABVV en het ACV, die in de debatten in het NCE eerder afwijzend stonden t.o.v. een verdere uitbreiding van het kernpark (zoals voorgesteld
PWR-reactor van Westinghouse, als referentie voor alle Belgische reactoren) – werd herhaaldelijk in herinnering
gebracht. 118
AGALEV wordt eigenlijk pas op 28 maart 1982 officieel opgericht. In 2004 veranderde deze partij haar naam in
‘Groen!’. 119
Een aantal jongeren vernietigden de stuurcabine van de ‘Andrea Smit’, het schip dat instond voor het transport
van het laagradioactief afval. 120
Een radicale vleugel – met name de anarchistische beweging, die poogde de anti-kernenergiebeweging te radicaliseren – beslist verder niet meer deel te nemen aan de algemene vergaderingen van VAKS, en organiseert later op eigen houtje of in samenwerking met Waalse en Franse actiegroepen vaak gewelddadige acties tegen de uitbreiding van het kernpark te Chooz.
121
In de jaren ‘70 zijn een aantal publieke mandatarissen met verschillende politieke achtergronden van mening dat het nodig is een voldoende sterke openbare elektrische productiesector te ontwikkelen. Vanuit die filosofie richtten, in 1978, de drie publieke producenten van toen (Socolie, W.V.E.M. en de Regie van Gent) samen met de gemeente Seraing, de ‘Samenwerkende Vennootschap voor Productie van Elektriciteit’ (SPE) op.
122
Via de openbare elektriciteitsproducent SPE ging de Belgische Staat voor 4% mee investeren in de in aanbouw
zijnde kerncentrales Doel 3+4 en Tihange 2+3. Dit leidde tot grote meningsverschillen in de SP. 123
O.a. door het lanceren van een “Oproep tot een brede maatschappelijke discussie”, met de bedoeling het parlementair debat open te trekken. De oproep werd ondertekend door meer dan 70 culturele, politieke en milieuorganisaties, en eveneens door de SP (Tistaert 1991, p. 18). Tevens werd geprotesteerd tegen de plannen van staatssecretaris Knoops om het parlementaire energiedebat te beëindigen voor 17 april 1982 (datum waarop de staatssecretaris een antwoord moest geven op het door de elektriciteitsproducenten voorgelegde uitrustingsplan, waarin voorzien werd in de bouw van twee tot vier nieuwe kerncentrales).
in opeenvolgende uitrustingsplannen) en oog hadden voor een vermindering van het primaire energiegebruik (zie onder 4.3.1.2.). Meer ‘klassieke’ acties (die in het verlengde liggen van de in Deel 3 besproken argumenten), namen met het oog op mobilisatie van de bevolking o.m. de rol van de financiële holdings in het bepalen van het energiebeleid124, de vergunnings-procedures125, het storten van kernafval in 126, en de uitbreiding van het Belgische kernpark127 op de korrel. De laatste actie van de anti-kernenergiebeweging was de nationale betoging in Antwerpen (14 mei 1983) voor een heroriëntering van het energiebeleid, maar de belangstelling was niet massaal. De rol van VAKS lijkt vanaf dan stilaan uitgespeeld, op een laatste opflakkering na het ongeval van Tsjernobyl na128. Over de globale impact van de actiegroepen in België schrijft een rapport van het NEA (1984, p. 20) het volgende: “…D’une manière générale, le grand public a adopté une attitude modérée ou même indifférente vis-à-vis des questions nucléaires. Les quelques manifestations publiques de désapprobation à l’encontre du nucléaire civil n’ont jamais pris l’ampleur de celles dans les pays voisins, ni dégénéré en affrontements violents.” Volgens Tistaert (1991, pp. 23-25) is dit vooral te wijten aan het uitblijven van resultaten op korte termijn (plannen voor nieuwe kerncentrales werden steeds op de lange baan geschoven), het gebrek aan respons bij het brede publiek, organisatorische en financiële problemen, de grotere kans op slagen van de strijd tegen kernwapens binnen de vredesbeweging (met o.a. de historische betoging tegen de plaatsing van kernwapens in Florennes), en het minder ‘zichtbare’ karakter van een doelstelling als ‘het beïnvloeden van de energiepolitiek’.
Willen we toch een beeld krijgen van de mening van de ‘zwijgende meerderheid’, dan is het bvb. nuttig hier te verwijzen naar een breed opgezet opinieonderzoek dat door de Europese Commissie net na het ongeval in Tsjernobyl in alle landen van de
E.E.G. werd uitgevoerd (EC 1986). Uit de resultaten voor België blijkt dat, hoewel een kerncentrale in 1986 als een zeer risicovolle activiteit wordt ingeschat, deze trend reeds eerder was ingezet en dus niet volledig en eenduidig aan de invloed van Tsjernobyl kan worden toegeschreven129. Ook de steun voor een verdere uitbreiding van het nucleaire programma is laag maar redelijk constant over de periode 19821986130. Slechts 29% van de ondervraagden vinden het “de moeite waard” om
124
Door o.m. actie te voeren voor filialen van de Generale Bank (1982). In 1983 werd een ketting van fakkeldragers
gevormd tussen de zetels van diverse nucleaire bedrijven en het staatssecretariaat voor energie. 125
In het voorjaar van 1982 werd beroep aangetekend bij de Raad van State tegen de vergunningen van Doel 1+2,
o.w.v. vermeende procedurefouten. 126
Betoging in Brugge (mei 1982), en protestmanifestaties te Zeebrugge, steeds met een beperkt aantal
deelnemers. 127
Menselijke ketting van Doel naar Chooz (november 1982). 128
Tezamen met de BBL werd een persmededeling uitgegeven. Hierin werd ondermeer de veiligheid van de eigen kerncentrales in vraag gesteld, alsook de nucleaire noodplanning en de controle en inspectie van de centrales. Ook de schadevergoedingen in geval van een nucleair ongeval worden in vraag gesteld. De vraag naar een meer rationeel energiebeleid wordt herhaald, evenals het verwerpen van de bouw van Doel 5.
129
Antwoord op de vraag: “Among these industrial installations, could you select three which in your opinion create the greatest risks for people living nearby?” (resultaten voor kerncentrales (geselecteerd bij de drie meest risicovolle activiteiten): 1982 -58%, 1984 -65%, 1986 -70%).
130
Antwoord op de vraag: “Different possibilities can be thought of as solutions to the problem of your country’s energy supplies. Which solution do you feel is most appropriate?” (resultaten voor een verdere ontwikkeling van nucleaire elektriciteitsproductie als eerste of tweede keuze: 1982 – 16%, 1984: 19%, 1986: 19%). Andere mogelijke antwoorden waren “to buy or continue to buy from abroad to make up for any shortfall in energy supplies”, “to encourage the research needed to solve the technical problems of, and put into practice methods of producing,
kernenergie verder te ontwikkelen131 (tegen 27% in 1982 en 37% in 1984). De milieubeweging (met 78% van de antwoorden in de categorie ‘approve strongly’ of ‘approve somewhat’) en de anti-kernenergiebeweging (met 66% antwoorden in de categorie ‘approve strongly’ of ‘approve somewhat’) kunnen op redelijk wat sympathie van de bevolking rekenen. Tenslotte vindt 83% van het Belgische publiek zichzelf ten tijde van de enquête onvoldoende geïnformeerd over de werking van kerncentrales.
Het algemene beeld omtrent het gebrek aan actieve publieke belangstelling voor de nucleaire controverse lijkt bevestigd te worden door onderzoek van de media. Fontyn (2001, pp. 141-147) noemt de aandacht van verschillende kranten voor de indiensttreding van Doel 4 en het starten van de onderzoeken naar een mogelijke vestigingsplaats voor N8 (Doel 5) rond mei 1985 ‘miniem’ – waarbij enkel ‘De Vooruit’ probeert de positieve boodschap van de elektriciteitsmaatschappijen af te zwakken (in overeenstemming met de kritische geluiden op het beleid van de regering vanuit socialistische hoek). Hoewel na het ongeval in Tsjernobyl het aantal krantenartikels gewijd aan kernenergie natuurlijk drastisch verhoogde, waren weinig kranten bereid om zich te profileren aangaande het kernenergievraagstuk in België: “…De discussie die, na Tsjernobyl, zowel op politiek als maatschappelijk vlak losbarstte over de wenselijkheid van kernenergie kreeg, met uitzondering van ‘De Vooruit’, vrij weinig aandacht in de Vlaamse dagbladen. Dat de regeringscoalitie bestond uit liberalen en christen-democraten hoeft niet te verbazen. De katholieke kranten en de liberale krant hielden zich dan ook gedeisd en concentreerden zich vooral op het verre Rusland. ‘De Vooruit’ was het andere uiterste; de krant bleef vier weken aan een stuk doorhameren over het feit of kernenergie nu wenselijk was in België (en de wereld) of niet. Met socialistische steun (vanop de oppositiebanken) in de rug koos de krant resoluut de kant van de anti-kernenergiebeweging…” (Fontyn 2001, p. 161).
De media-aandacht richtte zich daarnaast ook vooral op het blootleggen van een aantal tegenstellingen (bvb. i.v.m. aanvaardbare dosislimieten in voedingsproducten in verschillende landen) en een gebrek aan transparantie in de nucleaire sector in diverse landen. De verwarring bleek ook in België waar de bevoegde minister verklaarde dat er geen risico’s waren voor de Belgische bevolking, maar tegengesproken werd door wetenschappers die op een weliswaar beperkt maar verhoogd risico op schildklierkanker wezen en maatregelen voorstelden in de landbouwsector. Concreet leidde deze voorstellen tot het al dan niet binnenhouden van koeien naargelang de regio. Op initiatief van bepaalde journalisten werd ter goeder trouw (om paniek te vermijden) de windrichting in het weerbericht op de nationale televisiezender BRT aangepast, wat tot tegenspraken leidde met de volgens sommigen meer betrouwbare Nederlandse media. Het SCK•CEN organiseerde 15
renewable energy (solar power, energy from biological sources, tidal power, etc.)”, “to increase or renew exploitation
of energy from traditional sources (e.g. coal, lignite or brown coal, peat)”, “to save energy” en “don’t know”. 131
Antwoord op de vraag “All new development in the industrial field implies effort, time and money; it may also involve risk. Here are three opinions about the development of nuclear power stations, which use atomic energy for the production of electricity. Which of these three statements comes closest to your own opinion on the development of nuclear power?” (resultaten voor “it is not worthwile”: 1982 – 9%, 1984 – 8%, 1986 – 12%; resultaten voor “the risks involved are unacceptable”: 1982 -37%, 1984 – 45%, 1986 – 50%; resultaten voor “don’t know”: 1982 -27%, 1984 – 10%, 1986 – 9%).
Kernenergie en maatschappelijk debat SCK•CEN / VUB -november 2004
jaar later een studiedag rond crisismanagement die lessen probeerde te trekken uit een vergelijking van de dioxinecrisis met Tsjernobyl-crisis (Eggermont and Carlé 2000). De mediadiscussie bleek vooral scherp te zijn in Frankrijk waar lokaal verhoogde blootstelling aan stralingsdoses door een specifiek dieet (bergbewoners afhankelijk van schapenteelt) voorkwam terwijl de overheid eerst de indruk had gewekt dat de verhoogde radioactiviteit in het milieu geen Frans probleem was.
De productie en verwerking van radioactief afval en de keuzes die in dit verband worden gemaakt, vormen tegenwoordig een belangrijk thema in het debat rond kernenergie. Dit is echter niet altijd zo geweest. Over heel de wereld pakte men de verwerking van radioactief afval in de beginjaren (tijdens de jaren ‘70 en vroeger) grotendeels op dezelfde manier aan zoals dit met gewoon industrieel afval het geval was. Van een oplossing op lange termijn voor het afval was dan helemaal geen sprake. In dit verband werden dan ook overal ter wereld in de nucleaire industrie – en vooral bij de militaire poot in de voormalige Sovjet-Unie en in mindere mate in de Verenigde Staten – onaanvaardbare praktijken vastgesteld. Dit gebeurde echter ook bij niet-militaire toepassingen. Zo werden in Mol (België) in de jaren ‘60 beperkte hoeveelheden laagradioactief afval gewoon ter plekke begraven.
In dit deel gaan we in op de cruciale punten in het kernenergiedebat m.b.t. kernafval in de jaren ‘80 in België. Achtereenvolgens behandelen we de technische achtergrond voor wat betreft de productie, de verwerkingspraktijken en de evolutie hiervan over de jaren, en de belangrijke gebeurtenissen en factoren die een invloed op de aanpak en/of op het tot stand komen van regels m.b.t. verwerking van radioactief afval hebben gehad.
Bij het doorlopen van de volledige splijtstofcyclus wordt er radioactief en industrieel afval geproduceerd. Dit begint bij het winnen van uraniumerts en eindigt met het afval van de reactoren dat niet opnieuw kan worden opgewerkt. Het radioactieve afval in België is afkomstig van de zeven kernreactoren in Doel en Tihange, van de splijtstof die bij Belgonucléaire en FBFC International wordt behandeld, van opgewerkte splijtstof bij Cogéma, van de voormalige Eurochemic-site, van de onderzoekslaboratoria van het SCK•CEN en IRE (‘Institut National des Radioéléments’); en verder van universiteiten, ziekenhuizen en het ‘European Joint Research Institute for Reference Materials and Measurements’ (IRMM – ‘Instituut voor Referentie-Materialen en –Meting’). Ook de niet-nucleaire sector brengt radioactief afval voort, onder meer afkomstig van medische toepassingen. Zo produceert de voormalige radiumfabriek Metallurgie-Hoboken-Overpelt (nu Umicore) uit Olen afval dat met radium is besmet en alfastralers bevat. Deze niet-nucleaire sector vertegenwoordigt ongeveer 5% van jaarlijks geproduceerde volume radioactief afval (NIRAS-ONDRAF 2002, p. 2-5).
Radioactief afval wordt in drie hoofdcategorieën ingedeeld: laagactief afval, middelactief afval en hoogactief afval132 (NIRAS-ONDRAF 2003). In België wordt het radioactief afval in twee fases beheerd: in eerste instantie wordt het geconditioneerd en vervolgens voor lange tijd opgeborgen. Met uitzondering van erg laagradioactief afval dat sedert 2001 formeel kan worden verwerkt en afval dat wordt opgeborgen voor verder verval (dit geldt voor ziekenhuisafval met het oog op verwerking), wordt radioactief afval dat bestemd is voor beheer op lange termijn in drie categorieën (A, B en C) ingedeeld. De indeling gebeurt op basis van het activiteitsniveau en de halveringstijd (de tijd die verstrijkt voor een radioactieve isotoop de helft van zijn radioactiviteit verliest)133 .
Om economische en praktische redenen134 classificeert NIRAS-ONDRAF dit afval in twee hoofdgroepen: afval dat diep onder de grond moet worden opgeborgen en afval dat voor oppervlakteberging in aanmerking komt (hoewel de optie diepe berging nog niet formeel uitgesloten is) (NIRAS-ONDRAF 2002, p. 4). Andere landen zoals Duitsland en Zwitserland bestuderen maar één optie: alle afval moet daar diep onder de grond worden opgeborgen. Tegen 2070 (het tijdstip waarop, volgens een referentiescenario, de huidig bestaande kerncentrales volledig ontmanteld zouden zijn) verwacht NIRAS-ONDRAF dat de opwekking van kernenergie in totaal 72.000 m³ geconditioneerd laagactief afval zonder alfastralers zal produceren (inclusief afval als gevolg van ontmantelingen). Tegen diezelfde tijd schat men dat er ongeveer 8.900 m3 middelactief afval met alfastralers (vermengd met cement en bitumen) en 2.100 tot 5.000 m³ hoogactief afval afkomstig van opgewerkt afval en gebruikte splijtstof (verglaasd) zal zijn geproduceerd (MIRA-T 2003). Vijftien jaar eerder schatte men de cijfers hoger in (zie voetnoot 134).
132
Radioactieve afvalverwerking in de beginfase (conditionering) wordt geclassificeerd op basis van het activiteitsniveau, het soort stralen dat vrijkomt en de besmettingsgraad:
133
De drie categorieën worden als volgt gedefinieerd:
134
Het grote volume laagactief afval zou de kosten voor ondergrondse opslag gevoelig opdrijven. Oorspronkelijk werd er rekening gehouden met in totaal 120.000 m³ laagactief afval tegen 2050 (Baetslé, 1989). Diepe berging van laagactief afval is echter nog steeds niet uitgesloten.
De splijtstofcyclus is eenmalig of ‘gesloten’ wanneer er sprake is van opwerking. Bij het opwerken wordt de gebruikte splijtstof chemisch opgesplitst in uranium, plutonium en hoogradioactieve afvaloplossingen (die beperkte hoeveelheden actiniden, fissie-en activeringsproducten bevatten). Plutonium en uranium kan men recycleren om er een gemengd-oxidesplijtstof of MOX van te maken. In de jaren ‘80 werden er geen nieuwe opwerkingsovereenkomsten in België gesloten. Een belangrijk deel van de gebruikte splijtstof werd naar La Hague gestuurd voor opwerking. In afwachting van definitieve keuzes m.b.t. de splijtstofcyclus (zie Deel 5) besloot Synatom om gebruikte splijtstof waarvoor geen opwerkingsovereenkomst is afgesloten, in opslagruimtes nabij de kerncentrales zelf (> 50% van de gebruikte splijtstof in de jaren ‘90) te bewaren. Synatom diende een voorstel in om een inkapselingfabriek voor gebruikte splijtstof te bouwen, maar aan dit voorstel werd geen gevolg gegeven. Synatom heeft de gebruikte splijtstof dan ook nog niet als afval bij NIRAS-ONDRAF aangegeven. In de jaren ‘80 werden er nog geen grondige studies m.b.t. de directe berging van gebruikte splijtstof uitgevoerd.
Vanaf de jaren ‘50 verwerkte het SCK•CEN laagradioactief afval, al dan niet afkomstig van de nucleaire sector. In het begin bedroeg het aandeel van SCK•CEN in de productie van dit afval ongeveer 40%. Door technische ontwikkelingen bij het verwerken en conditioneren kon dit aandeel in de jaren ‘80 tot 18% worden teruggedrongen. Eurochemic verwerkte zijn eigen middel-en hoogactief afval. Doel en Tihange mochten dan weer vloeibaar laagactief afval ter plekke conditioneren voor het naar het SCK•CEN werd gestuurd. Zoals het in die tijd wereldwijd gebeurde, dumpte het SCK•CEN het laagactief afval van verschillende Belgische afvalproducenten in de Noord-Atlantische oceaan tot er onder internationale druk andere oplossingen moesten worden gezocht (NIRAS-ONDRAF 2002, p. 9-10). België stortte in de periode 1967-1982 ongeveer 28.000 ton geconditioneerd afval in de afgebakende zone op 4.000 meter diepte in de Noord-Atlantische oceaan (Proost 1981, p. 86).
Langzaamaan werden de eisen i.v.m. deze praktijk strenger en groeide ook het verzet. Op de ‘Convention on High Seas’ in 1958 namen sommige landen maatregelen m.b.t. het conditioneren en vervoeren van afval. In 1974 werd in het ‘Verdrag van Oslo’ het noordoostelijke deel van de Atlantische oceaan beschermd. Dat deel mocht niet als dumpplek voor afval worden gebruikt. En in 1972 legde het ‘Verdrag van Londen’ op basis van een voorzorgsprincipe een wereldwijd verbod op voor het dumpen van hoogradioactief afval in zee. Stralingsbeschermingnormen
m.b.t. kernafval hadden enkel oog voor menselijke gezondheid (antropocentrische benadering) en hielden geen rekening met plaatselijke ecologische gevolgen (zeeorganismen werden bvb. enkel in rekening gebracht in zoverre ze bijdroegen tot de menselijke stralingsdosis, bvb. via de voedselketen). Het verdrag werd voor de ratificerende landen van kracht in 1975; tot nog toe hebben tachtig landen geratificeerd. Als gevolg van het verdrag van Londen voerde het ‘Nuclear Energy Agency’ (NEA – ‘Agentschap voor kernenergie’ – een afdeling van de OESO) studies uit om te komen tot criteria voor het dumpen van kernafval in zee. In 1977 kwam er op advies van de OESO-raad een internationaal multilateraal verdrag en een controlesysteem, hoewel de kwaliteitscontrole erg beperkt bleef. Vanaf 1978 hield het NEA als gevolg van het besluit van de OESO-raad toezicht op het dumpen in zee door de verschillende lidstaten (NIRAS-ONDRAF 2002, p. 10).
Tijdens de transporten voerde het SCK•CEN nauwkeurige dosiscontroles uit, behalve voor radon waarmee bij het inschatten van het risico geen rekening werd gehouden. Lidstaten die het verdrag van Londen ondertekenden (onder meer België), gingen akkoord met de definitie van het IAEA m.b.t. laagradioactief afval en stemden ermee in om de definitie van laagradioactief afval en de IAEA-criteria voor het beperken van storten in zee toe te passen. In het kader van de voorbereiding van haar rapporten over opwerking, afvalbeheer en geologische berging bezocht de Franse Commissie Castaing (1981-1984) ook Belgische installaties en onder meer het SCK•CEN. Een commissielid van het CEA (dhr. Zerbib) wees België op de grote hoeveelheden afval besmet met alfastralers die in zee gestort werden als laagradioactief afval (radiumafval uit Olen). Het verzet tegen het dumpen van laagactief afval in zee bleef groeien; ondermeer de (sterk gemediatiseerde) campagnes van de internationale milieuorganisatie Greenpeace sprongen in het
135
oog. De vakbonden van Engelse zeelui weigerden nog nucleaire transporten uit te
136
voeren. In 1983 volgt dan een moratorium op het storten van laagradioactief afval in afwachting van de resultaten van bredere studies omtrent politieke, wettelijke en economische aspecten van deze praktijk. De resultaten van deze studies zijn sinds 1993 bekend en na politiek overleg bekrachtigden alle betrokken partijen het verbod. Het bindende verbod ging in 1994 in (International Maritime Organisation 2003).
In 1976 raadde de ‘Commissie der Wijzen’ aan om het probleem van het langlevend hoogradioactief afval elke tien jaar opnieuw te bekijken tot men een definitieve oplossing zou vinden. Omdat er geen oplossing voor hoogradioactief afval was, startte het SCK•CEN in 1973 met een R&D-programma (waaraan de Europese Commissie vanaf 1975 deelneemt). Al snel bleek een structurele aanpak nodig. In 1975 werd dan ook het consortium Belgowaste opgericht om het probleem te verhelderen. Na vijf jaar leidde dit tot de bouw van het eerste ondergrondse onderzoekslaboratorium voor opslag in klei (door het SCK•CEN) en tot de oprichting van NIRAS-ONDRAF (NIRAS-ONDRAF 2002, p. 11).
135
Wat betreft de problematiek van radioactief afval brengt dhr. Glorieux (zie interview in bijlage) de spectaculaire acties tegen zeeberging in herinnering (bij een actie in 1982 kantelde een Greenpeace-sloep bijna door het dumpen van een afvalvat), of de door Greenpeace opgenomen beelden van gebarsten afvalvaten op de zeebodem (Golf van Biskaje).
136
Gezamenlijke persconferentie met ABVV (Oostende 1981).
Voor hoogradioactief afval opteerde België voor diepe geologische berging (de oplossing die internationaal het vaakst voor hoogactief afval wordt toegepast). Diepe geologische berging maakt gebruik van het principe van meerdere barrières waarbij verschillende ‘artificiële’ barrières aan de afvalinkapseling worden toegevoegd – een filosofie die aan concepten voor reactorveiligheid is ontleend; de bron zelf wordt verglaasd en daarrond komt een omhulsel. Vervolgens wordt er boven, onder en rond het afval, dat in mijnschachten wordt opgeborgen, vulmateriaal aangebracht (NIRAS-ONDRAF 1989, p. 1-2). Deze artificiële barrières zijn bedoeld om de geologische lagen waarin het afval wordt opgeborgen te beschermen tegen het vrijkomen van te hoge straling, oxidatie en temperatuur rond de primaire verpakking. Ze moeten er ook voor zorgen dat insijpelen van water zoveel mogelijk wordt vertraagd en de migratie van uitgeloogde137 radionucliden wordt tegengegaan. Uiteindelijk fungeert de natuurlijke, geologische formatie waarin het afval is opgeborgen als ultieme barrière.
De keuze van de rotsformatie berust op een aantal veiligheidscriteria: lage seismologische activiteit in de streek, lithologische homogeniteit, afwezigheid van breuklijnen, beperkte hydrologische circulatie rond de opbergplek, geringe porositeit en doordringbaarheid, specifieke geometrische afmetingen (diepte138,omvang, breedte, enz.) en de nabijheid van andere, stabiele formaties. De Europese Commissie legde deze specifieke eigenschappen voor het eerst vast m.b.t. verschillende rotsformaties die voor opberging in aanmerking komen (CEC 1980). Deze eigenschappen beperken duidelijk de keuze (vanuit lithologisch standpunt) van mogelijke formaties in Europa tot kleilagen, graniet, zout en ondergrondse zeebeddingen. Duitsland bestudeert de zoutvariant. Zweden onderzoekt de opberging in kristallijne granietformaties. Zwitserland, Frankrijk en België opteren voor de klei-optie en in België ging voor het eerst een reeks experimenten139 van start bij een mogelijke opbergplaats. Eerst was er het ‘High Activity Disposal Experimental Site’-programma (HADES) waarbij in 1980 een aantal experimenten van start gingen die vandaag nog worden voortgezet. Tegelijk werkte België mee aan programma’s in andere landen, zoals Frankrijk, Italië, Duitsland, enz. De publicatie van SAFIR 1 (1989) en SAFIR 2 (2001) betekenen een ommekeer in het onderzoek m.b.t. geologische opberging in België140.
Het rapport van de Commissie Castaing werd voor Frankrijk en de nucleaire sector internationaal een eerste onafhankelijke en tegensprekelijke expertevaluatie die de rol van het CEA en Cogéma onder de loep nam. De criteria toegepast in de oppervlakteberging van La Manche werden in vraag gesteld, vooral voor wat betreft de inventarisatie van de inhoud. De lange termijnimpact van opwerking en MOX
137
Selectieve ontbinding van oplosbare steenbestanddelen door water. 138
Een initieel criterium m.b.t. de minimumdikte van de kleilaag (100 m) is cruciaal voor de Boomse kleilaag in Mol. Later wordt het belang van dit criterium afgezwakt.
139
Ook op dit niveau merken we een evolutie; in de jaren ‘80 is het veel eenvoudiger om de nodige vergunningen
voor de bouw van een experimentele nucleaire site bij elkaar te krijgen dan dit vandaag het geval is. 140
Sommige resultaten van SAFIR 1 worden gebruikt voor het evaluatieprogramma PAGIS (“Performance Assessment of Geological Isolation Systems for radioactive waste”, 1988), een studie op last van het EC binnen de ruime Europese context.
gebruik werd duidelijk (dhr. Shapira, lid van de Commissie Castaing) en leidde tot uitdieping in strategieën van ‘partitioning and transmutation’ (P&T), die echter buiten het bestek van dit werk vallen. In de opwerkingsfabriek van La Hague deden zich op het einde van de jaren ‘70 spanningen voor met het personeel m.b.t. veiligheid. Dit beïnvloedde de standpunten van de Belgische vakbonden aangaande de opwerkingscontracten (zie verder). De verregaande automatisering van de nieuwe opwerkingsfabrieken gebouwd in de jaren ’80 ving het probleem van blootstelling en besmetting van het personeel op.
De universiteit van Gent stelde systematisch aanwezigheid van krypton-85 in de atmosfeer vast, afkomstig van de opwerkingsfabriek in La Hague (Gent ligt op 400 km. afstand van de fabriek) en voerde naar aanleiding van het incident in Tsjernobyl krypton-85 metingen uit (SCK•CEN, Workshop 2001).
Het fissieproduct krypton-85 mag volledig vrijgelaten worden in de atmosfeer omdat de kans op huidkanker als laag wordt ingeschat. Over een periode van 2 jaar wordt het over de volledige atmosfeer verspreid. Plaatselijke synergistische milieueffecten van ioniserende straling met SO2 en ultraviolette straling kunnen in industrieel verband niet worden uitgesloten (Raes et al. 1986). De globale impact op de interactie van chemische stoffen in de hogere atmosfeer is nauwelijks onderzocht. Het achtergrondniveau van krypton-85 in de atmosfeer is in vergelijking met de atmosferische activiteit 60 jaar geleden met een factor van meer dan 108 toegenomen. Men gaat ervan uit dat krypton-85, net als CO2 geen onmiddellijke schadelijke gevolgen heeft voor de menselijke gezondheid. De huidige gezondheidsgerichte, antropocentrische ICRP-aanpak van de nucleaire regelgeving houdt sinds kort ook met fauna en flora rekening, maar paradoxaal genoeg niet met de atmosfeer.
Jodium-129, een zeer langlevend fissieproduct, werd in het begin van de jaren ’90 aanzien als belangrijke milieu-uitdaging op transgenerationeel gebied, waarvoor afscheiding en berging overwogen werd. Hiervan werd op het einde van de jaren ’90 afgezien in de Franse opwerking omdit dit fissieproduct een zeer beperkte impact heeft op specifieke generaties; het wordt dan ook verdund geloosd.
De relatieve impact van de diverse vloeibare radioactieve lozingen in de Noordzee en de Atlantische Oceaan zullen pas rond 2002 in kaart worden gebracht. Enkele cijfers voor zowel gasvormige als vloeibare lozingen zijn opgenomen in de MIRArapporten.
In tegenstelling tot het vorige deel hebben we er hier voor geopteerd een aantal besluitvormingsinitiatieven thematisch (i.p.v. chronologisch) te behandelen. Algemeen valt op te merken hoe de overheid vooral probeert tegemoet te komen aan een aantal kritieken die geformuleerd werden onder de ‘principes van een democratische politiek’ (zie Deel 3): organisatie van een parlementair debat over energiebeleid, overleg rond de uitrustingsplannen in het NCE (met ruime vertegenwoordiging van maatschappelijke groepen), oprichting van een onafhankelijk organisme bevoegd voor het kernafval (NIRAS-ONDRAF), aanleg van ontmantelingfondsen voor de kerncentrales141, eerste stappen in de richting van een openbaar en onafhankelijk controleorgaan rond nucleaire veiligheid en gezondheidseffecten van ioniserende straling (DBIS/DTVK), enz. De structurele maatregelen of hervormingen kwamen in elk geval laattijdig tot stand na ongevallen en publieke reacties en nadat reeds 60% van de elektriciteitsvoorziening door kerncentrales verzorgd werd. Dat deze initiatieven niet altijd even verregaand waren, of vaak een werk van lange adem blijken te zijn mag wel duidelijk worden uit de volgende paragrafen.
In dit verband is het toch niet onbelangrijk de latere EC-studie ‘RISCOM’ (Anderson et al. 1998) te situeren die de rol van een onafhankelijke en deskundige regulator benadrukt om vertouwen te creëren bij de publieke opinie. Het RISCOM-model beschrijft een mogelijke organisatie van publieke participatie in technologische keuzen, en werd reeds toegepast bij de keuze van opties voor de berging van radioactief afval. Het gaat uit van de veronderstelling dat elke communicatie drie aanspraken maakt: waarheid (‘doen we de dingen juist?’), legitimiteit (‘doen we de juiste dingen?’) en authenticiteit (‘doen we de dingen die goed zijn voor ons?’). In technologieparticipatie komt het erop neer deze drie vragen goed te beantwoorden. Dat kan volgens het RISCOM-model door een hoeder (guardian) van het besluitvormingsproces aan te duiden – een rol die volgens RISCOM weggelegd is voor de regulator. Deze zorgt ervoor dat de uitvoerder (implementer) de betrokkenen niet domineert op één van de drie communicatieaanspraken. Op die manier tellen niet enkel de wetenschappelijke feiten of de belangen van de directe betrokkenen, maar ook de waarden die bij de bevolking leven.
4.2.1.1. De gevolgen van TMI en Tsjernobyl
Als gevolg van het ongeval in Harrisburg blijkt een noodzaak om de ongevalvoorbereiding vanaf de conceptie, vergunning en controle van centrales beter te organiseren. In de Belgische kerncentrales werd van oudsher voornamelijk
141
Op 9 oktober 1985 ondertekenden de Belgische staat en de exploitanten van kerncentrales een overeenkomst omtrent het te reserveren bedrag voor de toekomstige ontmanteling en ontsmetting van de kerncentrales.
aansluiting gezocht bij de veiligheidsvoorschriften van de USNRC. Getransponeerd naar de Belgische context betroffen deze n.a.v. het ongeval in TMI vooral de informatie-uitwisseling tussen exploitanten van kerncentrales, opleiding en organisatie van het personeelsbestand, en enkele technische verbeteringen (bvb. wijziging van de automatische uitschakeling van de reactor bij uitschakeling van de turbines, meting van het waterpeil in de stoomgeneratoren en in het drukregelvat, enz.). Verder traden de Belgische exploitanten toe tot het n.a.v. het ongeval in TMI opgerichte ‘Institute of Nuclear Power Operators’ (INPO), wat na het ongeval in Tsjernobyl uitgebreid werd tot de ‘World Association of Nuclear Operators’ (WANO). Beide organismen voorzien in een systematische uitwisseling van uitbatingervaringen. Er werd aandacht besteed aan een verbetering van de ‘man-machine interface’, opleiding van reactoroperatoren (ook met behulp van simulatoren)142, veiligheidscultuur in de kerncentrales (o.m. via het opzetten van ‘Safety Evaluation Committees’ die onmiddellijk aan de directie rapporteren), participatie aan het ‘Incident Reporting System’ (IRS) van de OESO, integratie van een database van reactorincidenten in de structuur van de ‘Safety Analysis Reports’ van de Belgische kerncentrales (verzorgd door het erkende controleorganisme AVN), enz. (Kingdom of Belgium 1999). Overigens werden de nieuwe centrales (Doel 3+4 en Tihange 2+3) reeds van bij de conceptie voorzien van extra veiligheidsmaatregelen: de hypothese van een uitwendig ongeval143 heeft in België geleid tot het voorzien van een dubbele drukwand in het reactorgebouw, een bunker (van waaruit de centrale gecontroleerd en tot veilige stilstand gebracht kan worden indien de normale controlesystemen uitgevallen of vernietigd zijn), en bijkomende dubbele-en driedubbele elektrische, elektronische en mechanische noodsystemen. Eén en ander leidde echter wel tot relatief hoge investeringskosten144. Omwille van enkele vertragingen145 werden de in 1974-1975 bestelde reactoren uiteindelijk op de volgende data industrieel in dienst genomen: Doel 3 (1 oktober 1982), Tihange 2 (1 februari 1983), Doel 4 (1 juli 1985), Tihange 3 (1 september 1985).
De reeds in dienst genomen eenheden (Doel 1+2, Tihange 1) werden in het midden van de jaren ‘80 onderworpen aan de in België bij wet verplichte tienjaarlijkse veiligheidsevaluatie en -revisie146. Vermits de veiligheidsregels inmiddels grondig geëvolueerd waren leidde dit tot verregaande aanpassingen (voor een overzicht zie
142
De periodieke (her)bevoegdverklaring van operatoren leidde in Doel en vooral Tihange tot sociale spanningen
waarbij de vakbondsafgevaardigden onafhankelijk overheidstoezicht ondersteunden. 143
Veroorzaakt door het te pletter vallen van een vliegtuig en/of door een aardbeving (terrorisme en oorlog uitsluitend).
144
Govaerts et al. (1994, p. 574) spreken van een jaarlijkse investering van 25-30 miljard BEF (625-750 MEuro) in
de periode 1982-1985. 145
Oorspronkelijk werd de industriële indienstneming van deze eenheden voorzien voor de periode 1979-1982. In Deel 3 wezen we reeds op vestigingsproblemen: de elektriciteitsproducenten wensten aanvankelijk de nieuwe eenheden aan de Belgische kust te bouwen (o.a. om een betere spreiding van de belasting van het hoogspanningsnet te bekomen); maar toen deze optie vanaf 1976 politiek niet meer haalbaar bleek, werd geopteerd voor de bestaande nucleaire sites van Doel en Tihange. Later zorgde de economische crisis voor een daling van de verwachte groei van de elektriciteitsvraag, wat aanleiding gaf tot aanpassingen in de opeenvolgende uitrustingsplannen. Bovendien liep men tijdens de bouw van de centrales ook enige vertraging op (Govaerts et al., p. 573).
146
Doel van deze revisie is na te gaan of a) de nucleaire eenheid op zijn minst nog het veiligheidsniveau bereikt zoals gestipuleerd in de exploitatievergunning; b) slijtage of andere verouderingsverschijnselen een impact zouden kunnen hebben op het bereikte veiligheidsniveau; c) de nucleaire eenheid voldoet aan de meest recente internationale veiligheidsregels en -praktijken, en, indien nodig worden verbeteringen aanbevolen (Kingdom of Belgium 1999).
Kingdom of Belgium 1999, pp. 44-47). De ondergrondse reactor van Chooz A werd in oktober 1991 definitief stilgelegd. Het was de laatste reactor met roestvrij stalen splijtstofhulzen zonder zirkonium, wat nog hogere lozingen veroorzaakte via het koelwater van de reactor naar de Maas.
Het ongeval in Tsjernobyl heeft in ons land vooral een directe impact gehad op de noodplanorganisatie. Internationaal gezien werden door het IAEA maatregelen getroffen voor een voldoende informatiedoorstroming en bijstand bij een eventuele kernramp (de ‘Conventie voor vroege notificatie’ en de ‘Conventie voor wederzijdse bijstand’, beide door België ondertekend). De Belgische (nationale) noodplanorganisatie werd uiteindelijk op punt gesteld in 1991 (K.B. 27/9/91) (voor een beknopte uitleg zie SCK•CEN 2001, pp. 20-21), en zal geleidelijk meer operationeel worden gemaakt. De rol van de senaatscommissie opgericht n.a.v. het ongeval in Tsjernobyl (kortweg de ‘Tsjernobyl-commissie’) wordt in een aparte paragraaf belicht.
Meer en meer weerklinkt de vraag naar een hervorming van de organisatie van nucleaire vergunningen en controle147. De gewenste hervormingen zijn grosso modo in twee stromingen in te delen: de ene staat een fusie van de erkende controleorganismen in een overheidsinstelling voor (vooral bepleit door de PS); de andere voorziet een behoud van deze organismen met meer onafhankelijkheid (vooral bepleit door de CVP). Deze tegenstelling blijft tot vandaag nazinderen. Een interministeriële werkgroep148 voor veiligheid en controle rond kern-installaties wordt opgericht om dit verder uit te werken (de ‘Interministeriële commissie voor de nucleaire veiligheid en de veiligheid van de Staat op kerngebied’ (K.B. 15/10/79)). De bevoegdheden voor het nucleaire bleken in elk geval zeer versnipperd, het personeelsbestand was beperkt en de werkingskosten bleken niet doorgerekend te worden. Op het gebied van de beleidsvoering besloot de ministerraad in 1980 de vertegenwoordiging van de elektriciteitssector te weren uit de erkende controleorganismen.
Het regeringsinitiatief tot hervorming blijft evenwel beperkt in omvang. De ‘Dienst Bescherming tegen Ioniserende Stralingen’ (DBIS) (K.B. 14/8/81) en de ‘Dienst Technische Veiligheid van Kerninstallaties’ (DTVK) (K.B. 7/8/81) werden opgericht om de bestaande competenties binnen de betrokken ministeries te groeperen, en om een algemeen administratief kader te bieden voor de nucleaire controle, zowel wat betreft stralingsbescherming als veiligheid. In haar verslag aangaande de veiligheid
147
Een vrije tribune in de krant ‘De Morgen’ in 1979 (door dhr. Sapir en dhr. Eggermont) pleit naar Angelsaksisch model voor één gecoördineerde nucleaire vergunning-en controleorganisatie (25 jaar later zijn beiden respectievelijk lid van de raad van bestuur en de wetenschappelijke raad van het FANC-AFCN, opgericht bij wet in 1994 en operationeel gemaakt in 2001). Op Europees vlak had het Economisch en Sociaal Comité van de EG in 1977 een nucleaire veiligheidscode uitgewerkt (rapporteur mevr. Lizin) die een aantal principes vooropstelt ter precisering van het begrip ‘Openbare dienst’ (brief dhr. Debune aan minister De Wulf, dd. 03/02/1981). Deze stimuleren een debat rond de verbetering van het vergunning-en controlesysteem.
148
Te weten het ministerie van Economische Zaken (en het staatssecretariaat voor Energie), het ministerie van Volksgezondheid, het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, het ministerie van Justitie, het ministerie van Binnenlandse Zaken, het ministerie van Landsverdediging, het ministerie van Buitenlandse Betrekkingen, het ministerie van Wetenschapsbeleid, en de gewestelijke Executieven (Interministeriële Commissie voor de Nucleaire Veiligheid en de Veiligheid van de Staat op Kerngebied 1982).
van kerncentrales149 observeert de ‘Tsjernobyl-commissie’ (zie verder) m.b.t. deze diensten echter dat “…de personeelsformatie veel te beperkt
De Speciale Commissie die bindende adviesbevoegdheid heeft voor nucleaire vergunningen werd evenwel niet hervormd. De erkende controle-instelling AVN bleef in die periode van onzekerheid over de overheidsregulering instaan voor de controle op de veilige exploitatie van de kerncentrales. Zij slorpte op het einde van de jaren ‘80 CORAPRO, het erkend organisme dat op initiatief van het SCK•CEN werd opgericht, op.
4.2.1.2. Het parlementaire energiedebat
Het parlementaire energiedebat, dat al sinds 1976 aangekondigd was, vond uiteindelijk plaats in het najaar van 1982 in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en in het voorjaar van 1983 in de Senaat. Dit voortdurend uitstellen van het debat had vooral gevolgen wat betreft een aantal nucleaire dossiers: zo moest de toenmalige minister van Economische Zaken dhr. Claes in 1981 herhaaldelijk bevestigen dat een beslissing omtrent de bouw van nieuwe kerncentrale(s) gehandhaafd zou blijven tot na het parlementaire debat151, en reeds in 1980 werd de beslissing omtrent het heropstarten van de opwerkingsfabriek Eurochemic (zie verder) aan de uitslag van het debat verbonden. Ook in 1982 bestond er aanzienlijke druk om het parlementaire debat snel te organiseren (binnen de voorziene termijn waarin de minister van Economische Zaken een beslissing moest nemen omtrent het
149
Gedr. St. van de Senaat, Doc. 113-3 (B.Z. 1988).
150
Getuigenis van dhr. Eggermont; zie ook de getuigenis van dhr. Pataer (zie interview in bijlage).
151
De elektriciteitsmaatschappijen stelden in het uitrustingsplan 1981-1991 de bouw van twee nieuwe eenheden van elk 1300 MWe voor (in dienst te nemen in 1990 en 1991).
uitrustingsplan 1982-1992152 -zie boven). De Europese elektriciteitspanne als gevolg van een ‘scram’ in de kerncentrale van Doel 3 droeg hiertoe bij. Omtrent de voorbereiding en afhandeling van het parlementaire energiedebat hebben sommige commentatoren alvast erg kritische bemerkingen. Zo stelt Verbruggen (1986, p. 309) dat “…het parlementaire energiedebat kende zijn formele afwikkeling gedurende een paar zomerse dagen in 1982. Het absenteïsme van de parlementairen tijdens het debat en de latente onverschilligheid t.o.v. de getroffen besluiten, illustreren dat de Belgische politieke wereld geen grote rol voor haarzelf weggelegd ziet bij de energievoorziening van het land. Deze houding wordt geïnspireerd door de objectieve vaststelling dat de privé-ondernemingen in de energiesector een goede dienstverlening verzekeren en door de subjectieve banden die op vele vlakken bestaan tussen vertegenwoordigers van de energiebedrijven en politieke mandatarissen…”.
Het parlementaire debat werd voorbereid door een actualisering van de conclusies van de ‘Commissie der Wijzen’ uit 1976 (Commissie van Beraad inzake Kernenergie 1982)153. Enerzijds moest men bij de actualisering van de analyse rekening houden met gewijzigde contextvariabelen (o.a. de sterk gedaalde economische groei, het tekort op de overheidsfinanciën, het stijgende tekort op de handelsbalans, enz.); anderzijds beschikte men inmiddels over meer wetenschappelijke hulpmiddelen (uitgewerkt in het kader van het nationale R&D programma ‘Energie’), die een meer integrale benadering van het energiebeleid mogelijk maakten. De globale ‘top-down’ structuur van de redenering (zoals uiteengezet in Deel 3, Titel 3.1.1.), werd behouden; de cijfergegevens werden echter grondig aangepast, in overeenstemming met de contextvariabelen154. Opvallend is dat de commissie, hoewel ze haar conclusies met de nodige omzichtigheid aanbrengt155, nu op basis van een vergelijkende kostenanalyse tussen de traditionele en kerncentrales tot de conclusie komt dat kernenergie weliswaar een economisch voordeel behoudt t.o.v. grote steenkoolcentrales, maar niet t.o.v. WKK-eenheden op basis van steenkool met
152
Waarin opnieuw de bouw van twee tot vier kerncentrales, ditmaal met voorziene ingebruikname tussen 1991 en 1993, vooropgesteld werd. Tistaert (1991, p. 19) vermeldt eveneens spanningen binnen de regeringskringen. Zo zou de staatssecretaris van Energie (dhr. Knoops) van mening geweest zijn dat er zo snel mogelijk een einde moest komen aan het door minister Claes ingestelde moratorium, terwijl de minister van Wetenschapsbeleid, Begroting en het Plan (dhr. Maystadt) – verantwoordelijk voor het nationale R&D programma ‘Energie’ – eerder pleitte voor een beleid van rationeel energiegebruik als alternatief voor het nucleaire programma. De rol van dhr. Maystadt als pleitbezorger voor een REG-beleid werd ons bevestigd in het interview met dhr. Allé (directeur van het nationale R&D programma ‘Energie’ van 1981 tot 1985), en bovendien beschikken we over een beleidsnota van dhr. Maystadt uit 1986 (toen hij de functie van minister van Economische Zaken bekleedde, en dus in een positie verkeerde waarin hij de resultaten van het onder zijn voogdij uitgevoerde wetenschappelijk onderzoek in de praktijk kon brengen) waarin hij onomwonden stelt dat “…nous devrons éviter les rigidités des systèmes centralisés, du recours à une seule source d’énergie et des engagements commerciaux à trop long terme…” (Maystadt 1986, p. 21).
153
Enkel Groep I (economische en financiële aspecten) voerde een nieuwe, grondige studie uit. 154
Zo wordt gerekend met economische groeivoeten die begrepen zijn in een waaier tussen 1,6% en 3,4%, wat aanleiding geeft tot groeipercentages voor het energieverbruik tussen 0,5% en 2,1% (naargelang het beschouwde scenario, waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen van een REG-beleid), als gevolg van een daling van de elasticiteit van de vraag naar energie t.o.v. de groei van het BBP. De groei van de elektriciteitsvraag in de verschillende scenario’s ligt tussen 1,1% en 3%.
155
Men vermeldt de volgende onzekerheidsfactoren, die omwille van tijdsgebrek niet voldoende onderzocht konden worden: elasticiteitseffecten van de vraag t.o.v. de energieprijzen; het actualiseringpercentage; de stijgende investeringskosten van kerncentrales; effecten op de betalingsbalans, werkgelegenheid, financiële markten, enz. De commissie geeft overigens opnieuw toe dat de economische aspecten van elektriciteitsproductie enkel correct bekeken kunnen worden in een ruimer kader van de volledige energiestructuur van het land – d.w.z. rekening houdend met de groei en de structuur van industriële productie, evolutie van vervoer, energiebesparingsmaatregelen, enz. – terwijl deze globale benadering buiten haar mandaat viel.
tegendrukturbines (men schat het potentieel in op 890 MWe over de periode 19821995). Men voorziet dan ook enkel in het scenario dat rekening houdt met een hoge economische groeivoet (3%) de noodzaak om een nieuwe kerneenheid (van 1300 MWe) in dienst te nemen (indien rekening gehouden wordt met de Belgische participatie in Chooz B1+B2, zie verder). De overige conclusies blijven grotendeels dezelfde, inclusief de ‘voorwaardelijke aanvaarding’156 uitgesproken door de werkgroepen ‘gezondheid’ en ‘ecosystemen’.
De voornaamste resoluties van het energiedebat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers waren (zie Consensus 1983, No. 2):
156
Opnieuw wordt gepleit voor een tienjaarlijkse evaluatie i.v.m. de problematiek van de hoogradioactieve afvalstoffen en de controle van de edele gassen; bovendien “…veronderstelt deze voorwaardelijke instemming een aantal aanpassingen in de zin van een versterking van de huidige bestuursrechterlijke voorschriften en een uitbreiding van de actiemogelijkheden van de diensten en organen voor veiligheid en controle en voor het toezicht op de radioactiviteit van het grondgebied…” (p. VI-10).
De senaat spreekt zich bovendien in een resolutie positief uit over een Belgische deelname in de Franse centrales Chooz B1+B2 (zie verder), onder een aantal voorwaarden (garanties aangaande kwaliteit van het Maaswater, advies door CCEG en NCE, en zo ruim mogelijke deelname van Belgische industrieën aan het project). Samenvattend kunnen we stellen dat de beide kamers het belang van een REGbeleid duidelijk onderstrepen, terwijl de ‘hete aardappel’ (beslissing rond de bouw van nieuwe kerneenheden) doorgeschoven wordt naar de regering (bijgestaan door de geijkte adviesprocedures). Voorts onderschrijft men bepaalde eisen van de vroege contestatiebeweging, die zelfs op internationaal vlak weerhouden worden: bvb. de noodzaak aan onafhankelijke controle en toezicht op de nucleaire sector, en een integratie van de alle kostelementen (inclusief ontmanteling en afvalberging) in de prijs van de nucleaire kWh, wat nadien zal leiden tot verrekening van de nucleaire passiva en oprichting van afvalfondsen.
4.2.1.3. De discussie rond de uitbreiding van het kernpark (N8, Chooz B1+B2) 157
157
Het feitenrelaas binnen deze paragraaf steunt vooral op een getuigenis van de ereambassadeur dhr. M. Depasse (opgenomen in Govaerts et al. 1994, pp. 607-631), die betrokken was bij de Belgisch-Franse onderhandelingen rond beide projecten.
De Belgische deelname aan de Franse reactoren Chooz B1+B2 is het resultaat van lange en vaak moeilijke politieke onderhandelingen. Tegen het einde van 1978 verneemt de Belgische regering de Franse plannen om nieuwe reactoren te bouwen op de site van Chooz. Aanvankelijk is men verre van enthousiast: Chooz vormt
a.h.w. een Franse enclave op Belgisch grondgebied, en de nieuwe kerncentrales zouden bovendien beslag leggen op de (reeds beperkte) koeling-en verdunningscapaciteiten van het Maaswater. De Belgische elektriciteitsproducenten van hun kant verkozen de bouw van nieuwe centrales op Belgisch grondgebied, en stelden in het uitrustingsplan 1981-1991 voor om twee nieuwe eenheden (van elk 1400 MWe) in dienst te nemen tegen 1991. De Franse plannen geven aanleiding tot nogal wat controverse in de media (bvb. omwille van mogelijke radiologische vervuiling van het Maaswater, dat als drinkwater gebruikt werd) en (gewelddadige) protestacties te Chooz, waarbij echter steeds weinig manifestanten betrokken waren.
Inmiddels werd het echter duidelijk dat België op geen enkele manier de Franse beslissing zou kunnen aanvechten. De nieuwe Belgische regering (een coalitie van liberalen en christen-democraten) besliste op 5 februari 1982 gesprekken met de Fransen aan te knopen met het oog op een participatie van de Belgische industrie. Op die manier hoopte men eveneens een zekere vorm van controle (wat betreft veiligheid en radioactieve lozingen van de centrales) uit te kunnen oefenen. Zeker is ook dat de Belgische reactorbouwers (ACEC, Cockerill, enz.) en hun politieke vertegenwoordigers op het kabinet van minister Knoops een rol hebben gespeeld in deze keuze: de beslissing omtrent de bouw van nieuwe Belgische reactoren was inmiddels ten minste uitgesteld tot na het parlementaire energiedebat (najaar 1982), en het was voor de Belgische industrie van cruciaal belang om voldoende bouwactiviteiten te onderhouden158. Aldus werden de onderhandelingen aangevat tussen enerzijds de Belgische en Franse regering, en anderzijds de Belgische en Franse reactorbouwers, studiebureaus en elektriciteitsproducenten. Al gauw werd een ‘reciprociteitbeginsel’ aanvaard: de Belgische constructeurs en studiebureaus mochten voor 25% participeren in de bouw van de twee Franse centrales en de Belgische elektriciteitsproducenten namen 25% van de investeringskosten voor hun rekening (dus ongeveer 700 MWe in totaal); terwijl de Franse industrie (Framatome/Alsthom) voor 50% mocht participeren in de nieuwe Belgische centrale (‘N8’) en de Franse elektriciteitsproducent EDF 50% van de investeringskosten op zich zou nemen. De geproduceerde elektriciteit zou volgens eenzelfde verdeelsleutel verdeeld worden. Het akkoord werd bezegeld met een conventie tussen de Belgische en de Franse regering (B.S. 2 juli 1985), waarin bepaald werd dat het tijdstip van indienstneming van N8 zou gebeuren in functie van de evolutie van de Belgische behoeften.
158
Men vreesde nl. dat, waar er op dat moment (in 1980) nog 15.000 mensen werkten aan de opbouw van Doel 3+4 en Tihange 2+3, dit aantal zou zakken tot ongeveer een duizendtal, eens deze centrales voltooid waren (in 1985). Als eenmaal deze reductie in activiteit was ingezet zou het bijzonder moeilijk zijn om eventueel later opnieuw de draad op te nemen (verlies aan expertise van zeer gespecialiseerde equipes). Participatie aan de bouw van Chooz B1+B2 vormde aldus een uitgesproken mogelijkheid om de periode tussen het voltooien van Doel 3+4 en Tihange 2+3, en de bouw van nieuwe Belgische centrales (waar men op dat moment nog niet aan twijfelde) te overbruggen.
In het voorjaar van 1983 sprak de Belgische senaat zich gunstig uit over deze voorgestelde participatie (zie boven). Ook het CCEG sprak zich n.a.v. de bespreking van het uitrustingsplan 1983-1993 positief uit. De Belgische participatie in de bouw van Chooz B1+B2 verliep verder zoals voorzien; na enkele vertragingen op het werkschema werden deze reactoren uiteindelijk in 1996-1997 op het elektriciteitsnet aangesloten (oorspronkelijk voorzien voor 1991-1993).
De beslissing rond de bouw van N8 verliep echter niet zo vlot. In januari 1984 keurde de regering het uitrustingsplan 1983-1993 (waarin de bouw van N8 was voorzien) principieel goed, enkel de datum van indienstneming werd nog niet vastgelegd159 . De elektriciteitsproducenten van hun kant gingen over tot een akkoord voor bestelling van de hoofdcomponenten van de centrale, steunend op de bovenvermelde conventie en het gunstige advies van het CCEG160 . Indeloop van 1985 werd beslist de nieuwe kerneenheid in Doel te bouwen (‘Doel 5’), en de terreinen werden in gereedheid gebracht. Het gebruik van een reeds bestaande vestigingsplaats bood immers aanzienlijke voordelen voor wat betreft de onmiddellijke beschikbaarheid en de lage voorbereidingskosten. Nadelen waren dan weer de risico’s van het gebrek aan spreiding van de kernreactoren en de geconcentreerde belasting op het elektriciteitsnet (Govaerts et al. 1994, p. 562). De regering van haar kant vroeg verder uitstel. Het ongeval in Tsjernobyl (april 1986) leidde tot verder uitstel: de regering gaf nu te kennen te zullen wachten op het advies van beide wetgevende kamers. In het uitrustingsplan 1988-1998 werd opnieuw de bouw van N8 (met industriële opstart voorzien in 1997) naar voren geschoven als economisch meest verantwoorde optie; de regering achtte het toen echter niet meer opportuun de nucleaire optie nog verder te zetten161 , met uitzondering van de deelname in Chooz B1+B2. Vanaf 1988 hebben de opeenvolgende regeringen steeds een moratorium op de verdere uitbouw van kernenergie onderschreven. De elektriciteitsproducenten waren dus verplicht het project N8 (of Doel 5) definitief af te schrijven; aan de Franse industrie werd een schadeloosstelling betaald, gecombineerd met compenserende bestellingen, als tegengewicht voor de misgelopen bestellingen162 .
Het ruimer maatschappelijk debat rond de uitbouw van het Belgische kernpark en de deelname aan Chooz B1+B2 in de jaren ‘80 werd vooral gevoerd in de institutionele overlegorganen, nl. het CCEG en het NCE. Het opentrekken van het debat naar het NCE is een gevolg van de wet op de hervorming van de instellingen (8 augustus
159
Volgens dhr. Depasse is dit te wijten aan de politieke druk van de Limburgse steenkoollobby. 160
Volgens dhr. Eggermont leidde de groeiende invloed van de georganiseerde lobbying van de kernindustrie (met vooral dhr. Klees, directeur-generaal ACEC, als woordvoerder), tot een kentering in de politieke en vakbondsstandpunten, die aanvankelijk REG-investeringen verkozen boven een verdere uitbreiding van de nucleaire capaciteit. Dhr. Van den Broucke (toenmalig voorzitter van het ABVV), die een invloedrijke rol speelde in CCEG, NCE en Nationale Bank, was volgens dhr. Eggermont in april 1986 overtuigd van de noodzaak om de bouw van N8 te Doel toch goed te keuren, hoewel het lange-termijn afvalprobleem een grote uitdaging bleef. Het ongeval in Tsjernobyl dat aantoonde hoe moeilijk evacueerbaar een grootstad, haven en industriegebied zou zijn, deed de socio-economische en politieke besluitvorming opnieuw slingeren.
161
Het perspectief op aantrekkelijke contracten voor de levering van Noors aardgas (gekoppeld aan de prijs van
steenkool) voor gebruik in STEG-centrales hebben hier ook een belangrijke rol gespeeld. 162
In het uitrustingsplan 1988-1998 is sprake van een bedrag van 780 MBEF (19,5 MEuro). Bovendien bedroegen de kosten voor de studies en het voorbereiden van de terreinen voor Doel 5 volgens het BCEO 1,4 miljard BEF (35 MEuro) (BCEO 1988).
1980), die immers voorzag in formele richtlijnen m.b.t. de goedkeuring van de uitrustingsplannen (zie boven). Zo heerste er bvb. in het NCE bij het onderzoek van het uitrustingsplan 1981-1991 twijfel omtrent de gebruikte groeihypothesen163,wat aanleiding gaf tot een advies om ofwel over te gaan tot de bouw van een nieuwe kerncentrale, ofwel de beslissing uit te stellen. Aan het plan van 1981 werd door de val van de regering geen verder gevolg gegeven; bovendien was de elektriciteitsvraag in 1981 voor de eerste maal gedaald. In 1985 formuleerde het NCE een gemeenschappelijke aanbeveling om een beslissing tot de bestelling van N8 uit te stellen, en zich enkel te houden aan de voorafgaande administratieve procedures en de voorbereiding van de vestigingsplaats (Bernard 1992). Bovendien wordt meer aandacht gevraagd voor een “…positieve benadering van projecten voor een gecombineerde warmtekracht productie in de industrie of in verbinding met de ontwikkeling van netwerken voor stadsverwarming…”, en wordt aanbevolen meer rekening te houden met een beheersing van de vraag. Deze opties hebben echter in de jaren ‘80 slechts marginaal ingang gevonden, omdat ze door een gericht beleid van belemmeringen werden geblokkeerd (Verbruggen et al. 1988a). Op de argumenten die tijdens discussie in het NCE aan bod kwamen komen we verderop in de tekst uitgebreider terug.
4.2.1.4. De plannen rond de heropening van Eurochemic 164
In deel 2 gaven we reeds weer hoe de pilootopwerkingsfabriek Eurochemic (een consortium van 13 OESO-landen), in bedrijf vanaf 1966, in 1974 werd stilgelegd als gevolg van een algemene vertraging van kernprogramma’s in Europa, hoge opwerkingskosten (als gevolg van de beperkte, niet-geautomatiseerde schaal) en de concurrentie van de opwerkingsfabrieken in La Hague (uitgebaat door Cogéma) en Windscale (uitgebaat door BNFL)165 . Eurochemic was de eerste civiele pilootopwerkingsfabriek en was geschikt om diverse soorten splijtstof op te werken. Het einde van de opwerkingsactiviteiten betekende nochtans niet het einde van Eurochemic. Volgens het KB van 28/2/1963 was Eurochemic immers als uitbater van een kernenergiebedrijf van klasse I na de stillegging van de installaties verplicht de zich aldaar bevindende radioactieve stoffen166 alsook de installaties zodanig te behandelen dat een veilige opruiming of nieuwe ingebruikname mogelijk zou worden. De Belgische overheid was er in die context toe aangezet om de wens te kennen te geven de fabriek eventueel later opnieuw in dienst te willen nemen. Eén en ander leidde ertoe dat de levensduur van Eurochemic bij conventie met vijf jaar werd
163
Deze groeivoeten waren inderdaad voor de periode 1980-1982 te hoog ingeschat. In de volgende
uitrustingsplannen hielden de elektriciteitsmaatschappijen rekening met lagere groeivoeten. 164
De geschiedenis van Eurochemic wordt uitvoerig behandeld in Wolff (1995). Voor een samenvatting, zie von
Busekist (1982). 165
De nieuwe industriële fabrieken van La Hague en Windscale waren vooral bestemd om de standaard brandstofelementen te verwerken. België had veel specifieke brandstofelementen afkomstig van onderzoeksreactoren (BR2+3), MOX experimenten en isotopenproductie (afkomstig van het IRE) -die uiteindelijk ook dient opgewerkt om als afval te kunnen worden beheerd met het oog op opslag. Deze beperkte, experimentele schaal als eerste prototype opwerkingsfabriek droeg bij aan de hoge opwerkingskosten.
166
Het ging om ongeveer 2000 m³ vloeibaar middelactief afval (afkomstig van het chemisch oplossen van splijtstofhulzen), 800 m³ hoogactief vloeibaar afval afkomstig van de opwerking van brandstofelementen met hoogverrijkt uranium, en 65 m³ hoogactief vloeibaar afval afkomstig van splijtstofelementen met natuurlijk of lichtverrijkt uranium (von Busekist 1982, p. 5).
verlengd (t/m 1979), om de nodige opruim-en decontaminatiewerken uit te voeren. Het middelactief afval werd gebitumeerd en gestockeerd in de opslagplaats ‘Eurostorage’167 . Het laagradioactief afval werd gebetonneerd en toegevoegd aan de inventaris van het Belgisch afval dat tot 1982 bestemd was om in de Atlantische Oceaan gestort te worden. De behandeling van het hoogradioactief afval gaf aanleiding tot een internationaal onderzoeks-en ontwikkelingsprogramma168 .
Op 24 juli 1978 werd de ‘Conventie tussen de Regering van het Koninkrijk België en de maatschappij Eurochemic met betrekking tot de overname van de installaties en de uitvoering van de wettelijke verplichtingen van de maatschappij’ ondertekend. Deze conventie was een compromis tussen de Belgische nucleaire belangen van een eventueel opnieuw in gebruik nemen van de installaties (alsook een veilige behandeling van het aanwezige radioactieve afval) en anderzijds de belangen van Eurochemic om de financiële lasten, die voortvloeiden uit de uitbating van het bedrijf169, zo snel mogelijk te regelen, wat de Belgische belastingbetaler of consument uiteindelijk 10-20 miljard BEF (250-500 MEuro) zal kosten voor ontmanteling van de installaties. De eigendomsoverdracht vond plaats in schijven (1978-1981). Om aan de in de conventie voorziene verplichtingen te kunnen voldoen werd de levensduur van Eurochemic nogmaals verlengd tot juli 1982. Vervolgens werd nogmaals een verlenging voorzien, ditmaal tot eind 1984170.
Inmiddels was de internationale toekomst van opwerking echter onzeker geworden: in 1977 hadden de Verenigde Staten (onder president Carter) immers verzaakt aan deze optie om redenen van de proliferatierisico’s van significante hoeveelheden plutonium die vrijkwamen bij een wereldwijd gebruik van de opwerkingstechnologie. Europa, Japan en de Sovjet-Unie waren het echter niet eens met deze beslissing: zij hielden staande dat kweekreactoren (en bijgevolg de ‘plutoniumeconomie’) noodzakelijk waren om op (lange) termijn voldoende onafhankelijkheid te verwerven op gebied van energievoorziening (Lellouche 1980, p. 338). Bovendien was het internationale non-proliferatieregime onder druk komen te staan door de eerste Indische atoombomtest (1974) en de controversiële handelsverdragen die Frankrijk en West-Duitsland in 1975-1976 hadden afgesloten met Zuid-Korea, Pakistan en
167
Het gaat om ongeveer 11.600 vaten van 220 liter. Deze behoren nu tot de zogenaamde ‘nucleaire passiva’. 168
Voor de 65 m³ hoogactief vloeibaar afval afkomstig van splijtstofelementen met natuurlijk of lichtverrijkt uranium werd gekozen voor een Duits procédé (‘Pilot-Anlage Mol zur Erzeugung Lagerfähiger Abfälle’ of PAMELA). Voor de verwerking van de 800 m³ hoogactief afval afkomstig van de opwerking van brandstofelementen met hoogverrijkt uranium werd aanvankelijk gekozen voor het Franse verglazingprocédé dat door het ‘Commissariat de l’Energie Atomique’ (CEA) op punt was gesteld in de laboratoria te Marcoule (‘Atelier de Vitrification Belge’ of AVB). Voor België bood de Franse samenwerking perspectieven op een beheersing van een groot gedeelte van de splijtstofcyclus: met FBFC en Belgonucléaire beschikte men over bedrijven die in staat waren brandstofelementen (resp. ‘klassieke’ en MOX) te vervaardigen; met de heropening van Eurochemic zou men over industriële opwerkingscapaciteiten beschikken; terwijl men met de verglazingstechniek en het aan gang zijnde onderzoek op het SCK•CEN rond de berging van radioactief afval in diepe kleilagen ook het einde van de splijtstofcyclus zou beheersen. Toen echter duidelijk werd dat de opwerkingsfabriek Eurochemic niet heropend zou worden werd afgezien van het project AVB, en de PAMELA-installatie werd vervolgens aangepast om de volledige inventaris aan hoogradioactief afval (865 m³) te behandelen. Dit gebeurde in de periode 1985-1991.
169
Als tegenprestatie voor de eigendomsoverdracht nam de Belgische staat de kosten over van de latere ontmanteling van alle installaties, waarvoor Eurochemic een indexgebonden forfaitaire bijdrage leverde (490 MBEF waarde 1978 (12 MEuro)), alsook de kosten voor de definitieve opslag van het in vaste vorm gebrachte afval.
170
De conventie voorzag immers in de overname door een door de Belgische regering en de elektriciteitsproducenten op te richten maatschappij. Vermits deze ‘nieuwe maatschappij’ in 1981 (bij de voltooiing van de overdracht) nog niet was opgericht, werd gekozen voor een tussenoplossing: Eurochemic zou de site beheren voor rekening van de Belgische staat.
Brazilië omtrent de verkoop van ‘gevoelige’ technologieën (bvb. verrijkings-en opwerkings-technologieën). Om de groeiende spanningen te temperen werd op initiatief van de Carter-administratie de proliferatiegevoeligheid in samenhang met het technisch-economische potentieel van verschillende alternatieve brandstofcycli grondig onderzocht door het IAEA (46 landen uit zowel geïndustrialiseerde als nietgeïndustrialiseerde landen namen deel) in de ‘International Fuel Cycle Evaluation’ (INFCE)-studie (IAEA 1980). De resultaten en aanbevelingen van de INFCE-studie waren echter ambigu: geen enkele brandstofcyclus of non-proliferatiestrategie werd unaniem aanbevolen – wat ook te verwachten was in dergelijk politiek geladen dossier (Lellouche 1980, p. 338).
De publieke weerstand tegen opwerking nam toe: het VAKS organiseerde reeds in 1978 een studiedag rond de mogelijke heropening van Eurochemic, en publiceerde het dossier “Opwerking van kernsplijtstof” (Tistaert 1991, p.16). Tegen de mogelijke heropening van Eurochemic werd in 1980 nogmaals actie gevoerd d.m.v. een betoging te Mol (“Kempische klei atoomvrij”). Argumenten waren de proliferatierisico’s van een ‘plutoniumeconomie’, de opwerkingsstrategie als eerste (en noodzakelijke) stap naar een kweekreactorprogramma (wat men afwees op basis van de veiligheidsrisico’s van dit reactortype), de betwistbare economische voordelen van opwerking en de gezondheids-en veiligheidsrisico’s van de opwerkingsfabrieken. Op deze argumenten gaan we dieper in n.a.v. onze bespreking van het parlementaire MOX-debat, dat in 1993 gevoerd werd.
Op 27 mei 1983 sprak de Belgische senaat zich positief uit over een heropening van de opwerkingsfabriek (zie boven). De nieuwe industriële fabrieken van La Hague en Windscale waren immers vooral bestemd om de standaard nucleaire brandstof te verwerken, en België had veel specifieke splijtstofelementen afkomstig van onderzoeksreactoren (BR2+3), MOX-experimenten en isotopenproductie (IRE) waarvan het restproduct uiteindelijk ook dient opgewerkt te worden om als afval te kunnen worden bestemd. Onmiddellijk werden studies aangevat (door het studiesyndicaat ‘Sybelpro’171) die de economische haalbaarheid van een opwerkingscapaciteit van 120 ton kernbrandstof per jaar aantoonden. Geen enkele buitenlandse partner toonde echter interesse in een participatie. In Duitsland werd een eigen pilootopwerkingsfabriek overwogen in Wackersdorf. Synatom bleek niet bereid de heropening van Eurochemic alleen te dragen. Inmiddels had deze maatschappij contracten ondertekend met Cogéma voor een gedeeltelijke opwerking van de gebruikte kernbrandstof uit de Belgische centrales172. Ultiem werd nog een voorstel uitgewerkt door de nucleaire adviseur van het ABVV (dhr. Eggermont) in samenwerking met de kaders van Eurochemic om de opwerkingsfabriek op beperkte
171
Samengesteld uit Synatom, DWK (‘Deutsche Gesellschaft für die Wiederaufarbeitung von Kernbrennstoffen’) en
Cogéma. 172
Het gaat om een contracten uit de periode 1976-1978 voor de opwerking van 140 ton bestraalde splijtstof afkomstig van Doel 1+2 en Tihange 1 (volledig uitgevoerd in 1985), en een nieuw contract uit 1978 voor de opwerking van 530 ton bestraalde splijtstof tussen 1990 en 2000. Dit contract was van een andere soort dan de voorgaande: de klanten zouden samen de bouw van een nieuwe fabriek (UP 3) in La Hague financieren alsook de werkingskosten gedurende de eerste tien jaar. In ruil kregen zij elk in verhouding tot hun inbreng een gedeelte van de productiecapaciteit ter beschikking. Volgens de voorzieningen in de contracten wordt het geproduceerde afval aan de klanten teruggeleverd (geconditioneerd volgens specificaties waarover een akkoord werd gesloten).
schaal (een capaciteit van 60 ton jaarlijks) opnieuw in bedrijf te nemen, onder strikte voorwaarden inzake veiligheid en onafhankelijke controle. De ene helft van deze capaciteit zou bestemd worden voor de behandeling van speciale splijtstof (BR2, IRE, ...); de andere helft voor de opwerking van splijtstof van de industriële reactoren. Het ABVV-voorstel erkende het ongunstige economische perspectief voor kleine opwerkingsfabrieken voor standaard splijtstoffen maar zocht een oplossing voor een 600-tal gespecialiseerde arbeidskrachten. Het situeerde zich in een kritische analyse van de lange termijn perspectieven van de splijtstofcyclus met kweekreactoren (FGTB-ABVV 1980). Er werden ethische vragen gesteld voor wat betreft de implicaties op lange termijn van dergelijk kweekreactorprogramma, inclusief de proliferatierisico’s. Op korte tot middellange termijn opteerde het ABVV voor tijdelijke opslag van de gebruikte splijtstof nabij de bestaande reactoren (wat gebeurde), maar ook in de splijtstofpools van Eurochemic als buffer. Het verzette zich tegen nieuwe opwerkingscontracten met Cogéma, maar bepleitte wel het gebruik van MOXbrandstof met input van Eurochemic, om de knowhow rond plutoniumtechnologie in Dessel te behouden. Dit voorstel werd besproken met de elektriciteitssector (in het CCEG), die uiteindelijk het lot van Eurochemic bezegelden omdat de omvang van de ontmantelingkosten duidelijk was geworden.
Eurochemic werd (voor een symbolische frank) overgedragen aan de Belgische Staat die deze missie toevertrouwde aan NIRAS-ONDRAF, via hun industrieel filiaal ‘Belgoprocess’ (december 1986). Belgoprocess nam de organisatie van nucleaire en sociale passiva op zich en gebruikte de capaciteit (gebouwen, personeel) als basis voor de aanpak van de ontmantelings-en afvalproblematiek. Belgoprocess beheert nu nog steeds de Eurochemic site, naast het voormalige ‘waste’-departement van het SCK•CEN – die nu de zogenaamde nucleaire passiva ‘BP1’ en ‘BP2’ vormen.
4.2.1.5. De controverse rond de snelle kweekreactor te Kalkar
Zoals aangehaald in deel 2 was het snellekweekreactorprogramma in Kalkar (Duitsland) een gemeenschappelijk project van Duitsland (hoofdinvesteerder), Nederland en België. De prototypereactor, waarvan de bouw in 1969 van start ging, werd echter nooit in gebruik genomen en is nu een pretpark. De bouw was in 1985 klaar, maar een juridische en economische strijd zorgde ervoor dat het project in 1991 werd afgevoerd. Dit leidde tot vragen m.b.t. de Belgische investeringen (zie tabellen 1 en 2) in dit mislukte project. Het SCK•CEN en Belgonucléaire hebben respectievelijk ongeveer 8,7 miljard BEF (217,5 MEuro) en 4,7 miljard BEF (117 MEuro) geïnvesteerd in een gemeenschappelijk parallel onderzoeksprogramma met ECN (Energy Research Centre, Nederland) en KFK (het Duitse nucleaire onderzoekscentrum in Karlsruhe), onder leiding van het Duitse consortium SBK. Het kweekreactorprogramma van het SCK•CEN in internationaal verband, met grote experimenten in de BR2-reaktor, werd op last van de voogdijoverheid stopgezet, omdat de kosten te hoog opliepen en de elektriciteitssector verdere financiering weigerde. De uitbating van BR2 werd op een gereduceerd niveau verder gezet.
| Bron | DEM | Euro | BEF |
|---|---|---|---|
| Belgische bijdrage | 510 miljoen DEM | 260,7 MEuro | 10,5 miljard BEF |
| = elektriciteitsproducenten + | 40 miljoen DEM | 20 MEuro | 0,825 miljard BEF |
| overheid | 470 miljoen DEM | 240 MEuro | 9,694 miljard BEF |
| Belgonucléaire | 7,5 miljoen DEM | 3,8 MEuro | 0,155 miljard BEF |
Tabel 1: investeringen bouwkosten SNR-300
| Bron | DEM | Euro | BEF |
|---|---|---|---|
| Belgonucléaire | 118 MEuro | 4,765 miljard BEF | |
| SCK•CEN | 217,5 MEuro | 8,776 miljard BEF |
Tabel 2: investeringen R&D-programma (periode 1968-1991)
Cursieve getallen zijn de ‘oorspronkelijke’ bedragen vermeld in het brondocument.
Bron: Ministerie van Economische Zaken (1991), Nota aan de Ministerraad, Punt 7. Betreft: De snellekweekreactor SNR 300 te Kalkar, Ref. 9.EN/0.3417/91/620 TVR/VG
1 DEM = 0,5 euro / 20,6 BEF
4.2.1.6. De ‘Tsjernobylcommissie’
Op 15 mei 1986 besliste de senaat unaniem om een ‘Commissie voor Informatie en Onderzoek inzake Nucleaire Veiligheid’ (kortweg de ‘Tsjernobyl-commissie’) op te richten. Deze commissie heeft gedurende vijf jaar, over twee legislaturen heen, intensief gewerkt, waarbij quasi de hele kernenergieproblematiek onder de loupe werd genomen. Dit resulteerde in zeven deelverslagen over diverse aspecten van de nucleaire veiligheid173. Daarbij werden vele deskundigen gehoord alsook zowat alle bevoegde ministers. De aanbevelingen van de commissie werden steeds door een meerderheid van de senatoren in plenaire vergadering goedgekeurd. Wij vermelden hier slechts de voornaamste van deze aanbevelingen (in die zin dat ze aanleiding hebben gegeven tot een controverse of een politiek debat):
• Aanbevelingen omtrent de snelle beschikbaarheid over een betrouwbaar meet-en detectienet voor radioactieve besmetting: het zogenaamde
173
Te weten: meetnetten en noodplannen, veiligheid van de kerninstallaties, veiligheid van het vervoer van kernstoffen, problematiek van het kernafval, ontmanteling van kerninstallaties, problematiek van kernafval bij kleine producenten, veiligheid van kerninstallaties (andere dan de kerncentrales). Voor een opsomming van alle besluiten en aanbevelingen verwijzen we naar het eindrapport van de ‘Tsjernobylcommissie’ (Gedr. St. van de Senaat, Doc. 113-26 (B.Z. 1991)); voor een samenvatting (en soms persoonlijk getinte opmerkingen) verwijzen we naar het artikel van dhr. Hatry (tevens lid van de ‘Tsjernobylcommissie’) in Govaerts et al. (1994, pp. 633-667).
TELERAD netwerk, dat na een periode van technische moeilijkheden nu wel operationeel lijkt te zijn;
174
Deze discussie is uiteraard van enorm belang in een dichtbevolkt land als België, zie ook de aanbeveling i.v.m. nucleaire veiligheid. In de Verenigde Staten wordt bvb. de ‘10 mile zone’ gehanteerd (16 km.); na het ongeval in Tsjernobyl werd een zone van 30 km. ontruimd. De toepassing van de NRC/AEC regels van de ‘10 mile zone’ is voor de stad Antwerpen nagenoeg onmogelijk door de evacuatiebeperkingen als gevolg van de ligging aan de Schelde, windafwaarts van de kerncentrale te Doel bij dominantie windrichtingen.
175
Men stelt voor eerst een milieueffectenrapport, een studie van de vestigingsplaats en een voorafgaand rapport aangaande de veiligheid op te stellen en te laten onderzoeken, alvorens over te gaan tot het verlenen van de klassieke ‘stedenbouwvergunning’.
worden gesloten”. Dit debat heeft in 1993 plaatsgevonden, echter niet nadat in 1991 nog een bijkomend (weliswaar opzegbaar) opwerkingscontract gesloten werd tussen Synatom en Cogéma.
4.2.2.1. België en het Verdrag van Londen
Vanaf het begin van de jaren ‘60 tot 1982 stortte België net als vele andere landen zijn laagactief afval in zee. In 1982 ondertekende het Belgische ministerie van energie vrijwillig het verdrag met betrekking tot de stopzetting van deze activiteiten, tegen het advies in van NIRAS-ONDRAF. Het nationale agentschap probeerde deze beslissing ongedaan te maken tot in 1993176 het definitieve verbod volgde en de kwestie niet langer een punt van discussie vormde (Baetslé 1989, p. 1-2).
4.2.2.2. De oprichting van NIRAS-ONDRAF (1980)
De ‘Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Splijtstof -Organisme National des Déchets Radioactifs et matières Fissiles’ (NIRAS-ONDRAF) werd in België in 1980 bij wet (8 augustus 1980) opgericht zodat de verwerking van radioactief afval bij één overheidsinstelling kwam te liggen die ook verantwoordelijk is voor het afvalbeleid op lange termijn. In 1981 legde een koninklijk besluit (K.B. 30/03/1981) de taak en doelstellingen177 van NIRAS-ONDRAF vast. Die werden vervolgens geamendeerd met een koninklijk besluit uit 1991 (K.B. 16/10/1991). Ook de naam van NIRASONDRAF werd in 1991 bij wet gewijzigd in ‘Nationale Instelling voor Radioactief Afval en verrijkte178 Splijtstof’ (NIRAS-ONDRAF 2001). Het nationale agentschap dat in 1980 werd opgericht, werd pas in 1989 echt operationeel. Tijdens die periode nam het SCK•CEN de afvalverwerking en –conditionering voor zijn rekening, met uitzondering van de Eurochemic-voorziening.
De taak van NIRAS-ONDRAF bestaat erin om de volledige verwerking van radioactief afval op zich te nemen, met inbegrip van de kwantitatieve en kwalitatieve inventarisatie van het geproduceerde radioactieve afval, het verwijderen en vervoeren, het conditioneren, het tijdelijk opslaan buiten de productie-eenheden en het beheer van radioactief afval op lange termijn (Detilleux 1984, p. 30). Daarnaast is NIRAS-ONDRAF ook betrokken bij ontmantelingactiviteiten, bij het beheer van historisch afval en van gebruikte splijtstof. NIRAS-ONDRAF krijgt dus voor de overheid de eigendomsoverdracht van langlevend afval waarvan de verantwoordelijkheid door industriële actoren over lange tijd niet kan verzekerd worden.
176
Pataer, P., Brief aan de senaat d.d. 7/2/1994.
177
Merk op dat er bij de doelstellingen geen sprake is van het voorkomen van afval.
178
De verantwoordelijkheid voor het opslaan van afgewerkt uranium in onhoudbare omstandigheden in Tricastin (11% België) is nog niet opgehelderd. Het was in de jaren ‘80 bestemd voor kweekreactoren.
De kosten voor de dienstverlening van NIRAS-ONDRAF worden vergoed179 door de afvalproducenten (op basis van het principe ‘de vervuiler betaalt’) en het agentschap mag sommige activiteiten aan derden uitbesteden. De eigen industriële activiteiten zijn in handen van dochteronderneming Belgoprocess. Voor onderzoek naar opslag en opberging van radioactief afval op lange termijn heeft NIRAS-ONDRAF het SCK•CEN ingeschakeld om een onderzoeksprogramma m.b.t. het opbergen van middel-en langlevend afval op te zetten.
Terwijl men aan een completere aanpak van afvalverwerking werkte, deed er zich in 1987 een incident voor dat een keerpunt betekent in de geschiedenis van de afvalverwerking in België: het Transnuklear afvalschandaal. De institutionele en regelgevende wijzigingen die op verschillende niveaus uit dit schandaal voortvloeiden gaven de aanzet voor een nieuwe aanpak m.b.t. de verwerking van afval in België.
4.2.2.3. Het Transnuklear schandaal (1987)
‘Transnuklear/TNH GmbH’ (een Duitse dochterfirma van de Duitse firma ‘NUKEM’ en de Franse groep ‘Transnucléaire’) was gespecialiseerd in het verwijderen en het transport van nucleair afval, voornamelijk voor de Duitse kerncentrales. De transporten voor conditionering en verbranding gebeurden voornamelijk naar de installaties van het SCK•CEN in Mol en naar Studsvik in Zweden. Na een ongeval met een vrachtwagen in Ham (Kwaad-Mechelen) in 1986, waarbij de boorddocumenten onjuist bleken te zijn, kwam in Duitsland het schandaal aan het licht nadat journalisten het bestaan van een zwart geld circuit in een televisieprogramma aan de kaak hadden gesteld. Dit programma, dat ook in België werd bekeken, had voor ophef gezorgd omdat niet alleen personen in Duitse kerncentrales steekpenningen hadden ontvangen (de zogenaamde “nuttige geschenken”), maar tevens personen van de ‘waste’-afdeling van het SCK•CEN.
Via een contract tussen TNH en de firma ‘Smet-Jet’ (geleid door dhr. Carlo Smet) werden belangrijke bedragen naar België getransfereerd, die dan naar privérekeningen werden versast. Smet-Jet ontving namelijk een identieke bestelling als het SCK•CEN (aan een eenheidsprijs voor de Duitse klanten van TNH), terwijl deze firma enkel handarbeid leverde bij het afladen en ook het industriële risico niet hoefde te dragen. Het SCK•CEN beschikte immers als enige over de nodige nucleaire vergunningen, de verbrandingsinstallaties, de knowhow, de fysische-en stralingscontrole, en de gekwalificeerde medewerkers.
179
Dit houdt in dat de onderzoeks-, investerings-en communicatieplannen (m.b.t. opberging van afval) van NIRASONDRAF aan het ‘Vast Technisch Comité -Comité Technique Permanent’ moeten worden voorgelegd. Hierin zetelen de afvalproducenten die het agentschap financieren (Electrabel, Synatom, Belgonucléaire en SCK•CEN). De raad van bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van de overheid onder toezicht van het ministerie van energie. Alle beslissingen van de raad moeten echter eerst door het Vast Technisch Comité worden goedgekeurd. NIRASONDRAF is dus in de praktijk eigenlijk geen onafhankelijk nationaal agentschap, maar een overheidsinstelling die op een participatieve manier bepaalde privé-taken van de afvalproducenten (die via het principe ‘de vervuiler betaalt’ verantwoordelijk is voor zijn afval) overneemt voor lange termijn beheer.
Teneinde het zwart geld circuit in leven te houden, werden de prijzen bewimpeld. Zelfs moeilijk of niet behandelbaar afval werd naar Mol gebracht. Nadat het schandaal aan het licht was gekomen, werd ook even gevreesd voor transporten van gevoelig materiaal naar Pakistan of Libië, maar dat bleek niet het geval. Het schandaal gaf aanleiding tot diepgaand onderzoek in het SCK•CEN waarbij de vakbonden en enkele beheerders een belangrijke rol speelden.
Zowel in België als in Duitsland werd door het Parket ingegrepen en werden individuele verantwoordelijken vervolgd. De Belgische actoren, dhr. Smet en dhr. Van de Voorde (het voormalige hoofd van de ‘waste’-afdeling van het SCK•CEN) werden op 3 oktober 1990 veroordeeld door de Correctionele Rechtbank te Turnhout. Tevoren waren zij echter ook verschenen voor een Belgische parlementaire onderzoekscommissie, waardoor zij zowel in hoger beroep in Antwerpen (dd. 30 januari 1992) als voor het Hof van Cassatie (dd. 6 mei 1993) buiten vervolging werden gesteld, op grond van de rechten van verdediging en het verbod op zelfincriminatie. Zij hadden namelijk voor de onderzoekscommissie de eed afgelegd. Dhr. Smet wordt nog steeds vervolgd op burgerlijk vlak en op 4 maart 2004 werd hij veroordeeld tot terugbetaling van 1.878.995 Euro door de Rechtbank van Koophandel te Turnhout.
Als gevolg van het Transnuklear-schandaal werden tevens onderzoeken gedaan door het Hoog Comité van Toezicht in België, wat de rol van het SCK•CEN betrof, en door het Europees Parlement met betrekking tot de veiligheid van de behandeling en het transport van nucleair afval in de Europese Gemeenschap. Het belangrijkste resultaat van dit laatste onderzoek was de Resolutie van het Europese Parlement van 6 juli 1988 waarbij het ‘nabijheidsbeginsel’ werd geponeerd (nucleair afval dient zo dichtbij als mogelijk bij de producent behandeld en gestockeerd te worden), alsook de functionele scheiding tussen nucleaire exploitanten en afvalbehandeling en -transport. Deze principes werden verder uitgewerkt in EU Directieven die het transport van nucleair afval over de grenzen van de Europese Unie strikt aan banden hebben gelegd, wat vanuit economisch oogpunt mee heeft geleid tot overcapaciteiten (zoals bij Belgoprocess) en inefficiëntie ingevolge de louter nationale organisatie van installaties voor conditionering, opslag en berging. Belgoprocess tracht nog steeds dit situatie te doorbreken en haar grote installaties beter te laten renderen, wat ook voor de Belgische sector een kostvermindering zou betekenen.
Zowel het Hoog Comité van Toezicht als de Correctionele Rechtbank in Turnhout hebben zich negatief uitgelaten over de rol van het SCK•CEN in het dossier TNH. Het zou zich bezondigd hebben aan “mismanagement” door zonder doeltreffende organisatie industriële activiteiten aan te gaan in een risicovolle sector. Alhoewel alleen de directeur-generaal van het SCK•CEN (dhr. Amelinckx) werd veroordeeld in Turnhout omwille van overtredingen van beperkte omvang op de veiligheidsvoorschriften (ARBIS), bleek het dossier vooral politiek geladen omdat gedurende 10 jaar een fraude met nucleair afval kon blijven functioneren zonder dat interne of externe controle de zaak aan het licht bracht. Hoewel NIRAS-ONDRAF op dat ogenblik reeds belast was met opdrachten rond afvalbeheer, heeft het slechts in 1989 de ‘waste’-site van het SCK•CEN volledig kunnen overnemen via Belgoprocess. Het cultuurverschil in de perceptie van het belang van nucleair afval als deel van de nucleaire cyclus wordt pas duidelijk als men de initiële aanleiding tot het aangaan van de TNH-contracten onderzoekt, namelijk het stopzetten van de zeedumping en de poging van enkele verantwoordelijke kaders op het SCK•CEN om van het afval een ‘business’ te maken.
Dhr. Amelinckx weigerde in beroep te gaan en nam de verantwoordelijkheid voor fouten van gezagsdragers boven en onder hem op (Cornelis et al. 1997, p. 160). Diverse beleidsverantwoordelijken werden dus niet ter verantwoording geroepen. De algemene beginselen van een oplossing voor de grote hoeveelheid te verwerken afval in Mol werden neergelegd in de zogenaamde ‘Töpfer Agreement’ (‘Gemeinsame Erklärung anlässlich des Treffens zwischen Bundesumweltminister Prof. Klaus Töpfer und dem Staatssekretär für Energiefragen Elie Deworme’, dd. 25 mei 1990). Op deze basis hebben de producenten van het afval, NUKEM/TNH, SCK•CEN en NIRAS-ONDRAF in 1993 nieuwe contracten kunnen sluiten om het afval terug te voeren en bleven de financiële gevolgen voor België uiteindelijk beperkt.
Op 26 oktober 1989 leverde ook de ‘Tsjernobyl-commissie’ (zie boven) haar rapport af inzake “Veiligheid en beveiliging van de transporten van kernmateriaal” met aanbevelingen die de bevoegdheden en de rol van NIRAS-ONDRAF moesten verduidelijken. Zowel de ‘Tsjernobyl-commissie’ als de parlementaire onderzoekscommissie die opgericht werd n.a.v. het Transnuklear-schandaal onderstreepten het belang van een onafhankelijk nucleair controleagentschap.
Het SCK•CEN ging in de periode 1987-1991 weliswaar door een diepe vertrouwenscrisis maar heeft loyaal met NIRAS-ONDRAF samengewerkt om de problemen uit het verleden op te lossen en om in de toekomst voor haar eigen afval met NIRAS-ONDRAF te handelen op wettelijke en contractuele basis. In 1988 werd een directeur-generaal aangesteld met een managementprofiel. Er werd in de periode 1988-1991 een grondige doorlichting gehouden van de afval-en veiligheidspraxis op het SCK•CEN, waarbij reorganisaties werden doorgevoerd met grotere prioriteit voor veiligheid en radioprotectie dan voorheen. De controle en het beheer van nucleair afval zal vanaf dan systematisch versterkt worden in België, en de afvalkosten worden systematisch in projecten gebudgetteerd, wat tot grote afvalreducties leidde en centrale inventarisatie toeliet. Anderzijds werd ‘site 2’ definitief overgedragen aan NIRAS-ONDRAF (Belgoprocess) en werden alle activiteiten die als valorisatie van SCK•CEN kunnen beschouwd worden op het vlak van materialen, milieu en energie aan de Vlaamse regering en aan VITO overgedragen.
De belangrijkste gevolgen van het TNH-schandaal, naast de juridische en de economische gevolgen zoals hoger beschreven, waren het feit dat de problematiek van het nucleair afval definitief op de politieke agenda was geplaatst, als een onopgelost probleem van de nucleaire energieopwekking. Tevoren was quasi alle aandacht gegaan naar de zware ongevallen (TMI, Tsjernobyl, …). Het uitbreken van het afvalschandaal vlak na het ongeval te Tsjernobyl had een nefaste impact op het imago van de nucleaire sector. Het afvalschandaal werd uitvoerig becommentarieerd in zowel de nationale als de internationale media. De structurele veranderingen op het SCK•CEN en het ontslag van bestuursleden die betrokken waren in het afvalschandaal herstelden in zekere mate het vertrouwen.
Bovendien gebeurde het schandaal in een periode van toenemende mediatisering van de politiek, en in casu gaf dit aan oppositiepartijen (vooral de ‘groene’ partijen) en NGO’s een publieke tribune. De voormalige politiek secretaris van AGALEV en Kempisch politicus, dhr. Gysels, linkt dit schandaal trouwens in een recent interview180 aan het verloop van zijn carrière.
4.2.2.4. SAFIR 1 (1974-1989)
Algemeen dient gesteld te worden dat de problematiek van het hoog-en middelactieve afval in België nog geen aanleiding heeft gegeven tot een diepgaand en breed maatschappelijk debat – dit debat beperkt zich voorlopig vooral tot de kring van betrokken experts en instellingen. De mogelijke opties voor de berging van dit afval bevinden zich nog steeds in een fase van fundamenteel onderzoek.
In België koos men in 1974 voor de Boomse kleiputten in de buurt van Mol-Dessel als testlocatie. Er werd nagegaan of de locatie voor opberging in aanmerking kwam en of het gesteente geschikt was om op lange termijn als barrière te fungeren voor afval dat niet voor oppervlakteberging in aanmerking komt. De Boomse kleilaag beschikt over heel wat van de vereiste eigenschappen om als bergingsformatie in aanmerking te komen.
In het kader van het onderzoek naar de opberging van hoogactief afval nam België deel aan het Europese PAGIS-project (‘Performance assessment of geological isolation systems for radioactive waste management’ – Prestatiebeoordeling van geologische isolatie) dat gecoördineerd werd vanuit het gemeenschappelijk centrum voor onderzoek van de EG in Ispra (Italië). Het project onderzoekt de geologische isolatie-eigenschappen van vier Europese gesteenten: klei, zout, kristallijn gesteente en diep ondergrondse zeebeddingen. De prestatiebeoordeling omvat scenariokeuze en analyse, berekening van de beste omstandigheden, analyse van de gevoeligheid van computermodellen en onzekerheidsanalyse (Cadelli et al. 1988).
180
Dhr. Geysels probeerde al langer het vraagstuk van het kernafval op de politieke agenda te plaatsen; het Transnuklear afvalschandaal bood hem de gelegenheid om de standpunten van zijn partij (AGALEV) omtrent het beheer van het kernafval in de schijnwerpers te brengen – zie De Standaad (2/5/2004), “Ik ben niet malcontent. De tien gebeurtenissen die Jos Gysels hebben veranderd”.
Daarnaast verzocht NIRAS-ONDRAF aan SCK•CEN en Belgatom181 een ‘Safety Assessment and Feasibility Interim Report’ (SAFIR) over de berging in klei van middel-en hoogactief afval op te stellen. Het rapport werd in mei 1989 aan de staatssecretaris voor energie overhandigd en gaf een eerste beoordeling van de eigenschappen van de Boomse kleilaag als barrière voor de opberging van dat afval. Om de veiligheidsaspecten te beoordelen gebruikt men een standaardmethode (beoordeling van scenario’s, verwachte dosisanalyse en risicoanalyse).
Kort na overhandiging van het rapport in 1989 werd er een internationale wetenschappelijke evaluatiecommissie opgericht om de voortgang van het SAFIRonderzoek opnieuw te bekijken. De commissie formuleerde tal van aanbevelingen: overwegen van alternatieve opbergingconcepten, definiëren van de bronterm met inbegrip van de chemische en chemisch-toxische beschrijving van het afval zelf, inschatten van de mogelijke impact van organische bestanddelen in het afval op het opbergsysteem; en uitbreiden van het onderzoek naar gebruikte splijtstof en een opbergsysteem voor afgewerkte MOX-brandstof (Vansant 1995).
Oud VUB-rector prof. Van Geen (afgevaardigd bestuurder en later voorzitter van het SCK•CEN) heeft ook de evolutie van de diepgeologische nucleaire afvalresearch in klei beïnvloed naar aanleiding van het SAFIR-rapport. Tijdens de SAFIR-discussie over diepgeologische berging van nucleair afval, moedigde prof. Van Geen de brede kritische analyse aan van de problemen die absolute klaarheid vereisten. Men was op de hoogte van een IAEA-doorlichting van de Engelse nucleaire afvalaanpak. Hieruit bleek dat mogelijke gas-en complexvorming met actiniden aandacht vereisten. De transfer van radioactieve isotopen naar het milieu kon hierdoor versneld worden. Ook de niet te verwaarlozen klassieke pollutieproblemen van zware metalen bij nucleaire afvalberging verdienden volgens hem aandacht.
Prof. Van Geen en ook dhr. Bonne (het huidige hoofd van de divisie nucleair afval van het IAEA) ondertekenden in 1990 een kritisch technology assessment rapport over SAFIR dat voorgesteld werd op een Europese technology assessment conferentie onder leiding van Ricardo Petrella in Milaan. Het rapport pleitte voor meer vrij onderzoek (Eggermont et al. 1990): “…an unacceptable decrease of fundamental research in hydrogeology and geology because of lack of interest by waste producers financing such research. (...) The history of nuclear waste technology assessment in a democratic information society with increasing risk perception is pointing out that waste prevention is the unavoidable objective of new advanced nuclear technology developments. Waste elimination and actinide reduction technologies, even transmutation, are gaining importance again…”.
181
Belgatom wordt in 1978 opgericht als adviesbureau voor de Belgische nucleaire industrie m.b.t. architectuur en constructie. Tractebel en Belgonucléaire zijn aandeelhouders.
Ook hier hebben we ervoor gekozen de argumentatiescenario’s op een iets andere manier weer te geven. Enerzijds wezen we er reeds op dat de argumenten gebaseerd op ‘principes van een democratische politiek’ zeer geleidelijk (en vaak enkel op papier) hun ingang vinden in de officiële institutionele structuren. Wat niet wegneemt dat bvb. de kritiek op de invloed van de elektriciteitsmaatschappijen en machtige multinationale ondernemingen op de Belgische energiepolitiek (via het CCEG, de steeds verdere uitbreiding van het systeem van de gemengde intercommunales, de aanwezigheid van een sterke lobby van de georganiseerde nucleaire industrie in regeringskringen, enz.) onverminderd van kracht182 blijven. In dit systeem werden dan ook voorlopig geen fundamentele veranderingen aangebracht, hoewel de impact van de liberalisering van de Europese elektriciteitsmarkt vanaf ongeveer 1988 voor het eerst werd aangekaart (Verbruggen et al. 1988b). De meningen van verschillende actoren over de reële invloed van het NCE (dat moest voorzien in een ruimer maatschappelijk overleg) lijken op zijn minst verdeeld (zie interviews – het NCE had zelf had geen formele beslissingsbevoegdheid, maar bood wel een wettelijk verplicht forum voor het publieke onderzoek van de uitrustingsplannen). Ook andere pogingen, met name het oprichten van een ontmantelingfonds bij de elektriciteitsproducenten, het uitbouwen van NIRAS-ONDRAF, het optrekken van de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie183, het oprichten van de diensten DBIS/DTVK en de interministeriële commissie, enz. worden vaak bekritiseerd als onvoldoende (voor wat betreft de voorziene geldmiddelen, aanwezige expertise, reële slagkracht, enz. – zie boven)184.
Anderzijds wordt de ‘technisch-economische’ argumentatie rond een mogelijke uitbreiding van het Belgische kernpark onverminderd verder gezet, echter met belangrijke accentverschuivingen. Zo vormt de vestigingsproblematiek niet zozeer meer een focus in het debat185, en konden de argumenten voor een ‘meer integrale vraag-en aanbodgerichte aanpak’ van het energiebeleid nu rekenen op specifiek voor de Belgische situatie ontwikkelde expertise (o.a. in het kader van het nationale
182
Zie bvb. een overzichtsartikel in Trends (3 februari 1994) “Privé-klub. Kontrole op zijn Belgisch”. Voor een grondige politiek-economische analyse, zie Bosman en Proost (1981). Ook het International Energy Agency (IEA 2001) heeft in zijn rapport over het Belgische energiebeleid kritiek op deze corporatistische overlegstructuur. Tijdens de debatten in het NCE bekritiseren de vakbondsorganisaties ABVV en ACV herhaaldelijk de bestaande toestand. Men wijst bvb. op het gevaar dat de elektriciteitssector in de uitrustingsplannen de toekomstvooruitzichten zodanig zou opstellen dat ze hun eigen belangen (of deze van de financiële holdings waartoe ze behoorden) ten goede zouden komen.
183
De wet van 12 juli 1985 voorzag in het optrekken van het maximumbedrag waarvoor de exploitant aansprakelijk
is tot 4 miljard BEF (100 MEuro). 184
Zie bvb. de persconferentie “Les manquements du controle du nucléaire en Belgique” georganiseerd door de socialistische parlementairen op 14 januari 1988.
185
Hoewel de actualisering van het ‘rapport der Wijzen’ in 1982 nog steeds de mogelijkheid van de bouw van kerneilanden voor de Belgische kust onderzocht, is het, gezien de toenmalige belangen van de kernenergielobby bij de spoedige bouw van nieuwe kerneenheden, eerder onwaarschijnlijk dat deze mogelijkheid nog serieus werd overwogen (voor de nabije toekomst). De keuze voor Doel als vestigingsplaats voor de nieuwe centrale lijkt dit te bevestigen.
R&D programma ‘Energie’), wat een aanzienlijke verdieping in de argumentatie teweeg brengt. Wij kozen ervoor om deze argumentatie te belichten aan de hand van de discussies die in de jaren ‘80 plaatsvonden tijdens de hoorzittingen in het NCE, omdat deze o.i. het breedste spectrum aan standpunten toelieten186 . Argumenten rond de veiligheid van de kerncyclus en de afvalberging behandelen we apart. Deze kwamen weliswaar aan bod in het NCE, maar werden vooral doorkruist door gebeurtenissen op het terrein met impact op de publieke en politieke opinie. Het ontbreken van sterke regulerende instanties (FANC-AFCN, NIRAS-ONDRAF) heeft waarschijnlijk het vertrouwen van de publieke opinie in de overheid gehypothekeerd en zorgde voor een verschuiving van het politieke debat naar structurele maatregelen om het de facto grote Belgische nucleaire programma beter te beheersen alvorens een verdere uitbouw kon overwogen worden.
Argumenten opgebouwd rond ‘een culturele utopie’ komen binnen de institutionele overlegstructuren (waar ook de anti-kernenergiebeweging meer aansluiting bij ging zoeken – zie boven) uiteraard minder (of niet meer) aan bod, wat uiteraard niet wil zeggen dat deze argumenten niet langer deel uitmaakten van de motivatie van bepaalde actoren in het debat.
4.3.1.1. Nucleaire veiligheid
Naar aanleiding van de ongevallen in TMI en Tsjernobyl heeft o.i. een snelle consolidatie (en polarisatie) plaatsgevonden tussen argumenten van ‘voorstanders’ en ‘tegenstanders’, die tot op heden blijft voortduren. Niettemin kan het nuttig zijn enige verheldering te brengen in de verschillende benaderingen.
Wat betreft het ongeval in Tsjernobyl argumenteren de ‘voorstanders’ dat dergelijke ongevalsequentie in België ondenkbaar is (zie boven). Met betrekking tot het ongeval in TMI wijst men er vooreerst op dat het veiligheidsomhulsel stand heeft gehouden – een bewijs dat de veiligheidsfilosofie gebaseerd op het ‘defense in depth’ principe wel degelijk werkt. Bovendien wordt gewezen op de talrijke lessen die getrokken werden n.a.v. TMI (wat betreft nieuwe uitrustingen, verbetering van bestaande uitrustingen, nieuwe studies, informatie-uitwisseling, opleiding van reactoroperatoren, organisatie, noodplanning, enz. – zie boven). Algemeen concludeert men binnen deze argumentatie dan ook (nog steeds) dat “…een belangrijk ongeval enkel kan gebeuren ingevolge opeenvolgende en los van elkaar staande defecten, waarvan het bijzonder weinig waarschijnlijk is dat zij zullen voorkomen. (…) De gevolgen, in bepaalde erg onwaarschijnlijke omstandigheden, kunnen zeer ernstig zijn. Uit de huidige kwantitatieve studiën blijkt echter dat, in verhouding tot de andere risico’s die de moderne maatschappij aanvaardt, de hier ter sprake gekomen risico’s beperkt zijn...” (Commissie van Beraad 1982, p. V-11).
186
Zo stelt een woordvoerder van het ACV bij de eerste bespreking van een uitrustingsplan (1981-1991) in het NCE dat “…de raadpleging van het Nationaal Comité voor Energie omtrent het uitrustingsplan inzake productiemiddelen en vervoer van elektriciteit is van het allergrootste belang voor het ACV. Het is immers de eerste keer dat elementen die te maken hebben met het sectorieel beleid in een algeheel energiebeleid kunnen worden opgenomen – een eis waarvoor het ACV al een aantal jaren opkomt.”
Anderzijds bleek wel dat de ‘defense in depth’ filosofie niet was doorgetrokken voor alle installaties (opslag van bestraalde brandstof in Doel 1+2, opslag van brandstofstaven bestemd voor opwerking in La Hague, onderzoeksreactoren).
De ‘tegenstanders’187 geven weliswaar toe dat dergelijke PSA-studies hun nut kunnen bewijzen om aan optimalisatie te doen bij ontwerp, constructie, exploitatie en veiligheidsanalyse (evt. vergelijkend tussen verschillende reactortypes), maar niet om op het niveau van het algemene energiebeleid van een land uitspraken te doen over de wenselijkheid van de nucleaire optie op zich. Het gaat hier dus om het verschil tussen een ‘ontwikkelingsproblematiek’ (m.a.w. de vraag of de kernenergie verder ontwikkeld moet worden) en een ‘inrichtingsproblematiek’ (m.a.w. de vraag omtrent de te treffen veiligheidsvoorzieningen in reeds bestaande kerneenheden en de ganse splijtstofcyclus), waar binnen deze argumentatie duidelijk onderscheiden beslissingsregels voor moeten gelden. Voor de ‘tegenstanders’ is het punt niet dat één bepaalde reactor veilig kan bedreven worden; het punt is dat honderden reactoren wereldwijd, onder zeer verschillende politieke en sociale omstandigheden, veilig moeten bedreven worden. Bovendien zijn ongevallen in kerncentrales niet te vergelijken met andere (chemische) risico’s, vermits de gevolgen zowel een veel ruimere verspreiding in de ruimte als in de tijd kunnen hebben.
De ‘tegenstanders’ argumenteren eveneens dat de resultaten van de PSA-studies (in termen van de frequentie van kernsmeltongevallen met ernstige gevolgen voor mens en milieu) onvermijdelijk omgeven worden door grote onzekerheidsintervallen (de Nederlandse gezondheidsraad spreekt van een factor 10 tot 100 -zie Gezondheidsraad 1989, p. 8), en dit omwille van onvermijdelijke statistische onzekerheden (bvb. de kans op het doorbreken van het veiligheidsomhulsel). TMI en Tsjernobyl hebben aangetoond dat zware ongevallen een gevolg zijn van menselijk of organisatorisch falen, en deze factoren kunnen nu net bijzonder moeilijk geïntegreerd worden in kwantitatieve studies zoals PSA188. Eveneens wordt voor een land als België (met een grote bevolkingsdichtheid op een kleine oppervlakte) gewezen op de nauwe samenhang tussen de ‘ontwikkelingsproblematiek’ en de ‘vestigingsproblematiek’. De gevolgen van een ernstig ongeval in een Belgische kerncentrale zouden, in het licht van de bevolkingsdichtheid (en de industriële activiteiten) in de buurt van de centrales, simpelweg niet te overzien zijn.
Vermelden we hier overigens ook nog een mogelijke ‘derde weg’, die een meer effectieve controle op de nucleaire sector bepleit. Deze ‘derde weg’ werd in de voorgaande paragrafen reeds herhaalde malen aangehaald. Een zeer coherente uitwerking van dergelijke argumentatie vinden we bvb. in een wetsvoorstel van 1988 tot oprichting van een ‘Instituut voor Nucleaire Veiligheid en Gezondheid’ (INVEG)189, ingediend door dhr. De Batselier. In zijn toelichting schetst De Batselier de
187
Voor een goede samenvatting van de gebruikte argumenten, zie bvb. Greenpeace 1993. 188
Cfr. de conclusies van de recent georganiseerde FISA conferentie omtrent de vorderingen van het Europese onderzoek (EC Framework 6) naar reactorveiligheid. Vooral organisatorisch falen blijkt zeer moeilijk te integreren in PSA-studies; onderzoek naar menselijke fouten is reeds in een verder gevorderd stadium.
189
Parl. St. Kamer van Volksvertegenwoordigers, Doc. 299-1 (1988), 28p.
controversiële context van nucleaire incidenten met gebrekkige beleidsaanpak en communicatie. Hij onderlijnt de nood aan efficiëntie en onafhankelijke controleorganen, ook in het licht van het Transnuklear afvalschandaal. Vervolgens situeert hij de specifieke kwetsbare context van België met grote nucleaire bedrijfsconcentratie en transporten. Het SCK•CEN wordt te veel als promotor van kernenergie gezien om als onafhankelijke overheidsexpert te kunnen fungeren. Gegeven de goed georganiseerde nucleaire sector moest de overheid zich volgens dhr. De Batselier beter uitrusten om een “...uitholling van de democratie...” te voorkomen. Er wordt niet gepleit voor een technocratische uitbouw noch voor afwijzing van technologie maar voor geëigende studies om kernenergie democratisch te beheren, met een duidelijke scheiding van belangen en controlefuncties. INVEG moest informerende en adviserende bevoegdheid krijgen naar de overheid toe en coördinerend zowel als oriënterend optreden op het gebied van onderzoek i.v.m. risico’s. INVEG zou toegang hebben tot alle info en sites. De overheid zou verplicht worden gemotiveerd advies in te nemen bij INVEG bij alle nucleaire initiatieven en medewerking verlenen aan mandatarissen190.
Samengevat kunnen we dus grosso modo drie standpunten onderscheiden. Het eerste perspectief (de ‘voorstanders’) pleit voor verdere uitbreiding van kernenergie met effectieve zelfregulering. De ‘tegenstanders’ menen dat de demonstratie van een wereldwijde pollutie (Tsjernobyl) met grootschalige evacuatie en onbewoonbaarheid van aanzienlijke gebieden naast het nog onopgeloste afvalprobleem voldoende zijn om het kernenergieprogramma af te bouwen. Dit leidt (al naargelang de inschatting van de politieke haalbaarheid van de conclusie) tot ofwel het afwijzen van een verdere uitbreiding van het kernpark (VAKS, jaren ‘80), of een pleidooi voor een kernuitstap (Greenpeace, jaren ‘90). Een ‘derde weg’ bepleit een effectieve organisatie van de sector als prioritaire maatregel.
4.3.1.2. Het technisch-economische debat (in het NCE)
De ‘voorstanders’ van nieuwe kerneenheden in België (doorgaans de elektriciteitsproducenten verenigd in het BCEO, bijgestaan door het VBO en middenstandsorganisaties) argumenteren in de opeenvolgende uitrustingsplannen (van 1981 tot 1988) de noodzaak van (een) nieuwe kerncentrale(s)191. In deze uitrustingsplannen ging men uit van een verwachte groei van de elektriciteitsvraag192 over de planningshorizon van 10 jaar (op basis van bepaalde hypothesen omtrent de algemene economische groei), naast eventuele hypothesen i.v.m. de evolutie van de
190
N.B. Het voorgestelde instituut vertoont naar beheersvorm toe gelijkenissen met viWTA maar dan op specifiek
nucleair vlak. 191
In 1981 en 1982 werden twee in België te bouwen eenheden aanbevolen (horizon 1990-1991); vanaf 1983 werd de participatie in Chooz B1+B2 ingecalculeerd, zodat slechts één bijkomende centrale (in volledige Belgische eigendom) op Belgische grond werd voorzien (N8) (horizon 1993); in 1985 werd de voorziene participatie van EDF in N8 ingecalculeerd (wat dus een halvering van het ingecalculeerde nucleaire vermogen inhield – beschikbaar in 1995); in 1988 tenslotte werd opnieuw (en voor de laatste keer) de bouw van een volledige nieuwe (Belgische) kerncentrale voorgesteld (naast de participatie in Chooz B1+B2), ditmaal aanbevolen voor 1997.
192
Ter illustratie: in 1981 werden twee groeiscenario’s onderzocht (3,4% en 4,4%), in 1985 werden drie groeiscenario’s onderzocht (1,5% -2,5% en 3,5%), en in 1988 opnieuw (1,5% -2,5% en 3,5%). De aanvankelijk zeer optimistische inschattingen werden dus duidelijk in de loop van de jaren naar beneden toe bijgesteld.
brandstofprijzen en/of de dollarkoers. Vervolgens werden de productie-eenheden in rekening gebracht die in staat moesten zijn om aan de verwachte elektriciteitsvraag te voldoen193, rekening houdend met de verwachte bouwtermijnen. Hierbij hield men zich steeds aan een veiligheidscriterium, nl. dat de totale waarschijnlijke duur gedurende dewelke het productiepark niet in staat zou zijn om de volledige elektriciteitsvraag te verzekeren, beperkt zou zijn. Daarbij is het van belang “…zich nooit te vergissen door onderschatting; door onderschatting ontstaat immers het risico dat men op een zeker ogenblik niet meer in staat is onmisbare elektriciteit te leveren aan de ondernemingen en aan de andere verbruikers…” (Labrique en Klees 1982, p. 40). De vaststelling dat een ruim aanbod van elektriciteit belangrijk is voor een industriële samenleving leidt in deze redenering tot het besluit dat een toenemend aanbod ervan ‘onmisbaar’ moet geacht worden. Bij de voorstelling van de uitrustingsplannen wordt voor wat betreft de kernenergie onveranderlijk gewezen op de ‘hoogdringendheid’ van een beslissing, en op de gevolgen van ‘politieke besluitloosheid’ (wat betreft tewerkstelling, impact op de betalingsbalans, en kostprijs van de elektriciteit). Aan decentrale productie-eenheden werd doorgaans slechts een zeer beperkte rol toebedeeld (tot maximaal 220 MWe in het uitrustingsplan 1988-1998).
Tegenover deze standpunten namen andere partners (vooral het ACV en het ABVV, die een katalyserende rol speelden in de debatten) in het NCE vaak een kritische houding aan. Hierbij steunden ze vooral op de onafhankelijke analyses van de DPWB-onderzoeksgroepen en het Planbureau. Over het algemeen waren de vakbondsorganisaties ACV en ABVV tijdens deze debatten de mening toegedaan dat de regering niet kon besluiten tot een uitbreiding van de nucleaire productie zolang er geen daadwerkelijk beleid inzake rationeel energiegebruik194, bevordering van de Belgische steenkoolproductie (in de eerste helft van de jaren ‘80) en investeringen in stadsverwarming en coproductie van warmte en elektriciteit (WKK) werd gevoerd. Analytisch gezien valt de argumentatie van de ‘tegenstanders’ van een verdere uitbreiding van het kernpark in drie deelargumentaties uiteen.
Ten eerste werden vraagtekens geplaatst bij de groeiverwachtingen die de elektriciteitssector vooropstelde -met een navenante impact op de timing van de vooropgestelde investeringsbeslissingen. De reële groei van de elektriciteitsvraag bleek immers achteraf dikwijls af te wijken van de exponentiële prognoses, en bovendien werden deze prognoses soms op korte termijn grondig (naar beneden toe) herzien195. Dit gegeven onderstreept voor ‘de tegenstanders’ het belang van grondige studies naar de verwachte elektriciteitsvraag (eerder dan het toepassen van
193
In 1981 waren dit klassieke steenkoolcentrales (300 of 600 MWe) en nucleaire eenheden (1300 MWe); in 1985 hield men, naast de nucleaire eenheden, o.w.v. strengere milieunormen enkel nog rekening met wervelbedcentrales op steenkool (105 MWe); in 1988 rekende men, naast wervelbedcentrales en nucleaire eenheden, voor het eerst op STEG centrales (300 MWe).
194
D.m.v. informatiecampagnes, afschaffing van degressieve tarieven voor huishoudelijk verbruik, toezicht op informatiecampagnes van de elektriciteitsmaatschappijen, enz. Men pleitte voor een duidelijk plan met vooropgestelde verifieerbare doelstellingen.
195
Zo voorspelde men in 1978 een elektriciteitsvraag van 77.300 GWh in 1990. In 1983 was deze prognose gedaald tot 56.800 GWh. Het verschil (20.500 GWh) komt overeen met de totale jaarproductie van het hele kernpark te Doel in het midden van de jaren ‘80 (Verbruggen 1986, p. 315).
een eenvoudige extrapolatie op basis van historische gegevens). Zulke vraagstudies zouden inzicht moeten geven in de opsplitsing van de elektriciteitsvraag naar aanwending (bvb. drijfkracht, verlichting, enz.) en verbruikssector (huishoudelijk, tertiair, industrieel, enz.). Op zijn beurt zou dergelijke opsplitsing inzichten verschaffen omtrent de inzet en de mogelijke impact van beleidsmaatregelen om de elektriciteitsvraag te beïnvloeden, en omtrent het gedeelte van de elektriciteitsvraag die door decentrale opwekking zou kunnen gedekt worden. Bovendien bekritiseerde men de ‘top-down’ benadering van de elektriciteitsvraag door de elektriciteitsproducenten, die de vraag naar elektriciteit als een exogene variabele voorstelde, terwijl feitelijke keuzemogelijkheden hierdoor op een eerder slinkse manier verborgen bleven. Zo werd de promotie van elektrische verwarming en elektrische waterverwarmers door de elektriciteitsproducenten (die de penetratie van kerncentrales in het productiepark vergemakkelijken door de nachtelijke elektriciteitsvraag te stimuleren) op de korrel genomen, en aangevuld met de eis dat elektriciteit tot haar specifieke aanwendingen moest beperkt worden. Men pleitte voor een beheersing van het piekverbruik aan elektriciteit, vermits de benodigde capaciteit aan productiemiddelen bepaald werd op basis van een reservemarge bovenop dit piekverbruik. Vanuit het standpunt van een globaal energiebeleid moest overcapaciteit in de elektriciteitssector absoluut vermeden worden196, vermits dit zou leiden tot de bovenvermelde promotie van elektriciteit als vector voor niet-specifieke toepassingen. Verbruggen (1982) stelt dat door enkel de verwachte waarde van de economische parameters (groei BNP, groei elektriciteitsvraag) te beschouwen197, de (dikwijls significante) invloed van afwijkende situaties onderschat wordt. Hij karakteriseert de uitrustingsplanning als een typisch vraagstuk van ‘beslissen onder onzekerheid’, en bijgevolg luidt zijn conclusie: “…Belangrijker dan de mathematische modellen en hun ingebouwde eigenschappen is de wijze waarop deze modellen aangewend worden in het beslissingsproces. Wanneer men een economisch en maatschappelijk belangrijke beslissing onderzoekt, is het noodzakelijk een breed spectrum van toekomstscenario’s te vermenigvuldigen met een breed spectrum aan beleidsopties, zodat men over een ruim veld van uitkomsten beschikt waaruit men dan op systematische wijze de beste kan kiezen. De neergelegde uitrustingsplannen zijn zeer beperkt zowel qua uitkomsten als qua verantwoording van de gehanteerde gegevens…” (Verbruggen 1986, p. 315).
Ten tweede werd de elektriciteitsproducenten op het gebied van de aanbodsopties verweten dat zij in de uitrustingsplannen de nucleaire optie op een systematische manier bevoordeelden t.o.v. andere opties. Zo argumenteerde men dat bvb. de investeringskosten voor kerncentrales, de kosten voor de berging van bestraalde splijtstof, kosten van opwerking, enz., systematisch onderschat werden; terwijl de kosten van andere opties (bvb. steenkoolcentrales) hoger voorgesteld werden, vooral in vergelijking met buitenlandse gegevens (zie bvb. Erreygers 1984). Regelmatig
196
De reservemarge van het Belgische productievermogen steeg van 30,9% (in 1980) tot 58,8% (in 1985), ten gevolge van de indienstneming van Doel 3+4 en Tihange 2+3 (Verbruggen 1986, p. 307).
197
De opeenvolgende uitrustingsplannen onderzochten meestal een drietal groeiscenario’s voor de elektriciteitsvraag, waarvan één als ‘het meest waarschijnlijke’ scenario naar voren werd geschoven.
werden studies aangehaald (vaak uitgevoerd in het kader van het nationale R&D programma ‘Energie’) die de economische aantrekkelijkheid van stadsverwarming en WKK in de verf zetten (zie bvb.voor een beknopt overzicht Consensus 1982, No. 1). Voor het gebrek aan belangstelling voor deze technologieën wees men institutionele oorzaken aan (zie ook Verbruggen 1988a). Tevens pleitte men ervoor om, in het licht van de onzekerheden (wat betreft energievraag, brandstofprijzen, enz.) vooral ‘soepele’ oplossingen in overweging te nemen, t.t.z. productiemiddelen met korte bouwtijd en moduleerbare belasting (wat duidelijk in het nadeel van kernenergie werkt).
Tenslotte wezen de ‘tegenstanders’ van een verdere uitbreiding van het kernpark in België erop dat de gevolgen van de voorgestelde investeringsbeslissingen in de uitrustingsplannen niet op een systematische en transparante manier geëvalueerd werden, vooral voor wat betreft de milieu-impacts, de industriële gevolgen (werkgelegenheid e.a.), de diversificatie van de elektriciteitsproductie, de prijs voor de consumenten, en de gevolgen voor de Belgische handelsbalans.
Samengevat werden binnen deze argumentatie in de jaren ‘80 geen doorslaggevende redenen gezien om over te gaan tot de bouw van nieuwe kerncentrales. De aldus vrijgekomen financiële middelen konden volgens deze groep door de elektriciteitsproducenten beter aangewend worden in de bouw van kleinschaliger WKK-installaties (evt. gekoppeld aan warmtedistributienetten); steenkoolcentrales en, op het einde van de jaren ‘80, STEG-centrales; rookgaswassing van fossiele centrales (met voldoende overblijvende levensduur, minstens 10 jaar); en eventueel de levensduurverlenging van de beste fossiele centrales (Verbruggen et al. 1988b).
4.3.2.1. Dumping van laagradioactief afval
Zoals boven vermeld dumpte België tot en met 1982 (net als vele andere landen) laagradioactief afval in zee. Deze praktijk (en de politieke aanvaarding ervan) was gestoeld op volgende hypothesen (Proost 1981, pp. 19-20):
De dumping van laagradioactief afval werd, net als andere praktijken die te maken hebben met blootstelling aan ioniserende straling, onderworpen aan het principe van justificatie (d.i. aantonen dat de praktijk verantwoord is, bvb. door een kosten-baten-analyse in vergelijking met oppervlakteberging) en het ALARA-principe (d.i. aantonen dat de blootstelling aan ioniserende straling ‘zo laag als redelijkerwijs’ mogelijk gehouden wordt). Zo werd bvb. geargumenteerd dat de zeedumping van laagradioactief afval in vergelijking met de oppervlakteberging de mens (de meest kritieke groep) blootstelde aan lagere stralingsdoses;
De mens kan zonder onaanvaardbare gevolgen blootgesteld worden aan een beperkte stralingsdosis (de zogenaamde stralingslimieten voor de meest blootgestelde of kritische groep van mensen);
De beperkingen die opgelegd werden gingen uit van de hypothese dat er gedurende zeer lange tijd afval zou gedumpt worden in zee (de concentratie van langlevende isotopen mocht oplopen tot een maximumwaarde die overeenstemde met een evenwicht tussen de afname van radioactiviteit als gevolg van natuurlijk verval en de toename als gevolg van voortdurende dumping);
De evaluatie van de maximum toelaatbare concentraties van radio-isotopen in zeewater steunde op een antropocentrische benadering van stralingsbescherming (volgens het ICRP-principe ‘mankind is enough protected if man is’): een evaluatie van de meest belangrijke wegen via dewelke de mens zou kunnen blootgesteld worden aan straling (op basis van een analyse van de fysische – bvb. baden, drinken van ontzilt zeewater – en biologische – bvb. opname in zee-organismen en latere consumptie – wegen die het verspreiden of concentreren van radio-isotopen bepaalden). Hiervoor steunde men op hypothesen en modellen (bvb. dispersiemodellen) die periodiek getoetst werden;
De eisen inzake conditionering en verpakking van afval waren zodanig dat het afval door voldoende gewicht kon zinken zonder dat tijdens het dumpen radioactieve stoffen zouden vrijkomen. De dispersieberekeningen hielden rekening met een onmiddellijke dispersie van zodra het afval de zeebodem bereikte (een conservatieve hypothese, vermits de radio-isotopen gespreid over een langere periode uitloogden). De verpakking had dus op zichzelf geen veiligheidsfunctie.
Tegenstanders (o.a. milieuorganisaties) vonden deze praktijk onaanvaardbaar. Hun kritiek was gestoeld op de onaanvaardbaarheid van de louter antropocentrische benadering van de stralingsbescherming toegespitst op de problematiek van het radioactieve afval; de onomkeerbaarheid van de dumpingpraktijk (onmogelijkheid van het zuiveren van het zeewater of het terughalen van gedumpte vaten) en de onzekerheid omtrent de blootstellingsmechanismen aan straling (bvb. voor wat betreft de gebruikte dispersiemodellen), en de ermee samenhangende onmogelijkheid tot controle van de reeds gedumpte vaten.
4.3.2.2. Berging van laagradioactief afval
Als gevolg van het moratorium op het dumpen van laagactief afval in zee, kwam aan het eind van de jaren ‘80 het debat over de keuze van opslagplaatsen voor laagradioactief afval op gang. In de media verschenen artikels over lokalisatiestudies waartoe NIRAS-ONDRAF de opdracht had gegeven. Zo leidde in 1987 een artikel198 in ‘Het Volk’ tot een hevige reactie van de plaatselijke actiegroep ‘SOS
198
Het Volk (20/111987), “NIRAS wil kernafval in “bovengrondse sites” bergen”.
Lovaart & Hinterland’ (SOS Lovaart & Hinterland 1988). De groep organiseerde debatavonden199 en na een gesprek van de burgemeester en de actiegroep met de toenmalige staatssecretaris voor energie, dhr. Aerts, werd de optie Lo-Reninge uiteindelijk geschrapt200. Dit gegeven toont aan welke reacties men in heel België mocht verwachten wanneer NIRAS-ONDRAF in 1994 verslag uitbracht over een lijst met mogelijke opslagplaatsen voor laagactief afval. In deel 5 van deze studie wordt uitgebreid aandacht besteed aan deze kwestie. Deze episode aan het einde van de jaren ’80 is ook de aanleiding geweest voor een standpuntbepaling omtrent de inzet van kernenergie door het bisdom van Brugge, die de opdracht gaf aan een
201
‘Werkgroep Ethiek en Kernenergiom na te denken over de (kern)energie-problematiek en een christelijk geïnspireerde visie te formuleren. De werkgroep komt tot de conclusie dat de inzet van kernenergie verantwoord is, op voorwaarde dat de strengste veiligheidsvoorschriften in acht worden genomen. Tevens wordt de nadruk gelegd op het belang van rationeel energiegebruik en het ontwikkelen van alternatieve energiebronnen, maar deze opties zouden slechts de energieproblemen die gesteld worden door een groeiende wereldbevolking en een stijgende welvaart wereldwijd enigszins kunnen verlichten, en aldus zeker geen volwaardig alternatief vormen voor kernenergie (Hoenraet 1999).
199
Het Nieuwsblad (27/4/1988), “Streeknieuws: Lo-Reninge wil geen kernafval”.
200
De Morgen (30/4/1988), “Aerts wil rust brengen in Lo-Reninge”.
201
Voorgezeten door de kernfysicus Hoenraet (nu werknemer van Synatom) en met deelname van de toenmalige voorzitter van NIRAS-ONDRAF (dhr. Descamps).
Agence pour l’Energie Nucléaire (OECD-NEA) (1984), L’Energie nucléaire et l’opinion publique, OECD, Paris.
Anderson, K., Espejo, R. and Wene, C.-O. (1998), Building channels for transparent risk assessment, Final Report RISCOM pilot project, SKI Report 98:6, SKI / SSI, Stockholm.
Baetslé, L.H. (1989), “Nuclear radiation protection aspects of an integrated site for surface storage and deep disposal in clay”, Dubrovnik Conference (Croatia, 2 May -6 October).
Bernard, H. (1992), Nationale programma’s der uitrustingsmiddelen voor de produktie en het groot vervoer van elektrische energie, Kamer van Volksvertegenwoordiging, Commissie voor de Economie en het Wetenschapsbeleid (12 februari 1992).
Bonne, A. and Chan-Sands, C. (1998), “Technology transfer and managing radioactive waste: managing radium”, IAEA Bulletin, Vol. 40, No. 1.
Beheerscomité der Elektriciteitsondernemingen (BCEO), Nationaal uitrustingsplan inzake produktiemiddelen en groot transport van elektrische energie 1988-1998.
Bosman, E. en Proost, S. (1981), “Studie van enkele interventiemechanismen in de energiesector”, Acten van het 15de Vlaams Wetenschappelijk Congres, pp. 387-426.
Cadelli, N., Cottone, G., Orlowski, S. and Bertozzi, G. (1988), PAGIS: Performance assessment of geological isolation systems for radioactive waste management, Report EUR 11776 EN, European Commission.
Consensus – Informatietijdschrift over Energie, Jaargang 1982, No. 1, “Stadsverwarming in België”, pp. 29-30.
Consensus – Informatietijdschrift over Energie, Jaargang 1983, No. 2, “Het Belgisch energiebeleid. Het energiedebat: de resoluties”, pp. 71-78.
Commissie van Beraad inzake Kernenergie (1982), Eindrapport – Actualiseringselementen, Ministerie van Economische Zaken, Brussel.
Commission of the European Communities (CEC) (1980), Geological confinement of radioactive wastes within the European Community, Report EUR-6891-E, EC, Luxembourg.
Cornelis, G., en Witte, E. (Eds.) (1997), Roger Van Geen, een kritisch optimistische kijk op onderwijs, wetenschap en research, VUBPress, Brussel.
Cuypers, J. (1982), Kernenergie: De verhouding tussen de anti-kernenergiebeweging en de arbeidersbeweging, licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, faculteit sociale wetenschappen, Leuven.
Davies, R. (1986), “Commentary: The effect of the accident at Chernobyl upon the nuclear community”, Science, Technology and Human Values, Vol. 11, No. 4, pp. 59-63.
Dejonghe, P. (1978), “De behandeling van radioaktief afval”, Consensus – Informatietijdschrift over Energie, No. 3.
Detilleux, E. (1984), “NIRAS: Nationale Instelling voor radiaktief afval en splijtstoffen”, Consensus – Informatietijdschrift over Energie, No. 1.
Eggermont, G., Baetslé, L., Bonne, A. and Van Geen, R. (1990), “Safir, a Belgian case study. From acceptance to prevention of nuclear and chemical waste: a shift in TA”, CEN-R-2862, Working Group on Environment and Sustainable Growth, 2° Europ. Congress on TA, CEC/FAST, Milano.
Eggermont, G. and Poffijn, A. (Eds.) (1999), 85Kr, Proceedings of a workshop, Report BLG835, SCK•CEN, Mol.
Eggermont, G. and Carlé, B. (Eds.) (2000), “Dioxins and ionising radiation – A comparison of crisis management, risk and regulation”, Report BLG-867 of the joint meeting of SCK•CEN Reflection Groups "Expert Culture" and "Ethical Choices in Radiation Protection" extended with external experts in collaboration with the Belgian Health
Council (HGR) (15 Sept. 2000), Brussels.
Erreygers, G. (1984), Coal versus nuclear. A struggle for power evaluation and comparison of major side-effects, Studiecentrum voor Economisch en Sociaal Onderzoek (SESO), Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius (UFSIA), Antwerpen.
European Commission (EC) (1986), European Public Opinion and the Energy Problem in 1986, Eurobarometer Special Survey No. 32, Brussels.
European Parliament (1988), “Resolution on the findings of the Committee of Inquiry on the handling and transport of nuclear material”, Official Journal of the European Communities 12.9.88, No. C235/70 (July 6, 1988).
Eytchison, R.M. (2004), “Memories of the Kemeny Commission”, Nuclear News, March 2004 Issue, pp. 61-62.
Fédération Générale du Travail de Belgique – Algemeen Belgisch Vakverbond (FGTB-ABVV) (1980), Le retraitement des combustibles – Eurochemic, Rapport 80/0o A 23/9 (28/01/1980).
Fontyn, G., (2001), Kernenergie in België: Historiek en berichtgeving in de Vlaamse pers, licentiaatsthesis, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen (vakgroep Communicatiewetenschappen), Ugent.
Fraunhofer Institute for Systems and Innovation Research (2003), “Beheer van de energievraag” in het raam van de door België te leveren inspanningen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, Ministerie van Economische Zaken, Brussel.
Gezondheidsraad (1989), Herbezinning kernenergie. Risico-analyse, menselijk handelen, interventiewerk-waarden, advies uitgebracht aan de Minister en de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; de Minister van Volkshuishouding, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Nr. 1989/13, ‘s Gravenhage.
Gillon, L. (1980), De kwestie kernenergie, Scriptoria, Antwerpen.
Gillon, L. (1986), De kwestie kernenergie: welke energie voor onze toekomst? Wat na Tsjernobyl?, Scriptoria, Antwerpen.
Gillon, L. (1990), “Faut-il renoncer aux centrales nucléaires? “, Revue des Questions Scientifiques, Tome 161, No. 4, pp. 365-480.
Govaerts, P., Jaumotte, A. en Vanderlinden, J. (Eds.) (1994), Un demi-siècle de nucléaire en Belgique. Témoignages, Presses Interuniversitaires Européennes, Bruxelles.
Greenpeace (1993), The game of hazard. Nuclear reactor risk in the 1990s, Greenpeace International and Gruppe Ökologie, Amsterdam/Hannover.
Hancher, L. (1990), “1992 and accountability gaps: the Transnuklear scandal, a case study in European regulation”, Modern Law Review, Vol. 53, No. 5, pp. 669-684.
Hoenraet, Ch. (Ed.) (1999), De energiebronnen en kernenergie – Vergelijkende analyse en ethische reflecties, Acco, Leuven/Amersfoort.
Interministeriële Commissie voor de Nucleaire Veiligheid en de Veiligheid van de Staat op Kerngebied (1982), De reglementering van de nucleaire activiteiten in België, Rijksadministratief Centrum, Brussel.
International Atomic Energy Agency (IAEA) (1980), INFCE Summary Volume – Vol. 9, Proceedings of the first International Fuel Cycle Evaluation (INFCE), Vienna.
International Energy Agency (IEA) (2001), Energy policies of IEA countries – Belgium 2001 review, OECD, Paris.
International Maritime Organisation (2003), A brief description of the London Convention 1972 and 1996. Radioactive wastes, Office for the London Convention, London. website <http://www.londonconvention.org/main.htm>
Jongsocialisten (1978), “Kernenergie”, Informatie en Argumentatie – Dossier van de Jongsocialisten, Brussel.
Kemeny J.G. et al. (1979), The Need for Change : The Legacy of TMI. Report of the President’s Commission on the Accident at Three Mile Island, Pergamon Press, New York.
Kingdom of Belgium (1999), National Report to the Nuclear Safety Convention, Brussels.
Labrique, J. en Klees, P. (1982), “De kerncentrales en de Belgische ekonomie”, Consensus – Informatietijdschrift over Energie, No. 2, pp. 33-40.
Lellouche, P. (1980), “International nuclear politics”, Foreign Affairs, Winter 1979/80, Vol. 58, No. 2, pp. 336-350.
Maystadt, Ph. (1986), “Energies du futur et futurs de l’énergie”, beleidsnota.
MIRA-S (2000), Scenariorapport aangaande milieu en natuur in Vlaanderen. Hoofdstuk: Ioniserende Straling, Vlaamse Milieumaatschappij (VMM).
MIRA-T (2003) Themarapport aangaande milieu en natuur in Vlaanderen (pocket editie), Vlaamse Milieumaatschappij (VMM).
Nationaal Comité voor de Energie (NCE) (1981-1992), Nationaal uitrustingsplan in produktiemiddelen en van groot transport inzake elektrische energie – Adviezen en meningen bijeengebracht tijdens de plenaire zitting van het Nationaal Comité voor Energie.
NIRAS-ONDRAF (1989), SAFIR – A Summary Report, NIROND 2001-05 E, NIRASONDRAF, Brussel.
NIRAS-ONDRAF (2001), Technical Overview of the SAFIR 2 Report, Safety Assessment and Feasibility Interim Report 2, NIROND 2001-05 E, NIRAS-ONDRAF, Brussel.
NIRAS-ONDRAF (2002),Twintig jaar verantwoordelijk beheer van radioactive afval in België. NIRAS in dienst van de gemeenschap, NIROND 2002-02, NIRAS-ONDRAF, Brussel.
NIRAS-ONDRAF (2003), Radioactive Waste: Classification. website <http://www.nirond.be/engels/6.4_classificatie_eng.html>
Osterrieth, M. (1988), “Dix années de recherche énergétique – les leçons d’un programme”, Reflets et Perspectives de la vie Economique, Tome XXVII, No. 5, pp. 381-392.
Proost, J. (1981), “Dumpen van gekonditioneerd laag-aktief afval in de oceaan”, Consensus, No. 1.
Raes, F., Janssens, A. and Eggermont, G. (1986), “A synergism between UV-and Gamma – radiation in the oxidation of SO2 in the homogeneous gas phase”, Atmospheric Environment, Vol. 20, No. 9, p. 1705.
Rising, A. (2000), “The Swedish nuclear debate. Its evolution from optimistic acceptance in the 1960s to the closure of Barsebäck in 1999”, paper voorgesteld op BNS vergadering (Brussel, 22 feb. 2000).
Roser, T. (1988), “L’affaire Transnuklear”, Revue Générale Nucléaire, Mars-Avril.
SCK•CEN (2001), Tsjernobyl, 15 jaar later…, rapport BLG-876, Mol.
SOS Lovaart & Hinterland (1988). Persmededeling: kernafval in Lo-Reninge, 15/3/1988.
Tistaert, K. (1991), De strijd tegen kernenergie in Vlaanderen. De Vlaamse antikernenergiebeweging en kulturele uitingen van onvrede (midden jaren zeventig – eind jaren tachtig), licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, faculteit letteren en wijsbegeerte, Leuven.
United States Nuclear Regulatory Commission (USNRC) (1975), Reactor Safety Study. An Assessment of Accident Risks in U.S. Commercial Nuclear Power Plants – Executive Summary, WASH – 1400 (NUREG – 75/014), Springfield, Virginia.
Van Assche, P. (1979), “Harrisburg: Het ongeval met de kerncentrale”, Consensus – Informatietijdschrift over Energie, No. 2, pp. 37-64.
Van Assche, P. (1980), “Energie en politiek in de Verenigde Staten”, Consensus – Informatietijdschrift over Energie, No. 4, pp. 101-108.
Vansant, E. (1995). International Scientific Advisory Committee, SAC-8 “Minutes of the Meeting”, Annexe I, Geological radwaste disposal in Belgium, Research programme; Review and Objectives. SCK•CEN, Belgium.
Verbruggen, A. (1982), Onderzoek naar de optimale investeringsbeslissingen betreffende de elektriciteitsproductie in België, Diensten voor de Programmatie van het Wetenschapsbeleid (DPWB) – R&D Programma ‘Energie’, Brussel.
Verbruggen, A. (1986), “De besluitvorming inzake de bouw van kerncentrales in België”, Liber Amicorum Professor Pierre-Henri Virenque, Studiecentrum voor Economisch en Sociaal Onderzoek (SESO), Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius (UFSIA), Antwerpen, pp. 303326.
Verbruggen, A., Dhollander, H. en Marcelis, C. (1988a), Schatting van het warmte-kracht potentieel in België, Studie in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en de Europese Economische Gemeenschap DG XVII-Energie, Studiecentrum voor Economisch en Sociaal Onderzoek (SESO), Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius (UFSIA), Antwerpen.
Verbruggen, A., Vanlommel G. en Erreygers, G. (1988b), Een doorlichting van het BCEO-plan 1988-1998. Een andere kijk op Doel 5, Rapport 88/222, Studiecentrum voor Economisch en Sociaal Onderzoek (SESO), Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius (UFSIA), Antwerpen.
von Busekist, O. (1982), “Eurochemic: Mislukking of model?”, Consensus – Informatietijdschrift over Energie, No. 1, pp. 3-14.
Watson, J. (2001), Constructing success in the electric power industry: Flexibility and the gas turbine, Electronic Working Papers Series No. 64, SPRU, Sussex.
Wolff, J.-M. (1995), Histoire de la Société Eurochemic (1956-1990) – Trente-cinq années de coopération internationale dans le domaine des techniques nucléaires, du traitement chimique des combustibles irradiés à la gestion des déchets radioactifs, Thèse de doctorat, Ecole des Hautes Etudes en Sciences Sociales.
Deel 5
Het kernenergiedebat in de jaren ‘90 (tot nu)
In dit deel houden we de (ietwat artificiële) scheiding aan tussen enerzijds aspecten van het energiebeleid, en anderzijds aspecten die betrekking hebben op het afvalbeleid. Gedurende de jaren ‘90 wint het debat rond de te nemen strategische opties voor de ‘back-end’ van de kerncyclus aan belang. Bepaalde ontwikkelingen zorgden er immers voor dat men dit debat niet langer uit de weg kon gaan. Voor het laagradioactief afval werd de optie zeeberging in 1993 definitief afgevoerd, zodat de binnenlandse berging als enige mogelijkheid overbleef (uitvoer van radioactief afval wordt internationaal niet aanvaard – zie Deel 4). Als gevolg van de contracten tussen Synatom en Cogéma werd in 2000 de terugkeer van containers met verglaasd hoogradioactief opwerkingsafval uit La Hague aangevat202. De strategische keuze tussen de ‘open’ of ‘gesloten’ splijtstofcyclus (opwerking of geen opwerking) vormde in 1993 de inzet van een parlementair debat (waarop reeds langer was aangedrongen, zie bvb. de aanbevelingen van de ‘Tsjernobylcommissie’), met impact op zowel het energie-als het afvalbeleid. Tenslotte besliste de paarsgroene regering Verhofstadt I (1999-2003) op termijn uit de kernenergie te stappen, wat opnieuw aanleiding gaf tot het oplaaien van een maatschappelijk debat omtrent de voor-en nadelen van deze energievorm in al haar aspecten.
In wat volgt schetsen we vooral twee globale ontwikkelingen die o.i. de grootste impact hadden op het energie-en afvalbeleid: de groeiende integratie van het milieubewustzijn (waarvan we de wortels in de late jaren ‘60 – begin jaren ‘70 hebben geschetst) in het beleid en de economie, en de Europese vrijmaking van de leidinggebonden energiemarkten (die al vanaf het einde van de jaren ‘80 werd geanticipeerd). Daarnaast brachten de ontbinding van de voormalige Sovjet-Unie in meerdere staten die plots kernmachten werden en de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten de problematiek van het terrorisme opnieuw onder de aandacht203.
202
Tegen 2006 moeten 420 glascontainers naar België terugkeren, gespreid over 15 transporten.
203
De potentiële bedreiging van terrorisme vormde echter al sinds lang een element in de argumentatie van sommige specialisten op het gebied van kernenergie.
5.1.1.1. Duurzame ontwikkeling
In de jaren ‘90 wint de integratie van milieudoelstellingen in het (energie)beleid steeds meer aan belang. Reeds in 1987 kreeg het concept ‘duurzame ontwikkeling’ een ruime internationale weerklank met de publicatie van het rapport “Our Common Future” (WCED 1987). Een concrete uiting van deze bezorgdheid om duurzame ontwikkeling vormen de internationale inspanningen om de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen te verminderen, die het energiebeleid weer hoger op de (mondiale) politieke agenda plaatsten. De ‘V.N. Conferentie inzake Milieu & Ontwikkeling’ (Rio de Janeiro, 1992) en het daar ondertekende klimaatverdrag (‘Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake de Klimaatverandering’, beter gekend als de ‘United Nations Framework Convention on Climate Change’ of UNFCCC) -gevolgd door het ‘Kyotoprotocol’ (1997), dat concrete emissiereductiedoelstellingen vooropstelt voor de ondertekenende landen204 -vormen de fundering van de globale besluitvorming rond klimaatverandering. Het Kyotoprotocol vormt echter maar een bescheiden (eerste) bijdrage in de strijd tegen klimaatverandering; de meeste wetenschappers van het ‘Intergovernmental Panel on Climate Change’ (IPCC) zijn er immers van overtuigd dat de globale broeikasgasemissies significant (d.w.z. met 50 tot 80%) moeten teruggedrongen worden om de concentratie aan broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op het dubbel van het pre-industriële niveau (IPCC 2001). Maar het concept ‘duurzame ontwikkeling’ gaat verder dan enkel bekommernissen omtrent het milieu of het klimaat. Zo definieerde de ‘Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling’ (ICDO 2000) vijf basisbeginselen van duurzame ontwikkeling: het principe van gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid, het principe van intra-en intergenerationele billijkheid, integratie van de componenten van duurzame ontwikkeling in alle beleidsdomeinen, het voorzorgsbeginsel en de erkenning van wetenschappelijke onzekerheden, en het participatiebeginsel en beginsel van goed bestuur. Vele interpretaties blijven de ronde doen, maar er lijkt toch een ‘minimale’ consensus te bestaan dat duurzame ontwikkeling een geïntegreerde benadering van de economische, milieu-, sociale en institutionele componenten van ontwikkeling inhoudt, en dit met het oog op billijkheid binnen de huidige generatie en tussen generaties onderling. Toegepast op het energievraagstuk impliceert de zoektocht naar duurzaamheid een hernieuwde aandacht voor een geïntegreerde vraag-en aanbodgerichte benadering, met aandacht voor een zo efficiënt mogelijke invulling van verschillende energiediensten. Ook de vraag naar geschikte vormen van energievoorziening voor ontwikkelingslanden komt opnieuw op de agenda. Probleem is natuurlijk een ‘meetlat’ te vinden,
204
België kreeg een reductiedoelstelling van 7,5% (te behalen in de periode 2008-2012) t.o.v. 1990 opgelegd. Tot op heden is het Kyotoprotocol nog steeds niet van kracht; de Europese Unie heeft echter steeds te kennen gegeven dat zij zich zou houden aan de Kyotodoelstellingen, ook al wordt het protocol niet door voldoende landen geratificeerd.
die de bijdrage van projecten of beleidsinitiatieven aan duurzame ontwikkeling op een redelijk objectieve manier zou kunnen vaststellen.
De berekening van de ‘externe kosten’ voor de verschillende opties voor energievoorziening wordt door sommige actoren naar voren geschoven als mogelijke kandidaat voor zo’n ‘duurzaamheidindicator’. Tot op de dag van vandaag vormt het (nog steeds lopende) onderzoek gefinancierd door de Europese Commissie205 (het zogenaamde ‘ExternE-project’) de meest uitgebreide studie in dit domein206.Het ExternE-project berekent via een ‘bottom-up’ methodologie de externe kosten van representatieve technologieën voor een aantal landen van de Europese Unie, en dit voor de gehele brandstofcyclus (t.t.z. vanaf de ontginning van primaire grondstoffen tot de elektriciteitsproductie en de resulterende afvalstromen). De resultaten worden uitgedrukt in een geldwaarde, hetzij per kWh opgewekte elektriciteit, hetzij per ton polluent. Inbegrepen in deze externe kosten zijn de impact op de volksgezondheid, de impact op landbouwgewassen, materialen, bossen, ecosystemen en de verwachte impact van de klimaatverandering207. Algemeen gezien zijn de externe kosten voor de elektriciteitsproductie op basis van fossiele brandstoffen het hoogst (vooral voor steenkool, in mindere mate voor gas). Deze hoge externe kosten worden vooral veroorzaakt door de negatieve impact op de volksgezondheid van stofdeeltjes, ozonvorming en emissies van SO2 en NOx. Dekostenvan klimaatverandering kunnen slechts met grote onzekerheid geschat worden (0-16
CO2)208Euro/ton ; als men de hoogste schattingen zou inrekenen kan de elektriciteitsproductie op basis van fossiele brandstoffen niet meer concurreren met windenergie (externe kosten 0,5-2 Euro/MWhe) of kernenergie (externe kosten voor de open cyclus <1 Euro/MWhe) (resultaten voor de Belgische context, zie Torfs 2001). Deze bronnen scoren het laagst. Nochtans zijn de resultaten van de ExternE-studie ook omstreden. Zo is bvb. voor de kerncyclus het berekenen van de monetaire impact van een grootschalig ongeval een zeer moeilijke opdracht. Voor de Belgische context zouden sitespecifieke PSA-studies van het ‘3e niveau’ (d.w.z. studies die de te verwachten gevolgen van het vrijkomen van een aanzienlijk gedeelte van de aanwezige radioactieve stoffen in een reactorkern in rekening brengen) moeten uitgewerkt worden, bvb. voor Doel in het Antwerps havengebied. Dergelijke studies bestaan echter op dit moment niet. Bovendien kampen methodes voor de berekening van externe kosten met het generieke probleem een gelijke waarderingsbasis (gestoeld op de ‘willingness to pay’ of de ‘directe gebruikswaarde’209) te vinden voor zeer diverse impacts, gaande van bvb. visuele hinder door windmolens tot langlevend radioactief afval afkomstig van kerncentrales.
205
Zie de website
De eerste ExternE-rapporten werden in 1995 gepubliceerd. Onderzoek naar de externe kosten van elektriciteitsproductie is echter al veel langer gaande. Zie bvb. in de Belgische context Hecq en Vouche (1984), en de kritiek hierop door Erreygers (1984) voor wat betreft de grenzen van het gebruikte evaluatiekader, de evaluatiemethode, en het gewicht toegekend aan het CO2-probleem.
207
Hoewel deze impacts, gezien de grote onzekerheden, vaak apart worden weergegeven. 208
Centrale schatting die vanaf 1999 in het ExternE-project aangenomen wordt (Torfs 2001). Voordien was er sprake van 18-46 Euro/ton CO2 (en zelfs 40-140 Euro/ton CO2 indien men een ‘conservatieve’ schatting met 95% betrouwbaarheidsinterval hanteert). De nieuwe schattingen nemen echter ook positieve gevolgen van klimaatverandering (bvb. op landbouw en energievoorziening) in overweging.
209
Daarnaast identificeren economen ook nog een ‘optiewaarde’ (bewaren van milieugoederen zodat men in de toekomst vrijelijk kan beslissen over het gebruik), een ‘indirecte gebruikswaarde’ (belangrijke diensten die niet op een
5.1.1.2. Terrorisme en proliferatie
Na een eerste vermelding in het rapport van ‘de commissie der Wijzen’ (1976) kreeg terrorisme aandacht in het Belgisch nucleair debat in 1986 met de organisatie van een studiedag op de Universiteit van Antwerpen op initiatief van de ‘Vereniging van Medici tegen Atoomwapens’. Ter voorbereiding werd de mogelijke impact van raketten op de reactorbunkers en andere kwetsbare industriële installaties bestudeerd (Eggermont 1987).
Een aantal geopolitieke ontwikkelingen, met name de onstabiele situatie ontstaan door de opsplitsing van de voormalige Sovjet-Unie aan het begin van de jaren ‘90 (gevaar van smokkel van kernmateriaal), de eerste golfoorlog (1991) en meer recent de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten (en de daaropvolgende militaire interventies in Afghanistan en Irak) en de dreiging van kernwapens als afgeleide van nucleaire energietechnologie (Irak, Pakistan, India, Noord-Korea), plaatsten de onderwerpen ‘proliferatie’ en ‘terrorisme’ hoog op de internationale agenda. Met betrekking tot de kerncyclus bestaat met name de bezorgdheid dat terroristen ofwel aanslagen zouden plegen op kerninstallaties (waarbij de directe impact van een lijnvliegtuig op een kerninstallatie uiteraard de meeste aandacht opeist), ofwel dat ze nucleair materiaal in handen zouden krijgen voor de productie van een zogenaamde ‘vuile bom’ (verspreiding van radioactief materiaal via een conventionele explosie), in die mate dat de ‘Belgische Academie voor Geneeskunde’ hieraan eind oktober 2004 een studiedag zal wijden. De Belgische kerncentrales behoren bij de best beveiligde gebouwen tegen natuurrampen en zijn bestand tegen de crash van sommige types vliegtuigen; ze zijn evenwel niet berekend op een terreuraanslag met een groot volgetankt vliegtuig. Toch lijkt een effectieve aanslag met een vliegtuig onwaarschijnlijk210 (MIRA-T 2003,
p. 59). De minder beschermde gebouwen van de eerste centrales van Doel werden versterkt. Het zogenaamde ‘Gebouw 136’ van Belgoprocess dat het hoogradioactief afval gedurende 50 à 70 jaar moet bergen is gebunkerd tegen een vliegtuigcrash. De splijtstofpools van de opwerkingsfabriek van La Hague, die de grootste concentratie aan radioactiviteit in Europa bevatten, zijn niet of gedeeltelijk gebunkerd, zoals bleek uit een uitzending van RTBF in 1988 (‘Faire le Point’). Recent werd een militair afweersysteem rond La Hague voorzien om deze kwetsbaarheid te verkleinen. De secretaris-generaal van de IAEA waarschuwde tenslotte recent de nucleaire industrie voor handel van gevoelige nucleaire technologie met bepaalde landen.
markt verhandeld worden), een ‘behoudswaarde’ (verzekeren van de toegang tot eenzelfde hoeveelheid indirecte milieugoederen voor toekomstige generaties), een ‘duurzame gebruikswaarde’ (duurzaam gebruik van milieugoederen), een ‘onvermoede gebruikswaarde’ (waarden waarvan we het bestaan nu nog niet vermoeden), een ‘bestaanswaarde’ (het louter bestaan van het milieugoed impliceert al een waarde op zich) en een ‘nalatenschapswaarde’ (morele verplichting van onze generatie om milieugoederen over te laten voor de toekomstige generaties) (Verbruggen 1998, p. 30).
210
Een kerncentrale is immers geen gemakkelijk doelwit voor een vliegtuig op hoge snelheid. Ze is niet hoog en het reactorgebouw moet gezocht worden tussen de gebouwen eromheen.
Kernenergie en maatschappelijk debat SCK•CEN / VUB -november 2004
5.1.1.3. Economische aspecten van energiebeleid
De groeiende bezorgdheid omtrent de milieu-impact van de energievoorziening (en de klimaatsproblematiek in het bijzonder) ging in de jaren ‘90 gepaard met de liberalisering van energiemarkten (gas en elektriciteit) in Europa. België zette de Europese directieven 96/92/EC (elektriciteit) en 98/30/EC (gas) om in nationale wetgeving op 29 april 1999211. Door de liberalisering van de elektriciteitsmarkt behoren productie, transport, distributie en verkoop van elektriciteit nu tot verschillende entiteiten. De beheerder van het transportnetwerk (‘Elia’) heeft een coördinerende rol. Sinds 1 juli 2003 is de markt in Vlaanderen volledig vrijgemaakt. Volgens de elektriciteitswet worden ook enkele regulerende instanties in het leven geroepen. Op federaal niveau is dit de ‘Commissie voor de Regulering van Gas en Elektriciteit’ (CREG). De CREG wordt -met de medewerking van daartoe competente lichamen en experts -verzocht (met driejaarlijkse aanpassing)212 een tienjarenprogramma van de productiemiddelen voor elektriciteit op te stellen. Het gaat hier wel om een indicatief programma dat weliswaar door de bevoegde minister goedgekeurd wordt, maar dat voor geen enkele partij bindend is. Dit indicatief programma verschaft inzicht omtrent de elektriciteitsproductie aan de regering, de CREG, de netbeheerder en aan potentiële investeerders van productie-eenheden en laat de overheid desgevallend toe ‘bij te sturen’. Het is duidelijk dat de actiemogelijkheden van de overheid (meestal via de CREG) door de EU directieven en de Belgische wet beperkt zijn. De wet voorziet wel dat potentiële investeerders kunnen worden geïnformeerd omtrent het indicatief programma via het bekendmaken van een “daartoe strekkend bericht in de nationale en internationale pers”. Het is echter onduidelijk hoe de overheid kan reageren indien de investeerders het indicatief programma niet opvolgen. Vooral warmtekrachtkoppeling (WKK) en duurzame energievormen kunnen recent op gunstmaatregelen rekenen d.m.v. systemen van groene of WKK stroomcertificaten met gegarandeerde minimale prijszetting en vastgestelde progressieve aandelen in de totale elektriciteitslevering213, die tegelijk met nucleaire kosten uit het verleden (passiva) aan de consumenten worden aangerekend (zie verder).
We kunnen de voor dit rapport belangrijke randvoorwaarden van een geliberaliseerde elektriciteitsmarkt als volgt samenvatten (AMPERE Commissie, Hoofdrapport A – Randvoorwaarden):
211
Nadien volgden nog decreten op het regionale niveau, verschillende wijzigingen en uitvoeringsbesluiten. 212
In het kader van de wet op de kernuitstap (zie verder) wordt dit programma vanaf 2015 jaarlijks opgesteld. 213
Zo heeft België in het kader van de Europese richtlijn 2001/77/EC voor het jaar 2010 een doelstelling van 6,0% van het binnenlandse elektriciteitsgebruik opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen opgenomen. Deze doelstelling loopt progressief op (0,8% in 2002, tot 1,2% in 2003 en 2,0% in 2004, enz.).
worden op milieu-impacts. De wet op de kernuitstap (zie verder) verbiedt echter de bouw van nieuwe kerneenheden voor industriële elektriciteitsproductie;
Door de liberalisering van de elektriciteitsmarkt zijn de stroomuitwisselingen met het buitenland reeds sterk toegenomen. Het Belgische hoogspanningsnet is hierop onvoldoende voorzien. Het werd gebouwd voor een niet-geliberaliseerde markt (geconcentreerd op de Belgische vraag, met gelimiteerde uitwisselingscapaciteit met het buitenland ter ondersteuning van de stabiliteit van het net) en kan de onverwachte stromen uit het buitenland soms nauwelijks aan. In de geliberaliseerde markt zonder grenzen hoeft uiteraard niet elke nationale staat afzonderlijk zijn elektriciteitsvraag te dekken met productiemiddelen op haar grondgebied, maar kan (deels) een beroep gedaan worden op de vrije markt. Toch blijft de competitie (voorlopig althans) in veel landen van de Europese Unie weinig actief. De dominante spelers van het verleden blijven ook de dominante spelers van het heden, en zoeken een nieuw evenwicht als partners of als oligopolistische concurrenten.
Wat betreft de vooruitzichten voor kernenergie in een geliberaliseerde markt moet een onderscheid gemaakt worden tussen bestaande centrales en nieuwe centrales. De bestaande centrales in België zullen in 2005 allemaal boekhoudkundig afgeschreven zijn, wat de competitiviteit van de elektriciteit opgewekt in deze centrales ten goede komt. Dit effect wordt waarschijnlijk wel getemperd door de kosten van herinvesteringen en onderhoud in oudere centrales. Nieuwe centrales zouden – o.a. gezien de hoge initiële investeringskosten – in een geliberaliseerde markt moeilijker ingang vinden. Zo geeft de IAEA (2003) bvb. aan dat investeringskosten voor nieuwe kerncentrales met een factor 2-4 zouden moeten dalen om aantrekkelijker te worden voor investeerders (zie ook MIT 2003). Hoe de competitiviteit van kernenergie in de toekomst zal zijn, is uiteraard onzeker; dit hangt
o.a. af van de concrete regelgeving in een geliberaliseerde markt, de prijzen van concurrerende energiebronnen (evt. schaarste), de mogelijkheid tot het sluiten van
214
Deze boete bedroeg vanaf 31 maart 2004 100 Euro per missend groene stroomcertificaat (1 certificaat wordt toegekend voor de productie van 1 MWh op basis van hernieuwbare energiebronnen). Ter vergelijking: de minimale prijs voor een groene stroomcertificaat bedraagt 90 Euro voor offshore windenergie, 50 Euro voor onshore windenergie, 50 Euro voor waterkracht, 150 Euro voor zonne-energie en 20 Euro voor andere hernieuwbare energiebronnen (incl. biomassa).
lange termijn contracten, enz. (Grimston en Beck 2002). Kernenergiecomponenten worden evenwel nog slechts marginaal in België voortgebracht, behalve voor wat betreft de betonnen omhulsels.
In de jaren ‘90 wint gas steeds meer aan belang als energievector, en verdringt in België steenkool van de tweede plaats als grondstof voor elektriciteitsproductie. Er worden geen nieuwe centrales op basis van steenkool gebouwd. De productiecapaciteit van de bestaande kerncentrales wordt in de jaren ‘90 opgedreven
(o.a. door vervangingswerken aan stoomgeneratoren en turbines, herlading met betere splijtstofelementen, enz.) en in 1996-1997 worden de reactoren in Chooz (B1+B2) op het net aangesloten. De gemiddelde benuttigingsfactor van de Belgische kerncentrales bedroeg 91% in 2000, en hiermee behoren deze centrales tot de meest bedrijfszekere en efficiënte ter wereld215. WKK wint aan belang216 (meestal volgens de formule van een partnerschap tussen het betrokken bedrijf en de elektriciteitsproducent Electrabel). Wat betreft de efficiëntie van het energiegebruik in België volstaat het te citeren uit de conclusies van een recente grootschalige studie omtrent het toekomstig potentieel van energiebesparing: “…Energy efficiency indicators for Belgium and the regions are in many respects high (low efficiency) compared to other European countries and to the average of the European Union. (…) Some of the differences in the indicators, as compared to other European countries, as well as some of the differences among the regions in Belgium, can be traced back to differences in structure, in particular the very energy-intensive industrial sector with its over-proportional large share of iron/steel industry, cement, chemicals and sugar. Nevertheless, a larger part of the differences seem to stem from a long neglected energy demand policy (onze cursivering). (…) The view presented by the energy efficiency indicators is supported by the analysis of the energy efficiency policies in Belgium in the past decade, which were either absent or implemented with large compliance deficits…” (Fraunhofer Institute 2003, p. 3).
Een recent rapport van het Federaal Planbureau (Gusbin en Hoenaert 2004) geeft een prognose van de evolutie van het Belgisch energiesysteem op lange termijn. Volgens een basisscenario zou het bruto binnenlands energieverbruik met 0,2 % per jaar stijgen tussen 2000 en 2030217. Het aardgasverbruik zou aanzienlijk toenemen tegen 2030 en zou 40 % van de totale primaire energievraag bedragen in 2020 en 2030 (tegenover 23 % in 2000). Dat vloeit vooral voort uit het groter aandeel van aardgas in de elektriciteitsproductie. Het aandeel van olie zou stabiel blijven op 40 %. Steenkool zou in eerste instantie verder achteruitgaan: 5 % in 2020 tegenover 14 % in 2000. Tussen 2020 en 2030 zou het steenkoolverbruik echter opnieuw terrein winnen en 16 % bedragen in 2030. Achterliggende redenen hiervoor zijn de uitstap
215
Current Science, “Nuclear power statistics for 2000”, Vol. 80, No. 11, p. 1367. 216
Het AMPERE-rapport (zie verder) vermeldt een geïnstalleerd vermogen van 1150 MWe in 2000 (Hoofdrapport, p.
D122).217
Ten opzichte van het verleden gaat het hier om een vertraging: tussen 1970 en 2000 werd een jaarlijkse toename van 1,1 % opgetekend. De impact van de economische en demografische groei zou immers afgezwakt worden door structuurwijzigingen in de verwerkende nijverheid en door de ontwikkeling van de dienstensector. Bovendien zouden de technologische vooruitgang en de trendmatige stijging van de energieprijzen -in het bijzonder de aardgasprijs die vertraging in de hand werken.
uit de kernenergie en de stijgende aardgasprijzen. Het gebruik van hernieuwbare energiebronnen (vooral windenergie) zou verdrievoudigen, maar hun aandeel in de totale primaire vraag zou zwak blijven: in 2000 bedroeg dat aandeel 1,3 %, in 2020 en 2030 is dat respectievelijk 3% en 3,7%. Volgens het basisscenario zouden de CO2-emissies zich nagenoeg stabiliseren in de periode 2000-2015. Toch wordt er in de periode 2015-2030 een sterke stijging genoteerd (+ 38% in 2030 ten opzichte van 1990), ondanks een lichte daling van het totale energiegebruik vanaf 2020. Die toename is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de transportsector en aan de ontwikkeling van de steenkoolcentrales in de elektriciteitssector naar aanleiding van de sluiting van de kerncentrales.
Naast het basisscenario onderzoekt het Federaal Planbureau ook de gevolgen van een aantal mogelijke beleidsmaatregelen. De conclusies van dit onderzoek luiden als volgt: voor de post-Kyoto periode kan volgens het planbureau, gelet op de evolutie van de emissies, enkel een combinatie van beleidsmaatregelen voor alle sectoren, alle economische actoren en alle energievormen, ervoor zorgen dat de CO2-emissies in België afnemen. De studie toont de beperkingen van hernieuwbare energie en WKK aan op lange termijn. Ze wijst ook op de beperkte draagwijdte van maatregelen die enkel gericht zijn op de herstructurering van transportmiddelen zonder in te werken op mobiliteit in het algemeen. Een wijziging in het kernenergiebeleid (bestaande centrales langer open houden (60 jaar) en/of nieuwe investeringen in kernenergie toelaten) zou daarentegen een significante impact hebben op de CO2-emissies. Er dient evenwel opgemerkt dat minder dan 1% van de kerncentrales in de wereld tot nu toe een levensduur van 40 jaar heeft gedemonstreerd, en dat het planbureau de mogelijke vestigingsplaatsen in België niet heeft onderzocht.
5.1.1.4. Politieke aspecten van energiebeleid
Op het Europese niveau voorspelt de ‘Green paper on energy supply’ (EC 2001) een groeiende afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele brandstoffen voor de landen van de Europese Unie. In het licht van deze vaststelling luidt de aanbeveling dan ook zoveel mogelijk opties voor energievoorziening open te houden (inclusief de nucleaire optie), om het hoofd te kunnen bieden aan eventueel toekomstige geopolitieke schommelingen op de energiemarkten. Er wordt onomwonden gesteld dat “…the European Union must retain its leading position in the field of nuclear technology, in order to retain the necessary expertise and develop more efficient fission reactors and enable fusion to become a reality…”. Nochtans is in de jaren ‘90 meer dan ooit het besef gegroeid dat de nog onopgeloste problematiek van het (hoog-)radioactieve afval de achilleshiel vormt van de nucleaire industrie. Zo stelt de ‘Green paper’ dat “…nuclear energy cannot develop without a consensus that gives it a long enough period of stability, bearing in mind the economic and technological constraints of the industry. This will only be the case when the waste issue finds a satisfactory solution with maximum transparency…”.
Op Europees vlak bestond slechts een tienjaarlijks indicatief nucleair programma, maar in de toekomst wordt Europa (gezien de vrijmaking van de energiemarkten) het relevante niveau voor productieplanning.
Binnen de Europese Commissie doen echter verschillende opvattingen over de inzet van kernenergie de ronde. Zo is met name mevr. de Palacio (Eurocommissaris voor Energie en Transport tot midden 2004) een pleitbezorgster voor kernenergie (met het argument dat kernenergie een onmisbaar element vormt in de Europese strategie om te voldoen aan de Kyotodoelstellingen, naast het aspect van de voorzieningszekerheid). Mede onder haar impuls presenteerde de Europese Commissie in 2003 aan de Europese Raad twee voorstellen voor richtlijnen ter harmonisering van het Europese beleid op het gebied van nucleaire veiligheid en opslag van afval (deze onderwerpen werden nog niet geregeld binnen het kader van het Euratom verdrag). Deze voorstellen werden echter recent verworpen. De Eurocommissaris voor het Milieu, mevr. Wallström, verkondigde daarentegen steeds de mening dat kernenergie geen rol kan spelen in duurzame ontwikkeling. Zo verklaarde zij in de debatten rond de implementering van het Kyotoprotocol dat kernenergie uitgesloten moest worden van de lijst van in aanmerking komende technologieën voor het ‘Clean Development Mechanism’ (CDM)218. Met name de problematiek van het kernafval diskwalificeert volgens mevr. Wallström kernenergie als een duurzame energiebron219 (Slingerland et al. 2004, p. 76).
De Belgische politieke houding t.o.v. kernenergie wordt in de loop van de jaren ‘90 gekarakteriseerd door een grote terughoudendheid: het moratorium op de bouw van nieuwe kerncentrales blijft behouden, eerder genomen opties (bvb. opwerking) worden opnieuw in vraag gesteld, belangrijke nucleaire dossiers worden op de lange baan geschoven (bvb. berging van laagradioactief afval), enz. AGALEV/ECOLO lag met de regeringsdeelname in de periode 1999-2003 aan de basis van de wet op de kernuitstap220, maar realiseerde ook een doorbraak in de terugkeer van het nucleair afval uit La Hague en in de financiering van de opkuis van het nucleaire verleden in Mol en Dessel (passiva). Ongetwijfeld speelde ook de grotendeels negatieve publieke opinie een rol in de beslissing om op termijn uit de kernenergie te stappen. Maar ook bij de nieuwe regeringspartners (de regering Verhofstadt II, een coalitie van liberalen en socialisten) bestaat momenteel alleszins voorlopig geen bereidheid om de kernuitstap in vraag te stellen221.
218
CDM is een mechanisme dat voorziet in een investering van de landen die gebonden zijn door de Kyotodoelstellingen (de zogenaamde ‘Annex 1’ landen) in projecten voor emissiereductie in ontwikkelingslanden (die geen doelstelling opgelegd kregen). In ruil voor deze investeringen zouden deze landen emissiereductiekredieten toegewezen krijgen, die meetellen bij het behalen van de eigen emissiereductiedoelstellingen.
219
Artikel 12 van het Kyotoprotocol stipuleert nl. dat CDM projecten moeten bijdragen aan duurzame ontwikkeling. Tijdens de ‘COP6’-bis vergadering (Bonn, 2001) bereikten de Annex 1-landen een akkoord dat kernenergie en grootschalige waterkrachtcentrales geen deel konden uitmaken van het CDM-mechanisme.
220
Andere partijen gingen nooit verder dan het bepleiten van een evt. verruimd moratorium op de uitbreiding van het kernprogramma, zowel wat betreft de nucleaire activiteiten die onder dit moratorium moesten vallen (bvb. MOXproductie) als de voorziene duur van dergelijk moratorium (zie bvb. het SP-standpunt begin jaren ‘90, doc. NUCLEAR.WP5/SEVI/ 15 december 1992).
221
Het nieuwe regeerakkoord (midden 2003) voorziet in een behoud van het kernuitstapscenario.
Verder neemt Greenpeace de rol over van VAKS in de anti-kernenergiebeweging, en probeert de bevolking te mobiliseren met specifieke in het oog springende campagnes (bvb. gericht tegen de berging van laagradioactief afval, nucleaire transporten, enz.), het opstellen van informatiedossiers, het organiseren van persconferenties, enz. Samen met de ‘groene’ partijen AGALEV/ECOLO hebben zij steeds het gebruik van kernenergie afgewezen. Er dient echter opgemerkt te worden dat de nucleaire problematiek in de milieubeweging de laatste jaren slechts door één persoon opgevolgd werd, waarbij regelmatig beroep gedaan werd op ondersteuning van WISE-Parijs (een studie-en communicatiebureau dat contractonderzoek doet voor vooral de milieubeweging).
Om een idee te krijgen van de publieke opinie rond (kern)energie verwijzen we vooral naar twee studies: een ‘Eurobarometer’ (EC 2002) rond het energiebeleid in de landen van de Europese Unie, en een specifieke enquête rond veiligheid en risicoperceptie voor de Belgische context (Carlé en Hardeman 2002), uitgevoerd in opdracht van het SCK•CEN. Wat betreft de ‘Eurobarometer’ vindt 80% van de Belgen lage energieprijzen voor consumenten prioritair voor het Belgische energiebeleid (EU gemiddelde 62%); 70% vindt milieubescherming, volksgezondheid en veiligheid een prioriteit222 (EU gemiddelde 72%). Slechts 7% van de ondervraagden in België denkt echter dat kernenergie in de toekomst een goedkope optie zal vormen (tegen 44% voor hernieuwbare energiebronnen)223; voor wat betreft het criterium ‘bescherming van het milieu’ scoort kernenergie zeer laag (slechts 1% van de ondervraagden vindt dit een propere energiebron, naast 71% voor hernieuwbare bronnen, en 15% voor gas)224. Bovendien denkt slechts 7% van de Belgen dat kernenergie in de toekomst nog een significante rol zal spelen in de energiebevoorrading225 (tegen 42% voor hernieuwbare energiebronnen, 28% voor gas, en 24% voor hydro-elektrische energie226). Nochtans is 64% vandeBelgen(EU gemiddelde 54%) niet bereid meer te betalen voor hernieuwbare energie (21% is bereid maximaal 5% meer te betalen)227. Een andere vraag uit de Eurobarometer is: “Wat zijn voor u redenen dat de EU moet doorgaan met het bekostigen van nucleair onderzoek?”. Van de ondervraagde Belgen vindt 9% dat de EU het nucleair onderzoek moet stopzetten; respectievelijk 50% en 52% vindt dat meer onderzoek nodig is in nucleaire veiligheid en in het vinden van een aanvaardbare oplossing voor het kernafval voor landen binnen de EU228.
222
Antwoord op de vraag “In respect of energy, what do you think the two first priorities for your government should be?”. Een derde mogelijkheid (naast ‘other’ en ‘do not know’) was ‘ensuring uninterrupted supplies of gas, oil, electricity’ (16% van de antwoorden in België).
223
Antwoord op de vraag “Let’s think forward about fifty years, to 2050. Which of the following energy sources do you think will be least expensive?” (twee antwoorden mogelijk; keuze uit vaste brandstoffen, olie, gas, fissie, fusie, hydro-elektrisch, andere hernieuwbare bronnen, andere, en ‘weet niet’).
224
Antwoord op de vraag “And which do you think will be the best for the environment?” (twee antwoorden mogelijk,
zelfde keuze). 225
Antwoord op de vraag “And which do you think will provide the greatest amount of useful energy?” (twee antwoorden mogelijk, zelfde keuze).
226
Wat opmerkelijk is gezien het lage potentieel van waterkrachtcentrales in België. 227
Antwoord op de vraag “Would you be prepared to pay more for energy produced from renewable sources than for
energy produced from other sources?” 228
Antwoord op de vraag “For which of the following reasons do you think the EU should continue to fund nuclear research?” (meerdere antwoorden mogelijk, andere antwoorden waren ‘to reduce the costs of nuclear energy’, ‘to improve safety and waste disposal in non-European Union countries’, ‘for other reasons’ en ‘do not know’).
De resultaten van de enquête uitgevoerd in opdracht van het SCK•CEN bevestigen de negatieve perceptie omtrent de toekomstige rol van kernenergie. In verband met onze toekomstige energievoorziening geeft een overgrote meerderheid aan dat men veel meer waterkracht, maar vooral windmolens (89 %) en zonne-energie (94 %) nog verder wil ontwikkelen. Men is ook voorstander van aardgas, maar minder uitgesproken, en van biomassa, ook al is dit laatste minder bekend. Men wil minder petroleum (44 %), maar vooral minder steenkool (49 %) en kernenergie (55 %). De overheersende algemene bezorgdheden in de samenleving staan vooral in verband met het terrorisme en de onveiligheid, gevolgd door de achteruitgang van het leefmilieu. Risico’s in verband met technologie of voedselveiligheid worden niet dikwijls aangeduid tussen de belangrijkste bronnen van ongerustheid. Onder deze risico’s wordt het nucleair risico vaker aangeduid dan het chemische of de voedselrisico. Specifiek voor technologische risico’s wordt kernenergie, samen met het vervoer van gevaarlijke producten, aanzien als een mogelijke oorzaak van ernstige ongevallen; dit geldt zowel voor de kerninstallaties als voor de berging van kernafval. Kerninstallaties gaan de chemische installaties vooraf, en ook de fabrieken of opslagplaatsen van vuurwerk. Nauwelijks ernstig beoordeelde risico’s zijn medische radiografieën of radon in woningen (waarbij het grootste deel van de ondervraagde Belgen bekent nog nooit over het radonrisico gehoord te hebben). Hier valt op hoe andere factoren dan de louter fysische (gemiddelde dosis afkomstig van een bepaalde activiteit) een rol spelen bij de publieke risico-inschatting, gezien de medische blootstelling en de radonblootstelling veruit de belangrijkste bronnen van ioniserende straling voor de bevolking zijn (MIRA-T 2003).
Er is dus bij de publieke opinie anno 2002 duidelijk een onvoldoende sociaal draagvlak aanwezig voor verdere investering in kernenergie, wat zich politiek vertaalde in de beslissing tot een kernuitstap.
5.1.2.1. Radioactief afvalbeheer van de jaren ’90 tot nu
Radioactief afvalbeheer werd in de jaren ‘80 voor alle betrokken partijen (niet alleen voor de milieugroeperingen, maar ook voor de kernindustrie, regeringen en internationale organisaties op het gebied van kernenergie) een belangrijk aspect in de splijtstofcyclus. Vanaf de jaren ‘90 zet deze trend zich door, en het afvalvraagstuk wordt in steeds complexere termen gesteld. Van een overwegend technische benadering (in de jaren ‘70 en daarvoor) evolueert men naar een multidisciplinaire aanpak met in meer of mindere mate aandacht voor de ethische, sociologische en economische aspecten van het afvalprobleem. Risicoperceptie en communicatie krijgen een belangrijke plaats. Bij het voorstellen van oplossingen in verschillende landen blijkt al snel dat laagradioactief en hoogradioactief afval een totaal andere uitdaging vormen, zowel op technisch als op niet-technisch vlak. Terwijl men de opslag van laagradioactief afval technisch gezien als relatief ongecompliceerd beschouwt (met uitzondering van bepaalde categorieën zoals afval dat radium bevat
– zie Deel 4), moet de hele kwestie van hoogradioactief afval beslist nog enkele jaren grondig worden bestudeerd om meer inzicht in bepaalde aspecten ervan te krijgen zoals de doeltreffendheid van de inkapseling van de radioactiviteit op lange termijn. In de meeste westerse landen ontbreekt de instemming van het publiek met oplossingen voor de beide soorten afval wanneer het gaat om het maken van een keuze op lange termijn voor radioactief afval.
Landen gaan op verschillende manieren om met deze afwijzing (National Research Council 2001, p. 10-11). Sommige landen kiezen voor een gefaseerde aanpak m.b.t. mogelijke bergingsconcepten. Het US Department of Energy is bezig met het bestuderen van de diepe bergingsoptie van gebruikte splijtstof in Yucca Mountain, terwijl het de definitieve beslissing over de omkeerbaarheid en de mogelijkheid tot terughaalbaarheid uitstelt tot later. Het Canadese overlegorgaan dat door de regering is aangeduid, adviseert om de zoektocht naar een bergingsplaats uit te stellen tot er publieke instemming is over diepe geologische opslag. In Duitsland is de discussie over een berging in Gorleben ook uitgesteld na het verhoogde publiek verzet tegen het transport van gebruikte splijtstof naar een tijdelijke opslagplaats in Gorleben. De Britse regering heeft beslist om plannen voor een ondergronds onderzoekslaboratorium in Sellafield op te bergen na kritiek van het plaatselijke graafschapbestuur over onvoldoende inzicht in hydrologische processen (Peel 1997). In 1997 hield de Britse regering een publieke rondvraag over het beheer en de opslag van radioactief afval. Als gevolg hiervan werden de plannen voor het afvalbeheer en opslag op lange termijn herzien en besloot het Britse parlement dat er een breed, nationaal debat moest komen. In mei 1999 werd er een nationale consensusconferentie georganiseerd (de ‘UK National Consensus Conference on radioactive waste management’). Een panel van 15 burgers nam deel aan de discussie over de kernpunten (opslagoplossing voor middel-en hoogactief afval en een debat over het beheer en dialoog met stakeholders). Dit alles nam meerdere maanden in beslag en leidde tot een openbare hoorzitting en een rapport aan de ministers (Brits parlement 2001). Nederland heeft een beslissing m.b.t. de opslag uitgesteld en kiest voor tijdelijke bovengrondse opslag gedurende een lange periode229 in Borsele (gedurende ten minste 100 jaar) en volgt intussen de internationale ontwikkelingen m.b.t. bergingsconcepten. Nederland heeft interesse voor een ‘regionale bergingsoplossing’ of voor een gezamenlijke internationale bergingsoplossing (Codée 2000). De mogelijke ondergrondse opslagplaats in Mol zou zo’n oplossing kunnen zijn. Spanje heeft zijn lokalisatieprogramma voor hoogradioactief afval stopgezet, maar gebruikt sedert 1992 een opslagdepot voor laagradioactief afval in El Cabril (ENRESA 2002). Dit is ook in Frankrijk het geval waar in Soulaines (te grote capaciteit van 1 miljoen m³) en Morviliers opslagplaatsen voor laagactief afval in gebruik zijn. Anderzijds heeft Frankrijk zijn opslagplaats voor laag-en middelactief afval ‘Centre de la Manche’ in 1997 gesloten (Boyasis 2004) (bij dit sluitingsproces werden ook lekken vastgesteld). Spanje en Frankrijk staan
229
Tijdens langere tijdelijke opslag moet het afval te allen tijde kunnen weggehaald worden.
voorlopig niet toe dat buitenlands afval in hun opslagplaatsen wordt geborgen. Zweden en Finland hebben succes geboekt met hun programma’s voor laag-en middelactief afval. Het Finse parlement keurde in 2001 de beslissing van de regering
5.1.2.2. Berging van hoogradioactief afval
Hoogactief afval vormt een technische en sociale uitdaging. Technisch gezien is een bovengrondse opslagruimte eenvoudiger te bouwen dan een veel complexere ondergrondse bergingruimte (National Research Council 2001, p. 15). Onderzoeksprojecten over ondergrondse opslagopties voor hoogactief afval zijn al decennialang aan de gang en worden nog altijd voortgezet.
Het Belgische onderzoeks-en ontwikkelingsprogramma voor de Boomse kleilaag zou in fasen tot 2035 kunnen duren, tevens de vroegste datum voor de ingebruikneming van een mogelijke bergingslocatie. Totnogtoe spitst het onderzoek zich nagenoeg uitsluitend toe op technische aspecten van opslag van hoogactief afval. Alternatieven zoals reductie van lange termijn radiotoxiciteit door doorgevoerde scheiding (‘partitioning’) en transmutatie worden verkend maar zouden slechts een deel van het afvalprobleem oplossen. De Belgische kernindustrie is immers van oordeel dat het vinden van een definitieve oplossing voor middel-en hoogactief afval niet echt dringend is omdat het afval sowiezo eerst een afkoelperiode van ten minste 50 jaar moet doormaken230. De resultaten van het onderzoek naar de kleilaag in de jaren ‘90 zijn in het SAFIR 2-rapport opgenomen.
5.1.2.3. Afvaltransporten
Transport van radioactief afval leidt vaak tot reacties die een afspiegeling zijn van het hele maatschappelijke debat rond kernenergie. Afhankelijk van het land is de manier waarop men tegen transporten van kernafval aankijkt een afspiegeling van de kijk op kernenergie in het algemeen: men heeft weinig vertrouwen in de bevoegde instanties en men is bang voor ongevallen of incidenten. De kijk van de kernindustrie op deze reacties en op de angst van het publiek in het algemeen, is dat het probleem sterk wordt overdreven (vaak ook door de media of protestgroepen zoals Greenpeace). De industrie is van oordeel dat de angst door irrationele redenen is ingegeven en niet
230 Zie
interview met G.Demazy en R. Leclère.
door ‘feiten’. Uit een recent onderzoek in het Verenigd Koninkrijk blijkt dat twee derde van de bevolking geen vertrouwen heeft in de organisaties die bij het transport van radioactief afval zijn betrokken en dat meer dan 75% ongerust is over de gevolgen van radioactief afvaltransport voor zichzelf en hun gezin (Society for Radiological Protection 2003). Een afvaltransport naar de bovengrondse tijdelijke opslagplaats in Gorleben (Duitsland) was in 1995 aanleiding voor betogingen. Bij elk volgend transport van hoogactief afval dat de regering plande, werden de betogingen almaar omvangrijker. In 1997 probeerden enkele duizenden actievoerders het transport tegen te houden en moest de Duitse politie massaal tussenbeide komen (Mariott 1998). In België waren er ook manifestanten aanwezig toen het eerste transport van verglaasd afval van Cogéma in La Hague (Frankrijk), naar België terugkeerde. De volgende transporten kregen aanzienlijk minder aandacht van protestbewegingen en de media.
5.1.2.4. Problemen die aan de basis van het debat liggen
Radioactief afval (en het beheer ervan) maakt bij verschillende actoren sterke reacties los. Het zoeken naar oplossingen die voor uiteenlopende opinies en waardesystemen aanvaardbaar zijn, is al tientallen jaren aan de gang. De erkenning dat andere standpunten (buiten de wetenschappelijke en technische opinies over radioactief afval) waardevol kunnen zijn, is een erg geleidelijk proces geweest. Intussen werden inspanningen geleverd om begrip op te brengen voor de kloof tussen verschillende actoren, zowel voor wat betreft het bereiken van een consensus met het oog op een mogelijke oplossing i.v.m. een concrete probleemstelling (bijvoorbeeld over de lokalisatie van opslagplaatsen) als het aangaan van een echte dialoog op basis van waardenreferenties (wanneer de standpunten niet diametraal tegenovergesteld zijn).
Sociaal-wetenschappelijk onderzoek aan het eind van de jaren ‘80 en tijdens de jaren ‘90 focuste op risicoperceptie. Het boek “Risk society” van Ulrich Beck (1986)231 toont hoe het dagelijkse leven in de postindustriële maatschappij door de impact van allerlei (niet alleen technologische) risico’s beïnvloed wordt. Onderzoekers zoals Drottz-Sjöberg232 wijzen op bepalende cognitieve factoren in de individuele risicoperceptie zoals de mogelijkheid op een catastrofe als er iets fout gaat, vrije wil bij de keuze van het risico, controleerbaarheid van het risico, vertrouwdheid met het risico, vertrouwen in de bevoegde instanties, (politieke) vrijheden, enz. Anderen, zoals Sandman233, hebben geprobeerd om rekening