Voorwoord
Het derde werkingsjaar van het viWTA viel samen met een verkiezingsjaar voor het Vlaams Parlement. Dit betekende dat de samenstelling van de Raad van Bestuur gedeeltelijk aangepast diende te worden. Het Parlement duidde opnieuw acht Vlaamse Volksvertegenwoordigers aan, nadat zij voorgesteld waren door de politieke fracties. Bovendien moesten een nieuwe voorzitter en ondervoorzitter gekozen worden. Op zijn eerste vergadering in de vernieuwde samenstelling verkoos de Raad van Bestuur de heer Robert Voorhamme als voorzitter en mevrouw Trees Merckx-Van Goey als ondervoorzitter.
In 2004 ging een groot deel van de tijd en de energie naar de uitvoering en follow-up van de onderzoeksprojecten. Het goedgevulde jaarwerkplan bevatte een reeks van onderzoeksprojecten die zowel inhoudelijk als methodologisch een ruim spectrum omvatte. De hoofdmoot werd gevormd door de projecten van het programma ‘Energie en Klimaat: debat in Vlaanderen’. Bijna alle projecten van dit programma werden in 2004 voltooid. Ook werden bijbehorende adviezen voorbereid, die verder in dit jaarverslag staan. Het formuleren van dergelijke adviezen behoort immers tot de kerntaken van het viWTA. Bovendien zullen ze in 2005 de hoeksteen vormen van een valorisatieaanpak waarin het Vlaams Parlement en zijn commissies centraal staan.
In 2004 werden ook onderzoeksprojecten uitgevoerd die geen betrekking hadden op het Vlaamse energiedebat. Zo werd gekeken naar een terrein waar vergrijzing en technologie samenkomen. In het project ‘Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs’ gingen we op zoek naar de best denkbare verhouding tussen de informatie- en communicatietechnologie (ICT) van de toekomst enerzijds en de mogelijkheden en de behoeften van ouderen anderzijds. In dit project kwamen wetenschappelijk onderzoek, publieksparticipatie en expertparticipatie samen. Dat was ook nodig, want de doelstelling was om met 50-plussers na te denken over ICT in de samenleving van de toekomst. Zo werden dankzij de rechtstreekse deelname van ouderen in het onderzoek relevante adviezen aan de Vlaamse overheid geformuleerd, zowel op het gebied van welzijn en gezondheidszorg als op dat van het mediabeleid.
Er werden ook korte studies gerealiseerd op gebieden met onderzoekspotentieel voor de toekomst. Zo werd een synthese gemaakt van de mogelijkheden en beperkingen van e-democratie in Vlaanderen. Een soortgelijke synthese werd gemaakt van de manier waarop ICT kan bijdragen tot een betere gezondheid en zorgverstrekking voor Vlaanderen.
In het voorbije werkingsjaar werd ook het bredere beleidsperspectief van samenleving en technologie niet uit het oog verloren. Het denken over innovatie werd geanalyseerd met het oog op de rol die het technologisch aspectenonderzoek hierin kan spelen. Dit gaf aanleiding tot een memorandum van het viWTA, gericht aan iedereen die in Vlaanderen met innovatie begaan is. Met dit “Memorandum over het Innovatiebeleid” wil het viWTA constructief meewerken aan het innovatieproces in onze regio en het Vlaams Parlement een denkkader aanreiken om de innovatie te stimuleren.
Naast de centrale focus op de beleidsondersteuning, werd ook doelgericht gewerkt om het grote publiek te bereiken. Het meest zichtbare resultaat hiervan was de lezingenreeks “De ethiek van het Kyoto-protocol”. Hierin werden zes eminente denkers uitgenodigd om, elk vanuit hun eigen invalshoek, aan een publiek van politici, NGO’s, betrokken groepen en geïnteresseerden de onderliggende maatschappelijke waarden en normen m.b.t. het actuele energie- en klimaatdebat, toe te lichten.
Ook het internationale perspectief werd niet uit het oog verloren. De belangrijke ondersteunende rol die het ‘netwerken’ met andere gelijksoortige parlementaire instellingen in het buitenland inneemt, werd al gedurende de eerste twee werkingsjaren van het viWTA ervaren. Om onze plaats als instelling verbonden aan een regionaal parlement in dit netwerk te consolideren, werd verkregen dat het viWTA in 2005 het voorzitterschap van het EPTA-netwerk (European Parliamentary Technology Assessment) op zich mag nemen.
Uit dit belangrijke derde werkingsjaar mogen we concluderen dat de organisatie gestadig verder groeit en volwassen wordt. De instelling is duidelijk klaar voor de uitdagingen van 2005, een jaar waarin het reeds geleverde werk en de uitvoering van het Jaarwerkplan 2005 ongetwijfeld waardevol zullen blijken voor de beleidsondersteuning. We zijn ervan overtuigd dat het technologisch aspectenonderzoek zoals uitgevoerd en uit te voeren door het viWTA een toegevoegde waarde heeft voor de inhoudelijke voorbereiding van de beleidsdiscussies en de debatten in alle geledingen van de Vlaamse parlementaire gemeenschap.
Robby Berloznik
Directeur van het viWTA
Inhoudsopgave
1.1. Raad van Bestuur en Dagelijks Bestuur
1.3. De opdrachten van het viWTA
2. Genese en motivatie van de projecten 2004
2.1. Het programma ‘Energie en klimaat: debat in Vlaanderen’
2.2. Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs
2.3. E-democratie en e-gezondheid
2.4. Het menselijke brein ter discussie
2.5.1. Technologische innovatie en technology assessment
2.5.2. Technology assessment, duurzame ontwikkeling en ethiek
2.5.3. The Institutionalisation of Ethics in Science Policy (INES)
2.5.4. Participatory Methods Toolkit. A Practitioner’s Manual
3.1. Adviezen over een energiedebat
3.1.1. Welk maatschappelijk debat?
3.1.2. Het onderwerp van een energiedebat
3.1.3. De contouren van het energiedebat
3.2. Adviezen over hernieuwbare energie in Vlaanderen
3.2.1. Geen keuzen, wel een kader
3.2.2. Hernieuwbare energie vraagt stabiliteit
3.2.3. Publieksparticipatie aan het energiedebat
3.3. Adviezen over bouwen, wonen en energie
3.3.1. Pragmatisme als leidraad
3.3.2. Bouwen, wonen en energie gaan iedereen aan
3.3.3. Nieuwbouw en verbouwing
3.4. Adviezen over het huishoudelijke energiegebruik
3.4.1. Besparen door het aanspreken van individu en gemeenschap
3.5. Adviezen over ouderen en ICT
3.5.1. Betreffende Wetenschap en Innovatie: ouderen als medeontwikkelaars van ICT
3.5.2. Betreffende Welzijn en Volksgezondheid: e-gezondheidszorg
3.5.3. Betreffende Welzijn: e-buurtnetwerken
3.5.4. Betreffende Media: digitale televisiediensten voor ouderen
4.1. Het project ‘Kernenergie en maatschappelijk debat’
4.1.2. Situering: een technologie, een debat
4.1.3. De begeleiding van het project
4.2. Het project ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?’
4.2.2. Situering: hernieuwbare energie, een parcours met hindernissen
4.2.3. De begeleiding van het project
4.2.5. Het eindwerk over biomassa
4.3. Het project ‘Bouwen, wonen en energie’
4.3.2. Situering: bouwen en wonen vraagt energie
4.3.3. De begeleiding van het project
4.4. Het project ‘Determinanten huishoudelijk energiegebruik’
4.4.2. Situering: willen en kunnen
4.4.3. De begeleiding van het project
4.5. Het project ‘Eerste fase toekomstverkenning energiesystemen – Vlaanderen 2050’
4.5.2. Situering: een onderneming van verscheidene jaren
4.5.3. De begeleiding van het project
4.6. Een ethische lezing van het Kyoto-Protocol
4.6.2. Situering: een ethische kijk op Kyoto
4.6.3. De begeleiding van het project
4.7. Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs
4.7.2. Situering: een geïntegreerd project
4.7.3. De begeleiding van het project
4.8. Het menselijke brein ter discussie
4.8.2. Situering: hersenen kennen geen grenzen
4.9.2. Situering: de crisis van de democratie
4.10.2. Situering: e-gezondheid als overkoepelend begrip.
4.11. Technologische innovatie en technology assessment
4.11.2. Situering: de rol van het technologisch aspectenonderzoek in innovatie
4.12. Technology assessment, duurzame ontwikkeling en ethiek
4.12.2. Situering: de ethische dimensie in TA en DO
4.12.3. De begeleiding van het project
4.13. The Institutionalisation of Ethics in Science Policy
4.13.2. Situering: ethiek als onderdeel van het beleid
4.14. Participatory Methods Toolkit. A Practitioner’s Manual
4.14.1. Situering: een praktische handleiding voor publieksparticipatie
5.5. De communicatie-evaluatie
5.9. Projectgebonden activiteiten
6. Het viWTA en de internationale context
7.1. Wetenschappelijk Secretariaat
7.2. De samenwerking met het Algemeen Secretariaat van het Vlaams Parlement
7.3. Aanpassing van het Huishoudelijk Reglement
8.1. Toelichting bij de aanrekening 2004 en de begroting 2005
8.2. Begroting en aanrekeningen 2004
8.2.1. De goedkeuring van de begroting 2004
8.2.2. Begroting en aanrekening 2004
8.3.1. De goedkeuring van de begroting 2005
8.3.2. Specifieke elementen in de begroting 2005
9. Activiteitenoverzicht van het Wetenschappelijk Secretariaat
9.1. Interne activiteiten en vorming
10.1. Wetenschappelijke eindrapporten en samenvattingen
10.3. ViWTA-documenten en publicaties
1. Het viWTA....................................................................................................................................................................... 8
1.1. Raad van Bestuur en Dagelijks
Bestuur....................................................................................................................... 8
1.2. Personeelsleden............................................................................................................................................................. 9
1.3. De opdrachten van het viWTA.................................................................................................................................... 10
2. Genese en motivatie van de
projecten 2004.............................................................................................................. 11
2.1. Het programma ‘Energie en
klimaat: debat in Vlaanderen’...................................................................................... 12
2.2. Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs................................................................................................................................ 13
2.3. E-democratie en e-gezondheid.................................................................................................................................... 14
2.4. Het menselijke brein ter
discussie............................................................................................................................... 14
2.5. Ondersteunende projecten........................................................................................................................................... 15
2.5.1.
Technologische innovatie en technology assessment................................................................................................ 15
2.5.2.
Technology assessment, duurzame ontwikkeling en ethiek...................................................................................... 15
2.5.3. The
Institutionalisation of Ethics in Science Policy (INES)..................................................................................... 15
2.5.4.
Participatory Methods Toolkit. A Practitioner’s Manual....................................................................................... 16
3. Adviezen........................................................................................................................................................................ 17
3.1. Adviezen over een energiedebat.................................................................................................................................. 18
3.1.1. Welk
maatschappelijk debat?.................................................................................................................................... 18
3.1.2. Het
onderwerp van een energiedebat........................................................................................................................ 18
3.1.3. De
contouren van het energiedebat........................................................................................................................... 18
3.2. Adviezen over hernieuwbare
energie in Vlaanderen................................................................................................... 20
3.2.1. Geen
keuzen, wel een kader...................................................................................................................................... 20
3.2.2.
Hernieuwbare energie vraagt stabiliteit..................................................................................................................... 20
3.2.3.
Publieksparticipatie aan het energiedebat................................................................................................................. 21
3.3. Adviezen over bouwen, wonen en
energie................................................................................................................... 22
3.3.1.
Pragmatisme als leidraad........................................................................................................................................... 22
3.3.2. Bouwen,
wonen en energie gaan iedereen aan........................................................................................................... 22
3.3.3.
Nieuwbouw en verbouwing...................................................................................................................................... 23
3.3.4. Recht op
zon............................................................................................................................................................. 23
3.4. Adviezen over het huishoudelijke
energiegebruik....................................................................................................... 24
3.4.1. Besparen
door het aanspreken van individu en gemeenschap................................................................................... 24
3.5. Adviezen over ouderen en ICT.................................................................................................................................... 25
3.5.1.
Betreffende Wetenschap en Innovatie: ouderen als medeontwikkelaars van ICT.................................................... 25
3.5.2.
Betreffende Welzijn en Volksgezondheid: e-gezondheidszorg.................................................................................. 26
3.5.3.
Betreffende Welzijn: e-buurtnetwerken.................................................................................................................... 27
3.5.4.
Betreffende Media: digitale televisiediensten voor ouderen...................................................................................... 28
4. Projecten........................................................................................................................................................................ 29
4.1. Het project ‘Kernenergie en
maatschappelijk debat’.................................................................................................. 29
4.1.1.
Informatiefiche.......................................................................................................................................................... 29
4.1.2.
Situering: een technologie, een debat......................................................................................................................... 29
4.1.3. De
begeleiding van het project.................................................................................................................................. 30
4.1.4.
Projectverloop........................................................................................................................................................... 31
4.2. Het project ‘Is er plaats voor
hernieuwbare energie in Vlaanderen?’....................................................................... 33
4.2.1.
Informatiefiche.......................................................................................................................................................... 33
4.2.2. Situering:
hernieuwbare energie, een parcours met hindernissen............................................................................... 33
4.2.3. De
begeleiding van het project.................................................................................................................................. 34
4.2.4.
Projectverloop........................................................................................................................................................... 34
4.2.5. Het
eindwerk over biomassa..................................................................................................................................... 35
4.3. Het project ‘Bouwen, wonen en
energie’..................................................................................................................... 36
4.3.1.
Informatiefiche.......................................................................................................................................................... 36
4.3.2.
Situering: bouwen en wonen vraagt energie............................................................................................................... 36
4.3.3. De
begeleiding van het project.................................................................................................................................. 37
4.3.4.
Projectverloop........................................................................................................................................................... 38
4.4. Het project ‘Determinanten
huishoudelijk energiegebruik’........................................................................................ 40
4.4.1.
Informatiefiche.......................................................................................................................................................... 40
4.4.2.
Situering: willen en kunnen....................................................................................................................................... 40
4.4.3. De
begeleiding van het project.................................................................................................................................. 41
4.4.4.
Projectverloop........................................................................................................................................................... 41
4.5. Het project ‘Eerste fase
toekomstverkenning energiesystemen – Vlaanderen 2050’.................................................. 44
4.5.1.
Informatiefiche.......................................................................................................................................................... 44
4.5.2.
Situering: een onderneming van verscheidene jaren................................................................................................... 44
4.5.3. De
begeleiding van het project.................................................................................................................................. 45
4.5.4.
Projectverloop........................................................................................................................................................... 45
4.6. Een ethische lezing van het
Kyoto-Protocol................................................................................................................ 47
4.6.1.
Informatiefiche.......................................................................................................................................................... 47
4.6.2.
Situering: een ethische kijk op Kyoto....................................................................................................................... 47
4.6.3. De
begeleiding van het project.................................................................................................................................. 48
4.6.4.
Projectverloop........................................................................................................................................................... 48
4.6.5. Een
essaybundel........................................................................................................................................................ 48
4.7. Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs................................................................................................................................ 49
4.7.1.
Informatiefiche.......................................................................................................................................................... 49
4.7.2.
Situering: een geïntegreerd project............................................................................................................................. 49
4.7.3. De
begeleiding van het project.................................................................................................................................. 50
4.7.4.
Projectverloop........................................................................................................................................................... 50
4.8. Het menselijk brein ter discussie................................................................................................................................. 53
4.8.1.
Informatiefiche.......................................................................................................................................................... 53
4.8.2.
Situering: hersenen kennen geen grenzen................................................................................................................... 53
4.8.3.
Projectverloop........................................................................................................................................................... 54
4.9. E-democratie............................................................................................................................................................... 55
4.9.1.
Informatiefiche.......................................................................................................................................................... 55
4.9.2.
Situering: de crisis van de democratie........................................................................................................................ 55
4.9.3.
Projectverloop........................................................................................................................................................... 55
4.10. E-gezondheid........................................................................................................................................................... 58
4.10.1.
Informatiefiche........................................................................................................................................................ 58
4.10.2.
Situering: e-gezondheid als overkoepelend begrip................................................................................................... 58
4.10.3.
Projectverloop......................................................................................................................................................... 59
4.11. Technologische innovatie en
technology assessment.............................................................................................. 61
4.11.1.
Informatiefiche........................................................................................................................................................ 61
4.11.2.
Situering: de rol van technologisch aspectenonderzoek in innovatie....................................................................... 61
4.11.3.
Projectverloop......................................................................................................................................................... 61
4.12. Technology assessment, duurzame
ontwikkeling en ethiek..................................................................................... 63
4.12.1.
Informatiefiche........................................................................................................................................................ 63
4.12.2.
Situering: de ethische dimensie in TA en DO......................................................................................................... 63
4.12.3. De
begeleiding van het project................................................................................................................................ 63
4.12.4.
Projectverloop......................................................................................................................................................... 64
4.13. The Institutionalisation of
Ethics in Science Policy.................................................................................................. 65
4.13.1.
Informatiefiche........................................................................................................................................................ 65
4.13.2.
Situering: ethiek als onderdeel van het beleid.......................................................................................................... 65
4.13.3.
Projectverloop......................................................................................................................................................... 65
4.14. Participatory Methods Toolkit. A
Practitioner’s Manual........................................................................................ 67
4.14.1.
Situering: een praktische handleiding voor publieksparticipatie............................................................................. 67
4.14.2.
Projectverloop......................................................................................................................................................... 67
5. Communicatie.............................................................................................................................................................. 68
5.1. Schrijfwedstrijd........................................................................................................................................................... 68
5.2. Kostenbeheersing........................................................................................................................................................ 69
5.3. DVD............................................................................................................................................................................ 69
5.4. Relatiebeheersysteem................................................................................................................................................... 70
5.5. De communicatie-evaluatie......................................................................................................................................... 70
5.6. Nieuwe producten........................................................................................................................................................ 72
5.7. Kyoto-lezingen............................................................................................................................................................. 73
5.8. De website................................................................................................................................................................... 73
5.9. Projectgebonden activiteiten........................................................................................................................................ 73
6. Het viWTA en de internationale
context................................................................................................................... 75
7. Administratief verslag................................................................................................................................................. 76
7.1. Wetenschappelijk Secretariaat.................................................................................................................................... 76
7.2. De samenwerking met het Algemeen
Secretariaat van het Vlaams Parlement........................................................... 78
7.3. Aanpassing van het Huishoudelijk
Reglement............................................................................................................ 78
8. Financieel verslag........................................................................................................................................................ 79
8.1. Toelichting bij de aanrekening
2004 en de begroting 2005........................................................................................ 79
8.2. Begroting en aanrekeningen 2004.............................................................................................................................. 80
8.2.1. De
goedkeuring van de begroting 2004...................................................................................................................... 80
8.2.2.
Begroting en aanrekening 2004.................................................................................................................................. 80
8.3. Begroting 2005............................................................................................................................................................ 84
8.3.1. De goedkeuring
van de begroting 2005...................................................................................................................... 84
8.3.2.
Specifieke elementen in de begroting 2005................................................................................................................ 84
8.3.3.
Begroting 2005.......................................................................................................................................................... 85
9. Activiteitenoverzicht van het
Wetenschappelijk Secretariaat............................................................................... 88
9.1. Interne activiteiten en vorming.................................................................................................................................... 88
9.2. Werkbezoeken............................................................................................................................................................. 88
9.3. Externe presentaties.................................................................................................................................................... 90
9.4. Externe vorming.......................................................................................................................................................... 91
10. Publicaties..................................................................................................................................................................... 93
10.1. Wetenschappelijke eindrapporten
en samenvattingen............................................................................................. 93
10.2. Verslagen van workshops....................................................................................................................................... 94
10.3. ViWTA-documenten en publicaties.......................................................................................................................... 94
11. Lijst van tabellen.......................................................................................................................................................... 96
12. Colofon.......................................................................................................................................................................... 97
Lijst van adviezen
Lijst van tabellen
Tabel 1. Begroting en aanrekening 2004 - personeel
Tabel 2. Begroting en aanrekening 2004 - werkingskosten
Tabel 3. Begroting en aanrekening 2004 - investeringen
Tabel 4. Begroting en aanrekening 2004 – overzicht uitgaven en inkomsten.
Tabel 5. Vastleggingen uit 2003
Op 17 juli 2000 richtte het Vlaams Parlement het Vlaams Instituut voor Wetenschappelijk en Technologisch Aspectenonderzoek (viWTA) op. Het werk van het viWTA past in het kader van het technologisch aspectenonderzoek of ‘technology assessment’ (TA). Het viWTA is een autonome instelling binnen het Vlaams Parlement. De organisatie heeft dus een eigen Raad van Bestuur die instaat voor het beleid. Deze zestienkoppige Raad bestaat voor de helft uit Vlaamse Volksvertegenwoordigers (die ook de voorzitter leveren) en voor de andere helft uit personaliteiten uit de Vlaamse wetenschappelijke en technologische wereld. Na de verkiezingen van 2004 heeft de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement op 13 oktober 2004 voor een tweede keer de Volksvertegenwoordigers in de Raad van Bestuur van het viWTA aangewezen.
De heer Robert Voorhamme is de voorzitter van de Raad van Bestuur, mevrouw Trees Merckx-Van Goey en de heer Lode Wyns zijn de ondervoorzitters.
De volledige Raad bestaat op dit ogenblik uit:
· mevrouw Patricia Ceysens;
· de heer Eloi Glorieux;
· mevrouw Kathleen Helsen;
· mevrouw Trees Merckx-Van Goey;
· de heer Jan Peumans;
· de heer Erik Tack;
· mevrouw Marleen Van den Eynde;
· de heer Robert Voorhamme
als Vlaamse Volksvertegenwoordigers;
· de heer Paul Berckmans;
· de heer Jean-Jacques Cassiman;
· de heer Paul Lagasse;
· mevrouw Ilse Loots;
· de heer Bernard Mazijn;
· de heer Freddy Mortier;
· de heer Nicolas van Larebeke-Arschodt;
· de heer Lodewijk Wyns
als vertegenwoordigers van de Vlaamse wetenschappelijke en technologische wereld.
Vóór 13 oktober waren in 2004 de Volksvertegenwoordigers in de Raad:
· de heer Eloi Glorieux;
· de heer Julien Librecht;
· mevrouw Trees Merckx-Van Goey;
· de heer Cis Schepens;
· de heer Gilbert Van Baelen;
· de heer Chris Vandenbroeke;
· de heer Gilbert Vanleenhove;
· de heer Robert Voorhamme.
De voorzitter en de ondervoorzitters waren dezelfde als na 13 oktober 2004.
Het Dagelijks Bestuur van het viWTA bestaat uit de heer Voorhamme, mevrouw Merkcx-Van Goey, de heer Wyns en de heer Berloznik. Ook de samenstelling van het Dagelijks Bestuur werd niet beïnvloed door de aanduiding van de nieuwe Volksvertegenwoordigers in de Raad van Bestuur.
De dagelijkse werking van het viWTA is in handen van een multidisciplinair Wetenschappelijk Secretariaat, onder leiding van een directeur. Het Wetenschappelijk Secretariaat coördineert het onderzoek, organiseert de interactie tussen publiek en experts, en verleent advies aan het Vlaams Parlement.
Op 1 september 2004 bestond het Wetenschappelijk Secretariaat uit de volgende leden:
· Robby Berloznik, directeur;
· Donaat Cosaert, onderzoeker;
· Robby Deboelpaep, onderzoeker;
· Peter Graller, communicatieverantwoordelijke;
· Stef Steyaert, onderzoeker;
· Els Van den Cruyce, onderzoeksmedewerker;
Het Wetenschappelijk Secretariaat wordt bijgestaan door Sabine Vermeulen, secretarieel medewerker.
Het viWTA bestudeert de maatschappelijke aspecten van wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Daarnaast verduidelijkt het viWTA de argumenten en posities in het maatschappelijk debat over wetenschap en technologie. We laten daarbij niet alleen experts aan het woord: ook de brede bevolking krijgt inspraak. Het viWTA geeft immers de voorkeur aan een participatieve aanpak. Daarbij worden alle belanghebbenden betrokken, bijvoorbeeld door de organisatie van een publieksforum. Onze tweede naam is dan ook “Samenleving en technologie”. Concreet geeft het oprichtingsdecreet het viWTA de volgende opdrachten:
· korte, voorbereidende evaluaties laten uitvoeren door het Wetenschappelijk Secretariaat;
· lange, omvattende evaluaties uitbesteden aan nationale of internationale experts;
· op gepaste wijze en schaal een maatschappelijk debat organiseren;
· aanbevelingen formuleren aan het Vlaams Parlement;
· contacten onderhouden met de regionale, nationale en internationale betrokkenen bij het maken van wetenschappelijke en technologische keuzen;
· een jaarlijkse analyse opstellen van de behoeften aan onderzoek en ontwikkeling.
De noden en wensen van het Vlaams Parlement zijn een richtsnoer voor het viWTA. De instelling kan zelf het initiatief nemen voor een onderzoek, of vertrekken van een vraag van de Vlaamse Volksvertegenwoordigers (Decreet, Art. 5). Op 18 februari 2004 legde het Vlaams Parlement vast hoe dat moet gebeuren. (Reglement van het Vlaams Parlement, Art. 87). In hetzelfde artikel staat ook hoe de behandeling verloopt van de adviezen, die het viWTA opneemt in zijn jaarverslag.
De meeste parlementen in Europa hebben al jaren een gelijkaardig instituut. Ze zijn verenigd in het “European Parliamentary Technology Assessment Network” of “EPTA”. Het viWTA staat dus niet alleen voor zijn taak, maar is omringd door de ervaring van verschillende zusterinstellingen.
In 2004 werd een groot aantal onderzoeksprojecten van het viWTA afgerond. Zij behandelden een breed scala van onderwerpen op het kruispunt van wetenschap, technologie en maatschappij. Dit jaarverslag presenteert hun belangrijkste resultaat: de adviezen die het viWTA aan het Vlaams Parlement heeft geformuleerd. De lezer vindt ze in hoofdstuk 3 van dit jaarverslag. De projectverslagen zelf staan in hoofdstuk 4.
Bij het vastleggen van de projecten heeft de Raad van Bestuur gekozen uit een breed aanbod aan ideeën. Het Wetenschappelijk Secretariaat doet permanent aan monitoring. Op de website kan iedereen suggesties doen voor projecten, en tenslotte organiseert het viWTA op gezette tijdstippen een oproep voor ideeën. Daarnaast kan het Vlaams Parlement opdrachten geven aan het viWTA, maar dat is in 2004 nog niet gebeurd.
Dit hoofdstuk motiveert kort de projecten van 2004. Wie een meer gedetailleerde motivatie zoekt, kan die vinden in het volledige Jaarwerkplan 2003-2004. Men kan het raadplegen op onze website www.viwta.be.
De projecten van het programma ‘Energie en klimaat: debat in Vlaanderen’ zijn gekozen uit meer dan vijftig suggesties. Na een deliberatieproces dat verscheidene maanden van 2003 in beslag nam, ontstonden de volgende projecten:
· Kernenergie en maatschappelijk debat;
· Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?;
· Bouwen, wonen en energie;
· Determinanten huishoudelijk energiegebruik;
· Eerste fase toekomstverkenning energiesystemen – Vlaanderen 2050;
· Een ethische lezing van het Kyoto-protocol.
Het project ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?’ werd aangevuld met een eindwerk van een stagair-student over biomassa.
Met dit programma wilde het viWTA bijdragen tot het verhogen van de kwaliteit van het maatschappelijk debat en tot een beter onderbouwd besluitvormingsproces in het Vlaams Parlement, onder meer bij de bespreking van een geactualiseerd Vlaams klimaatbeleidsplan.
Bij de keuze is rekening gehouden met verschillende criteria. De onderwerpen zijn gekenmerkt door hun impact en door hun controversiële karakter. Zij zijn verdeeld over verschillende fasen in de beleidscyclus: visievorming, selectie en structurering van beleidsproblemen, genereren en vergelijken van beleidsopties… Tenslotte passen ze binnen de missie van het viWTA, aangezien de bestudeerde wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen duidelijk maatschappelijke aspecten hebben.
Bovendien heeft het programma ‘Energie en klimaat’ een meerwaarde voor het Vlaams Parlement, met beleidsrelevantie op korte, middellange en/of lange termijn. De verschillende projecten kunnen gegevens en ideeën leveren voor het decreetgevende werk en bieden de mogelijkheid om de bevolking te betrekken bij een maatschappelijk debat. Het globale programma ‘Energie en klimaat’ vormt zo een evenwichtig geheel. De verschillende niveaus waarop de samenleving zich organiseert, kunnen lessen trekken uit een of meer van de projecten: de individuele Vlaming, de buurt, de gemeente en de regio of het land.
‘Bouwen, wonen en energie’ en ‘Determinanten huishoudelijk energiegebruik’ zijn beide projecten rond rationeel energiegebruik en energiebewustzijn. Dat zijn immers de twee basisvoorwaarden om de energie-intensiteit van een geïndustrialiseerde samenleving te reduceren.
Het project ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?’ en het eindwerk over biomassa gaan over hernieuwbare energie. De Europese Unie stelde zich in het Witboek van 1997 immers tot streefdoel om in 2010 tot twaalf procent van de primaire energiebehoefte uit hernieuwbare energiebronnen te halen. Vlaanderen wil in 2010 zes procent van de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen winnen.
De achtergrond van het project ‘Kernenergie en maatschappelijk debat’ is de regeringsbeslissing om kerncentrales na 40 jaar dienst niet te vervangen. Dit onderzoek sluit aan bij gelijkaardig Nederlands onderzoek door het Rathenau Instituut.
Een klimaatbeleid vereist naast onmiddellijk toepasbare ingrepen ook een visie op de lange termijn. Welke nieuwe energiebronnen dienen zich aan, wat zijn de mogelijkheden en risico's en hoe spelen we hierop in? Deze onzekerheden worden aangepakt door de multidisciplinaire toekomstverkenning of foresight ‘Eerste fase toekomstverkenning energiesystemen – Vlaanderen 2050’.
Het protocol van Kyoto is een belangrijk element in het Vlaamse klimaatbeleid. Maar aan dat protocol zijn naast economische en technologische ook ethische aspecten verbonden. Het Kyoto-protocol voorziet bijvoorbeeld in zgn. flexibele mechanismen zoals verhandelbare emissierechten. Maar zijn oplossingen waarbij het rechtstreekse verband met de eigen inspanningen verdwijnt, wel ethisch te verantwoorden? Een ander aspect is het concept van de ecologische schuld: de historische verantwoordelijkheid van de industrielanden voor de uitbuiting, de roofbouw, de vervuiling en de culturele overheersing van ontwikkelingslanden. Om het debat over deze ethische kwesties te onderbouwen, organiseerde het viWTA de lezingenreeks ‘Een ethische lezing van het Kyoto-protocol’.
Naast het programma ‘Energie en klimaat: debat in Vlaanderen’ ontwikkelde het viWTA ook projecten die zich concentreerden op levenswetenschappen en nieuwe media.
In het project ‘Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs’ kwamen die twee samen. Met dit project wilde het viWTA onderzoeken hoe senioren zich zullen bewegen in de samenleving van de toekomst, die nog sterker dan nu doordrongen zal zijn van technologie. Het viWTA heeft met dit project ook de kans aangegrepen om huidige en toekomstige senioren op een zeer innovatieve wijze te laten participeren aan het onderzoek. ‘Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs’ nodigde hen uit om in het Vlaams Parlement naar een toneelstuk te komen kijken. Dat confronteerde hen met verschillende technologische toekomstscenario’s. Op basis van gedachtewisselingen met de senioren over deze scenario’s wilde het project een blauwdruk schetsen van een ideale toekomst. Het project wilde daaruit lessen trekken voor het heden, die vertaald konden worden in concrete beleidsadviezen aan het Vlaams Parlement.
De projecten over e-democratie en e-gezondheid geven beiden een stand van zaken. Digitale informatiekanalen zullen een aantal domeinen in de samenleving immers ingrijpend beïnvloeden. Met deze studies wilde het viWTA de bestaande kennis samenvatten. Op basis van deze syntheses kan het viWTA dan aan het Vlaams Parlement informatie verschaffen. Bovendien ondersteunen ze het Wetenschappelijk Secretariaat bij het aftasten van deze veelbelovende onderzoeksdomeinen en bij het aflijnen van relevante onderzoeksvragen.
De 21e eeuw zal volgens velen de eeuw van het menselijke brein worden. De wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen op dit gebied zijn hallucinant, maar helaas grotendeels onbekend bij wetgever en publiek. Dit thema roept dus om maatschappelijke sensibilisatie en discussie, te meer omdat het raakt aan de menselijke persoon. Als een herseninplant mijn gemoedstoestand wijzigt, ben ik dan nog mezelf? Zal er een kloof ontstaan tussen gegoeden – die persoonlijkheidsverbeteringen kunnen betalen - en minder gegoeden? De ethische, maatschappelijke en juridische vragen zijn legio.
Samen met acht andere Europese partners richtte het viWTA op initiatief van de Koning Boudewijnstichting een consortium op. Dat wil de publieksparticipatie over de nieuwe hersenwetenschappen op landelijk én op Europees vlak structureren en organiseren. Publiekpanels zullen afzonderlijk in de respectieve deelnemende landen over hersenwetenschappen discussiëren en allemaal samen hetzelfde doen in Brussel.
De organisatie van een participatief project op Europese schaal is een primeur waaruit het viWTA methodologische lessen kan trekken. Dit tweejarig project loopt tot 2006. Het viWTA heeft er op toegezien dat het zijn eigen inbreng kan onderscheiden van de algemene doelstellingen en taken van het consortium.
Ondersteunende projecten zijn onderzoeksopdrachten, net als de gewone projecten. Ook zij zoeken naar het antwoord op een welomschreven vraag, maar het doel is minder de onmiddellijke relevantie en meer de ondersteuning van de werking van het viWTA op de langere termijn. Zij bouwen duurzame kennisnetwerken op, ontwikkelen nieuwe methoden, volgen de wetenschappelijke, politieke en maatschappelijk actualiteit en kijken vooruit naar wat ons te wachten staat.
Met dit project wilde het viWTA de rol van het parlementair technologisch aspectenonderzoek bestuderen en de (meer)waarde aanduiden van een parlementair TA-instituut voor Vlaanderen. Ook andere kennisactiviteiten rond innovatie en technologie kwamen in deze studie aan bod.
Het project rustte op twee pijlers: enerzijds een eerder theoretisch onderzoek en anderzijds een studie van de praktijk in Vlaanderen. Dit project had van in het begin de bedoeling te leiden tot een memorandum over innovatie en technology assessment voor de nieuwe Vlaamse regering die in 2004 geïnstalleerd werd.
Zowel het technologisch aspectenonderzoek als het concept ‘duurzame ontwikkeling’ hebben een ethische dimensie. Het evalueren van de maatschappelijke aspecten van wetenschap en technologie heeft immers tot doel ontwikkelingen te stimuleren die gewenst zijn, en het concept duurzame ontwikkeling is zinloos als het niet wordt geïnterpreteerd als een ethische oproep.
Dit project wilde beide benaderingen verrijken met een instrument voor ethische toetsing. Daaruit kan een transparante, ondersteunende en structurerende procedure ontwikkeld worden voor participatieve processen. Zo krijgen de participanten meer greep op de ethische dimensie.
Dit Europese initiatief omvat een vergelijkend onderzoek naar de praktijk van toegepaste ethiek. De bedoeling is om de beste praktijken te ontdekken en tot voorbeeld te stellen. Het project wordt door de Europese Commissie gefinancierd. De inbreng van het viWTA bestaat in het valoriseren van de opgedane ervaringen in een reeks projecten met een belangrijke ethische dimensie (bijvoorbeeld het project over genetisch gewijzigd voedsel, zie de jaarverslagen 2002-2003 en 2003-2004). Het gaat meer concreet over het ontwikkelen van een ethisch toetsingskader.
De belangstelling voor publieksparticipatie groeit. Niet alleen op de verschillende politieke niveaus die onze samenleving organiseren, maar ook in het middenveld en talrijke andere verenigingen en organisaties. Samen met de Koning Boudewijnstichting heeft het viWTA dus een handleiding geschreven voor iedereen die met participatieve methoden aan de slag wil. Het was niet de intentie om een theoretisch traktaat te produceren, maar wel om een zeer praktische verzameling richtlijnen, tips, stappenplannen en controlelijsten voor tien belangrijke participatieve methoden bij elkaar te brengen.
De noden en wensen van het Vlaams Parlement zijn een richtsnoer voor het viWTA. Met de adviezen in dit hoofdstuk wil viWTA inspelen op die wensen en noden en constructief bijdragen aan het werk van de Vlaamse Volksvertegenwoordigers.
De energiegerelateerde adviezen beperken zich niet strikt tot het beleidsdomein energie. Ze hebben ook betrekking op andere beleidsdomeinen, bijvoorbeeld ruimtelijke ordening (o.a. wat betreft vergunningen voor hernieuwbare energie en wat betreft bouwen en wonen) en leefmilieu (o.a. wat betreft de luchtkwaliteit binnenshuis).
De volgende adviezen zijn gebaseerd op de studie ‘Kernenergie en maatschappelijk debat’. Toch geven ze geen antwoord op de vraag of elektriciteit uit kernenergie in de toekomst nuttig of nodig zal zijn. Ten eerste was die vraag niet het onderwerp van deze studie. Maar vooral: ze kan ons inziens pas beantwoord worden na een reflectie over het hele energiebeleid.
Een gestructureerd en goed voorbereid debat kan een constructieve invloed hebben op dergelijke reflectie over het hele energiebeleid. Het is voor een dergelijk debat dat het viWTA lessen heeft getrokken uit de geschiedenis van het debat over kernenergie.
Nucleaire centrales verzorgen slechts een deel van de totale elektriciteitsproductie. Bovendien voldoet elektriciteit slechts aan een deel van de totale energiebehoefte in Vlaanderen, aangezien er nog andere energievectoren zijn, zoals aardolie en aardgas. De totale energiebehoefte is dus groter dan de behoefte aan (al dan niet nucleaire) elektriciteit. Omgerekend bevredigen nucleaire centrales in dit land ongeveer 15% van de totale energiebehoefte. Het beleid kan dus niet afgestemd worden op elektriciteit of nucleaire elektriciteit alleen. Een optimaal energiebeleid voor die ene vector past niet noodzakelijk in een optimaal globaal energiebeleid.
Advies:
Het viWTA is van mening dat het debat over energie niet beperkt mag worden tot één energievector, zoals elektriciteit, en bijgevolg ook niet tot de nucleaire elektriciteit.
Advies 1: het onderwerp van een energiedebat
Als Vlaanderen een debat voert over energie, moeten de contouren ruimer zijn dan bij het kernenergiedebat in het verleden.
Advies:
De problematiek van de energievoorzieningszekerheid is een integraal deel van een toekomstig energiedebat. Aangezien de voorraden van aardolie en aardgas eindig zijn, moet een debat ook aandacht schenken aan de energie-intensiteit van onze manier van leven en bijgevolg ook aan de grondstoffenintensiteit die daarmee gepaard gaat.
Aangezien Europa, België en Vlaanderen zich geëngageerd hebben om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen en aangezien de energieproductie een significant deel van deze uitstoot veroorzaakt, moet gedebatteerd worden over de bijdrage aan de klimaatverandering die de energieproductie en het energieverbruik veroorzaken.
Energievectoren worden getransporteerd en opgeslagen, energieproductie en –verbruik gaan gepaard met afvalproductie. De risico’s van productie, transport, opslag en afval moeten een onderwerp zijn in het debat over energie. Gezien de historische context waar ook Vlaanderen niet aan ontsnapt, moet daarbij aandacht gaan naar de gevaren van terrorisme en proliferatie. Ook de vraag hoe de overheid het toezicht op de veiligheidscontroles moet organiseren is een belangrijke topic.
Een debat moet steun bieden aan het beleid bij het formuleren van een antwoord op de vraag welke externe kosten geïnternaliseerd moeten worden. En tenslotte moet het debat helpen ophelderen voor welk energiebeleid een maatschappelijk draagvlak bestaat en hoe men de participatie van de Vlamingen kan integreren in de realisatie van dat energiebeleid.
Advies 2: de contouren van het energiedebat
Hernieuwbare energie kan op vele manieren geproduceerd en verdeeld worden. De volgende adviezen stellen geen concrete keuzen voor. Het is aan het beleid om over deze complexe problematiek een beslissing te nemen. Het eerste deel van de studie ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?’ helpt het Vlaams Parlement daarbij. Deze potentieelstudie geeft de boven- en ondergrenzen aan voor het potentieel van de verschillende productiewijzen voor Vlaanderen. Ze schetst dus de technologische mogelijkheden voor hernieuwbare energie in deze dichtbevolkte regio.
Maar naast de technologische mogelijkheden staan de niet-technologische belemmeringen. Daaraan is het tweede deel gewijd van ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?’ Deze belemmeringen vormen een deel van het kader waarin de hernieuwbare energieproductie zich zal ontwikkelen. Het is met het oog op dit kader dat het viWTA zijn adviezen formuleert.
Tenslotte heeft de productie van hernieuwbare energie niet zelden een tastbare invloed op de leefomgeving en eventueel de leefwijze van de omwonenden van hernieuwbare energie-installaties – denk bijvoorbeeld aan de inplanting van windmolens in de buurt van woonzones. De participatie van Vlamingen bij het realiseren van hernieuwbare energieproductie is dus belangrijk. Ook daarover adviseert het viWTA.
Hernieuwbare energiebronnen vragen om duidelijkheid en stabiliteit in de regelgeving. Investeringen in risicovolle sectoren hebben immers een lange looptijd.
Advies:
Het is aangewezen dat het beleid een kader schept, waarin ondernemers en overheden de kosten en de rentabiliteit zo correct mogelijk kunnen inschatten. Stabiliteit betekent geenszins onveranderlijkheid. Eventuele financiële steunmaatregelen kunnen variëren in de tijd. Nodig is vooral dat deze evolutie verloopt volgens een helder en voorspelbaar patroon. Ook de exploitatievoorwaarden kunnen wijzigen. Alleen zouden de voorwaarden voor oprichting, inrichting en plaatsing voldoende garanties moeten bevatten voor de gehele periode.
Advies 3: hernieuwbare energie vraagt stabiliteit
De Technische Universiteit Delft ontwikkelde een strategie voor het bereiken van een zo duurzaam mogelijke energievoorziening. Deze strategie, bekend onder de naam 'Trias Energetica', bestaat uit drie stappen:
· Beperk het energiegebruik door beperking van de vraag (energiebesparing);
· Gebruik duurzame energiebronnen (zon, wind, biomassa, bodemwarmte…);
· Gebruik eindige energiebronnen efficiënt (hoog rendement).
Men moet een bepaalde volgorde respecteren: eerst stap 1; voor de energie die toch nodig is stap 2; en voor het resterend energiegebruik stap 3.
Advies:
Het viWTA adviseert dat het beleid het tot stand komen van een strategie voor participatie ondersteunt. Zowel aan het beleid omtrent hernieuwbare energie als aan de realisatie van concrete hernieuwbare energieprojecten moeten de Vlamingen kunnen participeren. Het viWTA adviseert het Vlaams Parlement dus om de rol van lokale besturen te activeren en te ondersteunen. Een goed gestructureerde samenwerking tussen alle bevoegdheidsniveaus en de hernieuwbare energiesector is noodzakelijk. Het viWTA is ook van mening dat voor de overheid een belangrijke rol is weggelegd bij het valoriseren van de Vlaamse hernieuwbare energie-industrie.
Advies 4: publieksparticipatie aan het energiedebat
De eerste conclusie van de studie ‘Bouwen, wonen en energie’ lijkt enigszins ontmoedigend. Als het over bouwen en wonen gaat, wordt Vlaanderen namelijk geconfronteerd met een complexe, historisch gegroeide situatie. De wens om energie-efficiënt te bouwen en te wonen heeft daarbij slechts een beperkte rol gespeeld. Het is een illusie te denken dat men deze situatie op korte of zelfs op langere termijn geheel kan omvormen.
Toch zijn er kansen en de studie ‘Bouwen, wonen en energie’ is daaraan gewijd: de kansen om de ruimte meer energiebewust te ordenen, door de aandacht toe te spitsen op organisatorische maatregelen. De volgende adviezen hebben dus eerder een stimulerend dan een dwingend karakter.
Bouwen, wonen en het daarmee gepaard gaande energiegebruik gaan iedereen in Vlaanderen aan.
Advies:
Initiatieven die de overheid neemt, moeten rekening houden met een groot aantal betrokkenen. De ruimtelijke planners bepalen voor lange tijd de opties waar en hoe kan gebouwd worden. De architecten en de ingenieurs ontwerpen de gebouwen en hun bijbehorende installaties. Veel van het energiegedrag van een gebouw wordt vastgelegd op hun tekentafels en in hun keuze van materialen en systemen.
Voor energie-efficiënt bouwen en wonen moet de toeleveringsindustrie bouwproducten en –systemen aanbieden die beantwoorden aan de prestatie-eisen van het ontwerp. De uitvoerders, aannemers en installateurs zijn ervoor verantwoordelijk dat het gebouw met zijn installaties correct kan functioneren en beantwoordt aan de gevraagde prestaties. De wetenschappelijke wereld moet de bouwnijverheid de gepaste hulpmiddelen aanreiken om deze complexe opdracht op een kwalitatief hoogstaande manier tot een goed einde te brengen.
De overheid zet de krijtlijnen uit waarbinnen het bouwproces kan plaatsgrijpen, en vaardigt de normen en regels uit om de ruimere maatschappelijke belangen te vrijwaren. En de sluitsteen van dit alles is tenslotte de bouwheer-consument. Voor haar en hem moet duidelijk worden dat duurzaam bouwen en wonen – waarbij zowel energieaspecten als planmatige en infrastructurele overwegingen aan bod komen - voordelen biedt voor haar- en hemzelf, maar ook voor de maatschappij in haar geheel.
Advies 5: bouwen, wonen en energie gaan iedereen aan
Aangezien meer verbouwingen worden gerealiseerd dan nieuwbouw, hebben verbeteringen die ten goede komen aan het bestaande gebouwenpark meer impact.
Advies:
Het viWTA adviseert een versnelde introductie van het energiecertificaat voor bestaande woningen. Er zou een kader moeten komen dat inbreiding mogelijk maakt. Bij nieuwbouw moet het evenwicht tussen baten en lasten duidelijk zijn voor alle betrokkenen: de sector, de administratie en niet in het minst de bouwheer-consument.
Advies 6: Nieuwbouw en verbouwing
Op termijn moet de opvatting ‘energieprestatie’ ingeburgerd en vanzelfsprekend zijn, net zoals de stabiliteit van een woning – waar overigens een wettelijke waarborg voor bestaat.
Advies:
Er moet een regelgevend kader zijn, waarin investeringen in het kader van ‘recht op zon’ gewaarborgd blijven. De regelgeving mag de inplanting van decentrale wijkcentrales niet uitsluiten.
Advies 7: recht op zon
Bij de huishoudens ligt een enorm energiebesparingspotentieel dat onaangeroerd blijft. De Vlaamse gezinnen kunnen in theorie nog veel besparen op hun energiegebruik, zonder dat mensen aan comfort moeten inboeten. De studie ‘Determinanten van het huishoudelijk energiegebruik’ heeft onderzocht wat hun energiegebruik bepaalt. Deze kennis kan dienen als een ankerpunt voor een vernieuwd beleid.
Advies:
Het viWTA adviseert om energievriendelijk gedrag op de televisie zichtbaar te maken. Om de Vlaming aan te zetten tot energiezuinig leven kan de televisie een belangrijke rol spelen. Dit kan via een expliciete aanpak – programma’s over energiegebruik - maar ook impliciet: het op een onproblematische wijze representeren van energiebewust gedrag in andere televisieprogramma’s.
Het viWTA adviseert ook om over energiebewust gedrag informatie op maat van het individu te creëren en te verspreiden. Dat houdt drie zaken in. De Vlamingen moeten inzicht krijgen in het eigen gedrag. Zij moeten dat gedrag kunnen vergelijken met dat van anderen en tenslotte moet duidelijk zijn hoe zij energiebewuster kunnen leven en handelen. De bereikbaarheid en beschikbaarheid van de informatie speelt daarbij een grote rol.
Uit de studie ‘Determinanten van het huishoudelijk energiegebruik’ blijkt ook dat sociale netwerken een belangrijke rol spelen in het bevorderen van energievriendelijk gedrag. Deze sociale netwerken bestaan uit het klassieke middenveld maar ook uit netwerken zoals de familie, de vrienden en de kennissen. Zij kunnen worden aangewend door de overheid om informatie te verspreiden en om te sensibiliseren met het oog op zuinig energieverbruik. Het idee van een wijkaanpak is geopperd.
Advies 8: besparen door het aanspreken van individu en gemeenschap
Dit advies is een van de belangrijkste resultaten van het project ‘Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs’.
In de eerste helft van 2004 voerde het viWTA het project ‘Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs’ uit. (zie ook hoofdstuk 4.7 van dit jaarverslag). Hierin werd aan 50-plussers gevraagd welke toekomst ze voor zichzelf wensen. Een toekomst waarin ICT hoe dan ook een belangrijke rol zal spelen. We vroegen aan een team van wetenschappers en experts om vier denkbare toekomstbeelden uit te werken. Een artistieke ploeg verwerkte deze scenario’s tot een toneelstuk. Het stuk “Achter de schermen van de toekomst” werd in totaal 5 maal opgevoerd voor een publiek van ouderen. Na elke voorstelling deelden we het publiek in kleine groepjes op. Samen met een gespreksleider, praatten ze over wat hen aantrok en afstootte in de verschillende gespeelde toekomstscenario’s en waarom. Ze dachten na over wat ze zeker wel willen in de toekomst en wat zeker niet. Al het materiaal uit deze gesprekken verwerkten we in een ‘idealistisch’ toekomstbeeld. Een groep deskundigen boog zich over dit beeld en somde mogelijke beleidsmaatregelen op die naar deze toekomst kunnen leiden. Hierna volgt het advies dat het viWTA op basis van de projectresultaten aan het Vlaams Parlement wil overmaken.
De ICT-ontwikkelingen bieden zonder twijfel talrijke kansen om de levenskwaliteit van ouderen te verhogen. Ouderen zijn hiervoor vragende partij. Door hen te betrekken verminder je het risico om tijd, geld en energie te steken in ontwikkelingen die ‘de markt’ niet aanvaardt. Er zijn per slot van rekening voorbeelden van innovaties die falen omdat de uiteindelijke gebruiker niet betrokken werd bij het ontwerp. Vooral bij ouderen hebben ontwikkelaars de neiging om ‘voor hen te denken’. Dat contrasteert met de vraag van ouderen om mee te denken en te ontwikkelen en met de naakte vaststelling dat ouderen als commerciële doelgroep steeds belangrijker worden. Een extra argument is dat oudere werknemers ook een duidelijke meerwaarde krijgen in ICT-bedrijven. Ze worden belangrijke schakels in ontwikkelingsteams.
ICT-ontwikkelaars moeten worden gestimuleerd om bij het ontwerp van nieuwe toepassingen expliciet rekening te houden met de behoeften en mogelijkheden van de oudere generatie, zowel voor concrete producten als voor concrete diensten. Ouderen dienen mede-ontwikkelaars te worden. Het gaat dus veel verder dan het inschakelen van ouderen als ‘proefpersoon’ (usability-onderzoek). De inschakeling van ouderen moet gebeuren vanaf de conceptie van specifieke producten of diensten. Op geregelde tijdstippen in het ontwikkelingsproces kan men het ontwerp toetsen.
Advies:
Maak voor relevante O&O-projecten het verkrijgen van subsidies ten dele ondergeschikt aan het betrekken van ouderen in het ontwikkelingsproject.
Probeer het gebruik van ‘senior-consultants’ door bedrijven aantrekkelijk te maken. Dit biedt ook mogelijkheden om (pre-)gepensioneerden nog een actieve rol te laten spelen op de arbeidsmarkt.
De Vlaamse overheid kan zelf een belangrijke voorbeeldrol spelen door ouderen te betrekken bij de ontwikkeling van specifieke overheidsdiensten (digitale loketten, elektronische formulieren,…). Algemeen kan het Vlaams Parlement pleiten, indien dit als zinvol wordt beschouwd (nood aan ervaringskennis), voor het betrekken van ouderen bij het tot stand komen van het voor hen relevante beleid.
Advies 9: ouderen als medeontwikkelaars van ICT
De verwachtingen van ouderen t.a.v. de mate waarin ICT de gezondheidszorg kan verbeteren, zijn duidelijk hooggespannen. De achterliggende reden is evident: hoe gezonder ze kunnen blijven, hoe langer ouderen in staat zullen zijn op een onafhankelijke manier te leven. Als ICT er bovendien nog voor kan zorgen dat ouderen langer thuis kunnen blijven, zelfs met gezondheidsklachten die dat vandaag onmogelijk maken, is het enthousiasme voor dergelijke evoluties zeer groot. Bovendien kunnen investeringen in e-health en e-care een reële besparing opleveren. Enerzijds via preventieve werking (bv. monitoring op afstand, betere informatieverspreiding, prominentere plaats voor eerstelijnsgezondheidszorg,…), anderzijds via een efficiëntere organisatie van de gezondheidszorg (bv. elektronische patiëntendossiers, betere databanken,…)
E-gezondheidszorg dient voor de overheid een prioritair aandachtsveld te zijn in haar onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid, met garanties voor de randvoorwaarden (toegankelijkheid, privacy,…)
Advies:
Focus op een beperkt aantal proefprojecten, eerder dan te investeren in een grootschalig programma van ‘e-gezondheidszorg’. Eén mogelijkheid is om verder te investeren in de logistieke en organisatorische ondersteuning van zorgverstrekkers, mutualiteiten en/of patiënten, bijvoorbeeld als het gaat over financiële beheersystemen, data-uitwisseling tussen zorgverstrekkers (netwerken, elektronisch patiëntendossier,…), administratieve processen,… Zulke investeringen zullen ook tot gevolg hebben dat tijd en middelen vrijgemaakt kunnen worden om te investeren in de kwaliteit van de zorg zelf.
Bij investeringen in technologie is het belangrijk om aandacht te hebben voor de organisatorische aspecten. De limiet is meestal niet het technologische, maar het organisatorische innovatiepotentieel. Hiervoor moeten specifieke onderzoeksprojecten worden opgezet.
Advies 10: e-gezondheidszorg
Zeker voor oudere mensen is de drempel naar de digitale wereld te hoog, vooral als ze deze stap alleen moeten zetten. Een goed uitgekiende strategie, waarbij het sociale netwerk de stap naar de e-wereld stimuleert, kan helpen. Mensen helpen elkaar en de vrees iets ‘niet te weten’ en dit te moeten bekennen, verkleint. Maar naast het kennisaspect is ook het emotionele aspect belangrijk. Ouderen vrezen, terecht of onterecht, dat het gebruik van ICT leidt tot vereenzaming. Projecten die net het omgekeerde nastreven kunnen deze schroom wegnemen. Zo krijg je finaal een zichzelf versterkend systeem: via het sociale netwerk zetten ouderen de stap naar het digitale netwerk, waardoor hun communicatiemogelijkheden zullen toenemen en dus hun sociaal netwerk zal uitbreiden.
De overheid dient ook ruimte te geven aan bottom-up projecten. Zo zou ze stimulansen kunnen geven om heuse e-buurtnetwerken te laten ontstaan (zie ter vergelijking ook het project ‘Digitale broedplaatsen’ in Nederland). Het (doen) ontstaan van digitale netwerken moet gecombineerd worden met andere maatregelen om parallelle sociale netwerken uit te bouwen (aandacht voor buurtwerking, ruimtelijke ingrepen zoals bankjes, plantsoenen…).
Advies:
Stimuleer bestaande buurtwerkinitiatieven om stappen op dit vlak te zetten. Dit kan zowel gebeuren via subsidies als via het geven van gerichte informatie of het aanbieden van relevante opleidingen aan buurtwerkers. Eerste doelstelling moet zijn dat de creatie van digitale netwerken leidt tot een verbreding van het buurtnetwerk.
Advies 11: e-buurtnetwerken
Zeker voor de doelgroep van ouderen is de vertrouwdheid met het medium televisie een zeer belangrijke troef. De toegankelijkheid van het medium is zowel financieel, qua gebruiksvriendelijkheid als qua penetratie in de leefomgeving (zeker bij ouderen) een tweede belangrijk argument. De drempel om vertrouwd te raken met ICT-gedreven toepassingen verlaagt daardoor aanzienlijk. Bovendien gaat het bij televisie, in tegenstelling tot het internet, om een gesloten netwerk. Dat maakt een centrale aansturing mogelijk: kwaliteitscontroles, ontwikkeling van normen… Tot slot biedt iDTV belangrijke mogelijkheden om bestaande (openbare) dienstverlening via een extra kanaal (televisie) aan te bieden, wat op zich de toegankelijkheid voor (openbare) diensten verhoogt.
De overheid moet een voortrekkersrol vervullen bij het verder investeren in digitale televisiediensten voor ouderen.
Advies:
Stimuleer de relevante partijen om de bestaande dienstverlening te digitaliseren met het oog op iDTV. Dat moet gaan van commerciële partijen (bv. banken, de toeristische sector), over semi-openbare (mutualiteiten) tot openbare (gemeenten, cfr. digitale steden).
Verhoog de penetratie van decoder-toestellen (de kostprijsdiscussie).
Laat in deze context meer begeleidende studies uitvoeren, bv. rond het geïntegreerde dienstverleningsidee, de noodzakelijke back-office integratie, de noodzaak aan een planmatige aanpak,…
Advies 12: digitale televisiediensten voor ouderen
Dit hoofstuk geeft een verslag van de projecten van het viWTA in 2004.
Projecttitel: Kernenergie en maatschappelijk debat.
Projectleider: Donaat Cosaert.
Projectbeschrijving: Deze studie geeft een overzicht van het maatschappelijke debat en de besluitvorming in België, in de Europese context. De historische analyse is opgedeeld in vier grote perioden: ‘de prehistorie’ (de vroege keuze voor een nucleair programma in België, 1945-1970), de jaren ’70, de jaren ’80 en de jaren ’90 tot 2003, het moment waarop beslist werd om op termijn uit de kernenergie te stappen.
Projectuitvoerders: Erik Laes (SCK·CEN PISA), Gaston Meskens m.m.v. Paul Govaerts (SCK·CEN), Gilbert Eggermont (SCK·CEN, VUB), Lakshmi Chayapathi m.m.v. Luk Hens (vakgroep MEKO van de VUB).
Projectperiode: december 2003 – december 2004.
Mijlpalen: 2 april 2004 (mid term meeting); 12 juli 2004 (peer review draft wetenschappelijk eindrapport); 1 december 2004 (oplevering wetenschappelijk eindrapport, inclusief samenvatting).
Publicaties: Kernenergie en maatschappelijk debat, Erik Laes, Lakshmi Chayapathi, Gaston Meskens, e.a. m.m.v. Paul Govaerts, Luc Hens, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2004, 258 p.
Het nucleair landschap - Verkenning van feiten en meningen over kernenergie - Werkdocument 94, Stephan Slingerland e.a.; m.m.v. Rolf de Vos, Lydia Sterrenberg, Den Haag, Rathenau Instituut, 2004, 152 p.
Dit project werd onderworpen aan een peer review.
Het viWTA formuleerde beleidsadviezen op basis van dit project (hoofdstuk 3.1).
Kernenergie, voor of tegen? Deze vraag houdt het grote publiek, de deskundigen, maatschappelijke groepen en de politiek al tientallen jaren in de ban. De beginjaren van de nucleaire geschiedenis in België waren nochtans gekenmerkt door een groot en breed gedeeld optimisme over de energiemogelijkheden van deze technologie. Vooruitgang betekende immers economische groei en economische groei vroeg steeds meer energie. Kernenergie paste perfect in dit plaatje: was deze energiebron immers niet “veilig, proper, goedkoop en nagenoeg onuitputbaar?” Maar gaandeweg doken problemen op en groeide verzet.
Het rapport ‘Kernenergie en Maatschappelijk debat’ omvat in de eerste plaats resultaten van een archief- en literatuurstudie. Ze werd aangevuld met interviews met sleutelfiguren.
Het rapport tracht het maatschappelijke debat en de controverse over kernenergie te situeren t.o.v. belangrijke gebeurtenissen of ‘scharnierpunten’, bijvoorbeeld de impact van het ongeval in Tsjernobyl op het Belgische kernenergiebeleid. Het geconstrueerde historische verhaal besteedt aandacht aan de rol van belangengroepen, NGO’s, de overheid, deskundigen en andere betrokkenen. Het rapport bevat een ruime bijlage met synthesen van de interviews met mensen die een sleutelrol hebben gespeeld.
Omdat vragen over de financiering van de nucleaire sector met publiek geld een belangrijke rol spelen in het maatschappelijk debat, is een overzicht opgenomen van de financiering van het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK•CEN), sinds zijn oprichting. Dit overzicht geeft een eerste idee van de wijze van financiering van de sector, maar kon nog niet aangevuld worden met andere financiële stromen.
viWTA laat zijn projecten op scharniermomenten begeleiden en eventueel bijsturen door externe experts. De begeleidingscommissie van het project ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?’ bestond uit:
· Gert Goeminne (CDO-UGent)
· Lieve Goorden (UA-STEM)
· Elie Stubbe (voorheen Tractebel)
· Jef Turf (journalist)
· Ira van Keulen (Rathenau Instituut, Nederland)
· Aviel Verbruggen (UA-STEM)
met inbreng van
· Stan Uelens (ex-woordvoerder Electrabel)
· Paul De Meester (K.VIV – WTM)
Het organiserend comité bestond uit:
· Eloi Glorieux (lid van de Raad van Bestuur van het viWTA)
· Robby Berloznik (directeur viWTA)
· Donaat Cosaert (onderzoeker viWTA)
Drie parallelle assen verduidelijken het maatschappelijke debat over kernenergie. Op de eerste as is de evolutie geschetst van de publieke perceptie en de algemene culturele achtergrond: het naoorlogse technologische optimisme, het vooruitgangsdenken, het eerste rapport van de Club van Rome, de opkomst van het begrip duurzame ontwikkeling...
Naast deze cultuurhistorische evolutie zijn de beleidskeuzen van belang. Zij vormen de tweede as. Het gaat dan bijvoorbeeld over politieke initiatieven en acties, zoals het principiële akkoord voor Doel, Tihange en Zeebrugge, als vestigingsplaatsen voor kerncentrales, de discussies nadien hierover, de structuurhervormingen en de kernuitstap. Ook de invloed van de regulering op de vormgeving van de technologische keuzen ligt op deze as. Dit geeft telkens een beeld van de graad van betrokkenheid van belangengroepen, NGO’s en het brede publiek in de besluitvorming. Hierbij valt onmiddellijk op dat doorheen de Belgische nucleaire geschiedenis, afgezien van enkele pogingen op de politieke tribune en in het veld, nooit een echt gestructureerd maatschappelijk debat is gevoerd, en dat ondanks de duidelijke keuze op het gebied van energieopties.
Een derde as geeft dan het maatschappelijke debat zelf weer, namelijk de argumenten van de verschillende groepen om hun eigen positie te verduidelijken en om die van andere groepen te ondergraven.
De studie legt de nadruk op de historische analyse, zonder daarbij aanspraak te maken op volledigheid. Daarvoor zou niet alleen het beschikbare bronnenmateriaal in kaart gebracht moeten worden, maar zou het onderzoek ook dieper moeten ingaan op de interactie met andere relevante maatschappelijke fenomenen, in het bijzonder de interactie met de media. Een diepgaande analyse is in de toekomst zeker wenselijk, maar was niet mogelijk binnen het bestek van de opdracht.
Tenslotte probeert de studie het heden te begrijpen op basis van de lessen uit het verleden. Ze formuleert reflecties die een steun kunnen zijn bij het toekomstige debat over het energiebeleid. Hierbij zal het begrip duurzaamheid meer dan waarschijnlijk als leidraad dienen. Dat betekent dat men, vertrekkend van een duidelijke analyse van de problemen en de verschillende visies van de betrokkenen (‘de lessen van het verleden’), een visie probeert te formuleren voor het energiebeleid op de lange termijn. Waar komen we vandaan en waar willen we naartoe? Uit de dialectiek van tegenstrijdige opinies kan veel geleerd worden, tenminste als er mogelijkheden blijven bestaan om argumenten uit te wisselen en kritisch te toetsen. Een goed georganiseerd maatschappelijk debat kan helpen bijdragen tot de omkadering van de energiekeuzen op lange termijn. Het kan bijvoorbeeld aangeven hoe het beleid moet omgaan met onvermijdelijke onzekerheden bij het bepalen van energiekeuzen (een correcte toepassing van het ‘voorzorgsbeginsel’). Het kan helpen beslissen welke prioriteiten gelegd moeten worden bij het onderzoeken van nieuwe energieopties, en hoe men het best de verschillende opties met elkaar vergelijkt. Een goed georganiseerd debat kan aangeven welke rol de verschillende deelnemers spelen (experts, belangengroepen...) en hoe men ze gelijke middelen verschaft. Tenslotte kan het mee helpen bepalen welke vragen eventueel aan bod zouden moeten komen. Het rapport eindigt daarom met denksporen die hopelijk kunnen bijdragen aan de zoektocht naar een goed onderbouwde maatschappelijke visie op het energiebeleid.
Projecttitel: Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen? (Dit project werd aangevuld met elementen uit het afstudeerwerk ‘Massa’s biomassa. Hoe aanvaardbaar is (welke) biomassa als duurzame energiebron?’.)
Projectleider: Donaat Cosaert.
Projectbeschrijving: Dit project begon met een overzicht van de bestaande potentieelstudies voor hernieuwbare energie. Daarnaast werden de niet-technologische drempels voor de ruime verspreiding van hernieuwbare energiebronnen bestudeerd.
Projectuitvoerders: Jo Neyens van de Organisatie voor Duurzame Energie (ODE Vlaanderen, coördinator van het consortium), met inbreng van Frank Snijders en Luk Vandaele; Nathalie Devriendt en Wouter Nijs (Vito), met inbreng van Leen Govaerts; Luc Dewilde en Geert Dooms (Adviesbureau 3E), met inbreng van Geert Palmers.
Projectperiode: december 2003 – december 2004.
Mijlpalen: 2 april 2004 (mid term meeting); 12 juli 2004 (peer review draft wetenschappelijk eindrapport); 1 december 2004 (oplevering wetenschappelijk eindrapport, inclusief samenvatting)
Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen? (samenvatting), Jo Neyens, Nathalie Devriendt, Luc Dewilde e.a., Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2004, XXIV p.
Massa’s biomassa. Hoe aanvaardbaar is (welke) biomassa als duurzame energiebron? ondernemingsproject voorgedragen tot het behalen van de graad van industrieel ingenieur (academiejaar 2003-2004), Stijn Dierckx, Leuven, Technologische Hogeschool Leuven, campus Vesalius, 165 p.
Dit project werd onderworpen aan een peer review.
Het viWTA formuleerde beleidsadviezen op basis van dit project (hoofdstuk 3.2).
Hernieuwbare energietechnologieën hebben de laatste decennia een sterke technologische ontwikkeling gekend op het vlak van rendement en betrouwbaarheid. Op dat vlak zijn ze nu rijp voor marktintroductie. Tussen technische ontwikkeling en marktontwikkeling staan echter diverse belemmeringen. Om te beginnen interne belemmeringen die eigen zijn aan hernieuwbare energiebronnen, zoals het wisselende en onvoorspelbare karakter van het aanbod aan hernieuwbare energiestromen. Maar er bestaan ook externe en niet-technologische belemmeringen van institutionele, economische en maatschappelijke aard.
Deze studie deelde het onderwerp op in vijf vragen:
· welke ramingen zijn beschikbaar voor het potentieel van hernieuwbare energie in Vlaanderen?
· welke zijn de niet-technologische belemmeringen voor de uitbouw van hernieuwbare energie in Vlaanderen?
· wat is het maatschappelijke draagvlak voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?
· welke rol kunnen participatieve processen spelen in het vergroten van het maatschappelijke draagvlak voor hernieuwbare energie?
· welke adviezen kunnen op basis van de analyse van de voorgaande vragen geformuleerd worden?
In 2005 zal een lezingenreeks over risicoperceptie en -acceptatie en over participatie van omwonenden deze studie afronden.
viWTA laat zijn projecten op scharniermomenten begeleiden en eventueel bijsturen door externe experts. De begeleidingscommissie van het project ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?’ bestond uit:
· Mark Draeck (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie ANRE);
· Peter Van Acker (Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest OVAM);
· Johan Dierick (openbare elektriciteitsproducent SPE);
· Jacques De Ruyck (VUB, vakgroep Werktuigkunde).
Het organiserend comité bestond uit:
· Robby Berloznik, directeur van het viWTA;
· Donaat Cosaert, onderzoeker bij het viWTA.
Het rapport geeft eerst een systematisch overzicht van de momenteel beschikbare potentieelstudies voor de opwekking van elektriciteit en warmte met hernieuwbare energiebronnen. Het gaat hier om een selectie van nationale of internationale studies die het technisch realiseerbare potentieel voor Vlaanderen en/of België analyseren. Het rapport berekent geen eigen potentieelcijfers maar vergelijkt de tijdshorizon en de gehanteerde hypothesen en definities van de diverse studies. Het resultaat zijn onder- en bovengrenzen per hernieuwbare energietechnologie. Daarnaast gaat de tekst ook kort in op de reductie van de CO2-uitstoot met behulp van hernieuwbare energie en formuleren de onderzoekers aanbevelingen voor verder onderzoek. Als algemene conclusie berekent de studie dat voor het jaar 2020 het potentieel voor elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen varieert tussen 6% en 21% van het toekomstige elektriciteitsverbruik. Daarbij gingen de onderzoekers uit van een groeiscenario voor het verbruik.
Het tweede deel van de studie onderzoekt welke niet-technologische belemmeringen de introductie van hernieuwbare energiebronnen in de weg staan. De belemmeringen worden zowel algemeen geanalyseerd als specifiek, per hernieuwbare energiebron. De problemen van het maatschappelijke draagvlak en van de participatie worden in twee stappen uitgewerkt. Na een theoretische afbakening op basis van een literatuurstudie, worden een reeks case-studies in binnen- en buitenland gepresenteerd. Ze werden geselecteerd op basis van de aandacht voor de participatieve aanpak van hernieuwbare energie.
Stijn Dierckx was gedurende het academiejaar 2003-2004 laatstejaarsstudent aan de Technologische Hogeschool Groep T in Leuven, afdeling Chemie – optie Biochemie, én deeltijds stagair bij het viTWA.
Het onderwerp van zijn eindwerk was biomassa, of voluit ‘Massa’s biomassa. Hoe aanvaardbaar is (welke) biomassa als duurzame energiebron’. De promotor was Ingrid Ilsbroux, docent aan de Technologische Hogeschool Groep T in Leuven. De copromotor was Donaat Cosaert, onderzoeker van het Wetenschappelijk Secretariaat van het viWTA.
Binnen Groep T is dit afstudeerwerk geselecteerd en bekroond met de prijs van de VIK (Vlaamse ingenieurskamer). Heel wat elementen uit deze thesis zijn opgenomen in het eindrapport van ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?’, meer bepaald in het deel over de belemmeringen voor hernieuwbare energie.
Projecttitel: ‘Bouwen, wonen en energie’.
Projectleider: Donaat Cosaert.
Projectbeschrijving: dit project onderzoekt de mogelijkheden die er zijn voor een efficiënter energiegebruik bij het wonen en het ruimtegebruik in Vlaanderen. Onderwerpen zijn o.m. de perceptie en de appreciatie van energieaspecten door bewoners, de energieprestatie van gebouwen en de integratie van de energieproblematiek in de ruimtelijke planning.
Projectuitvoerders: Geert Palmers, Achim Woyte en Werner Coppye (Adviesbureau 3E, coördinator van het consortium); Hugo Hens (Afdeling Bouwfysica van de KULeuven); Luk Vandaele en Dirk Van Orshoven (WTCB – Ontwikkeling en Innovatie); André Coene, Bernard Vandermarcke en Kathy Corthals (Sint-Lucas – Departement Architectuur van de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst).
Projectperiode: december 2003 - december 2004.
Mijlpalen: 2 april 2004 (mid term meeting); 12 juli 2004 (peer review draft wetenschappelijk eindrapport); 1 december 2004 (oplevering wetenschappelijk eindrapport inclusief samenvatting)
Publicaties: Bouwen, Wonen en Energie, Luk Vandaele, Geert Palmers, Hugo Hens, André Coene e.a., Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2004, 101 p.
viWTA Dossier 1 Bouwen, Wonen en Energie, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2005, 32 p.
Dit project werd onderworpen aan een peer review.
Het viWTA formuleerde beleidsadviezen op basis van dit project (hoofdstuk 3.3).
De inplanting van een gebouw hangt samen met de functies van het gebouw en de relatie met andere activiteitencentra. Ze is mee bepalend voor de energiestromen die met het gebouw geassocieerd zijn. Ook de intermediërende rol die het gebouw vervult tussen het wisselende buitenklimaat en het gewenste binnenklimaat is, samen met andere comfortfuncties (bv. visueel comfort, gezonde lucht), bepalend voor het energieverbruik van het gebouw. Daarnaast is er de infrastructuur die zorgt voor de bevoorrading van de gebouwen met energie in verschillende vormen (aardgas, elektriciteit, warmtenet).
De verspreide woon-, werk- en recreatiewereld in Vlaanderen leidde tot een sterke toename van de vraag naar vervoer en energie. Energiezuinig bouwen is niet echt een aandachtspunt in de Vlaamse bouwtraditie. De voorkeur voor open bebouwing met een grote gemiddelde woonoppervlakte, de beperkte compactheid en de dikwijls ontoereikende warmte-isolatie verklaren het hoge energieverbruik in vergelijking met gemiddelde waarden in Europa. De trend naar kleinere gezinnen vertaalt zich bovendien in een toenemend aantal wooneenheden.
De verwachte evolutie van de bevolkingspiramide in de komende decennia toont een verbreding in de hogere leeftijdscategorieën. Dat zal structurele verschuivingen veroorzaken in de bouw-, woon- en recreatiebehoeften. Dat zal op zijn beurt een directe en indirecte impact hebben op het energieverbruik. Met het groeiende verbruik van fossiele brandstoffen, in het bijzonder aardgas, zowel voor de warmte- als de elektriciteitsproductie in de residentiële sector, verhoogt de kwetsbaarheid van de gezinnen. Bovendien draagt de gebouwensector in belangrijke mate bij tot ecologische problemen en de emissie van broeikasgassen.
Het viWTA laat zijn projecten op scharniermomenten begeleiden en eventueel bijsturen door externe experts. De begeleidingscommissie van het project ‘Bouwen, wonen en energie’ bestond uit:
· Elke Van Der Linden (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie (ANRE));
· Hubert David (Mina-Raad, European Insulation Manufacturers Association (EURIMA))
· Yves Van de Casteele, Sophie De Coninck (Centre d’études en aménagement du territoire (CREAT), UCL);
· Gert Colliers (Bond van Vlaamse Architecten (BVA));
· Dirk Knapen (Bond Beter Leefmilieu (BBL)).
Het organiserend comité van dit project bestond uit:
· Robert Voorhamme, voorzitter van de Raad van Bestuur van het viWTA;
· Robby Berloznik, directeur van het viWTA;
· Donaat Cosaert, onderzoeker bij het viWTA.
De vele dimensies van deze problematiek vragen om een sterke visieontwikkeling die niet alleen wordt gedragen door de gebruikers van de gebouwen maar ook door de professionele sector. Deze visies moeten rekening houden met de levensduur van investeringsbeslissingen in verschillende sectoren. De keuze van installaties bepaalt bijvoorbeeld voor ruwweg twintig jaar de omvang en het type van de energiestromen, maar beslissingen over ruimtelijke planning kunnen verschillende eeuwen lang gevolgen hebben.
Het ruimtelijke ordeningsbeleid dient gericht te zijn op energie-efficiëntie en tegelijk rekening te houden met de situatie die ontstaan is door de evoluerende cultuur- en maatschappijopvattingen. De ambitie moet hoog zijn, maar pragmatisch. Men kan niet hopen dat de huidige toestand volledig omgekeerd kan worden. Dit betekent dat in eerste instantie moet worden uitgegaan van ruimtelijke verdichting en van transformatie van functies, met name in suburbane woongebieden en postindustriële stedelijke gebieden.
Een graduele transformatie van de energie-infrastructuur van een centralistische naar een meer gedistribueerde structuur - met aandacht voor leveringszekerheid - is gewenst. Zo kunnen lokale energiebronnen ingezet worden om de voorzieningen te diversifiëren en de milieu-impact te beperken.
Om het energieverbruik voor woningverwarming te reduceren, is het van belang om gebouwen te ontwerpen, te bouwen en te beheren op basis van verifieerbare prestaties. De energieprestatie-benadering is hierop gericht. Een energieprestatiebeleid met ambitieuze en duidelijk gecommuniceerde doelen kan een sterke innovatie in de markt van bouwproducten en -systemen in de hand werken en een impuls geven aan de sector.
Een beperking van de energieprestatieregelgeving is dat ze enkel impact heeft op nieuwbouw en grote renovatie. Daarom heeft ze inherent een traag effect: slechts ongeveer één procent van het gebouwenpark wordt jaarlijks vernieuwd. Verder omvat deze regelgeving enkel intrinsieke gebouw- en installatiefactoren, terwijl het werkelijke energieverbruik ook bepaald wordt door het bewonersgedrag. Energiecertificatie van gebouwen daarentegen kan ook de energieprestatie van bestaande gebouwen beïnvloeden. Ze beïnvloedt de marktwaarde bij verkoop zowel als verhuur. Naast de energieprestatieregelgeving zijn andere ondersteunende beleidsmaatregelen nodig om een versplinterde benadering te vermijden. Hiertoe behoort ook de aandacht voor materiaalgebruik, lokale energieopwekking, watergebruik, binnenklimaat, inplanting, communicatie, opleiding en sociale factoren.
Projecttitel: Determinanten huishoudelijk energiegebruik.
Projectleider: Donaat Cosaert.
Projectbeschrijving: Dit project startte met een analyse van de verklaringsmodellen voor gedrag. Daarna werd het consumentengedrag inzake energie onderzocht. Dat diende als startpunt voor focusgroepen. De resultaten van het studiewerk, gecombineerd en aangevuld met de analyse van de bevindingen uit de focusgroepen, resulteerden in adviezen.
Mijlpalen: Focusgroepen in Gent (3, 10 en 17 mei 2004), Antwerpen (10 mei 2004) en Leuven (12 mei 2004); Rondetafel in Brussel op 19 oktober 2004. Twee april 2004 (mid term meeting); 1 oktober 2004 (peer review draft wetenschappelijk eindrapport); 7 februari 2005 (oplevering wetenschappelijk eindrapport, inclusief samenvatting).
Projectuitvoerders: Veronik Bongaerts (startperiode), Johan Couder, Joke Vandenabeele, Monica Van Fleteren (eindperiode) en Lieve Goorden (Onderzoeksgroep STEM - Studiecentrum Technologie Energie Milieu, Universiteit Antwerpen).
Projectperiode: januari 2004 – februari 2005.
Publicaties: Determinanten huishoudelijk energiegebruik, Lieve Goorden, Joke Vandenabeele, Johan Couder, m.m.v. Monica Van Fleteren, Veronik Bongaerts, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2005, 158 p
IN VOORBEREIDING -- viWTA Dossier 2 Focus op Mens en Energie (werktitel), Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2005, x p
Dit project werd onderworpen aan een peer review.
Het viWTA formuleerde beleidsadviezen op basis van dit project (hoofdstuk 3.4).
Dit project vertrok van een literatuurstudie. Dat leverde een conceptueel gedragsmodel op, ontwikkeld door het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau. Dit model vertrekt van drie categorieën determinanten, die elk een specifieke invloed hebben op het energiegedrag: persoonlijke mogelijkheden, aanbod en houding. Het model gaat uit van de overtuiging dat mensen voor een milieuvriendelijk gedragsalternatief kiezen als ze dat willen (houding) én kunnen (aanbod en persoonlijke mogelijkheden).
Het viWTA laat zijn projecten op scharniermomenten begeleiden en eventueel bijsturen door externe experts. De begeleidingscommissie van het project ‘Is er plaats voor hernieuwbare energie in Vlaanderen?’ bestond uit:
· Geert Flipts, Tine Tanghe (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie ANRE)
· Wouter Ulburghs (Factor 10 – Vlaams informatiepunt voor ecodesign van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest OVAM)
· Erwin Mlecnik (Passiefhuis-Platform)
· Rob Renaerts (Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikers-organisaties OIVO)
· Griet Verbeeck (Afdeling Bouwfysica van de KULeuven; GBOU-projectleider)
met inbreng van
· Valérie Vanhoutte (Arbeid en Milieu)
· Jim Baeten, facilitator (tri-zone)
Het organiserend comité bestond uit:
· Ilse Loots (lid van de Raad van Bestuur van het viWTA)
· Robby Berloznik (directeur van het viWTA)
· Stef Steyaert (onderzoeker bij het viWTA)
· Donaat Cosaert (onderzoeker bij het viWTA)
De overheid tracht met diverse beleidsstrategieën op het ‘willen’ en ‘kunnen’ van consumenten in te spelen. Met structurele strategieën wil de overheid vooral het ‘kunnen’ beïnvloeden of anders gezegd de determinanten aanbod en persoonlijke mogelijkheden. Een strategie die inspeelt op de prijs is daar een voorbeeld van. Cognitief-motivationele strategieën richten zich eerder op het ‘willen’ of op de houding en de persoonlijke mogelijkheden. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan het verhogen van de kennis terzake.
In het eerste deel van deze studie is ook de directe wisselwerking in vraag gesteld tussen opvattingen en houdingen enerzijds en bewust keuzegedrag of beredeneerd gedrag anderzijds. Sociaal-psychologische attitude-gedragsmodellen (zoals dat van Fishbein-Ajzen) blijken geen goede voorspellers te zijn van energiebesparend gedrag. Om energiebesparend gedrag te begrijpen moet men naar een meer uitgebreide waaier aan factoren kijken. De visie op milieu, natuur of toekomst, de kennis, ervaring en sociodemografische kenmerken, de situatie waarin iemand verkeert en zijn gewoontegedrag dienen allemaal in rekening te worden gebracht.
Focusgroepen zijn zeer geschikt om een bredere waaier van gedragsdeterminanten te onderzoeken. In deze studie is gekozen voor vijf specifieke huishoudens: gesettelden, vijfenvijftigplussers, overtuigden, jonge bouwers en huurders/sociale woningen/lage inkomens. Aan de hand van focusdiscussies is gezocht naar dieperliggende argumenten voor het typische gedrag en de potentiële gedragingen van de deelnemers. De groepen waren (min of meer) homogeen, en determinanten als socioculturele en sociodemografische factoren werden zoveel mogelijk constant gehouden. Op die manier konden de vijf huishoudens getypeerd worden.
Vier vragen stonden centraal in de analyse van deze focusdiscussies:
1. Hoe bouwen deze vijf type-huishoudens aan een eigen levensstijl in en rond de eigen woning? Welke plaats neemt het energiegebruik hierbij in? (Meer specifiek ging het om de kenmerken van de woning en het gebruik van huishoudelijke toestellen.)
2. Wat is de kennis aangaande het energiegebruik binnen deze vijf type-huishoudens? Wat wordt als referentie gehanteerd om een rangorde aan te brengen in het energiegebruik van de diverse toestellen in de woning?
3. Welke energiebesparende maatregelen passen de vijf type-huishoudens reeds toe, welke maatregelen zijn eventueel nog toe te passen en welke maatregelen zijn voor deze huishoudens een stap te ver?
4. Welke afwegingen maken de vijf type-huishoudens als ze al dan niet energiezuinig handelen? Wat speelt, naast meer voor de hand liggende elementen zoals prijs- en comfortoverwegingen, nog mee op een dieperliggend argumentatieniveau?
Uit de globale discussies in de focusgroepen kon afgeleid worden dat op de groep overtuigden en jonge bouwers na, de andere types huishoudens zich niet snel aangesproken zullen voelen door beleidsmakers met argumenten die direct de focus leggen op een louter energie- en milieuverhaal. Hieruit is de hypothese afgeleid dat een meer gedifferentieerd energiebeleid aangewezen is, gericht op de levensstijl en afwegingen van types huishoudens.
Om de bevindingen uit de focusgroepen te toetsen en te nuanceren, is vervolgens een rondetafel met experts georganiseerd. Eerst is een oefening opgezet waarin de panelleden gestimuleerd werden zich in te leven in de levensstijl en de afwegingen die specifieke groepen maken. De bevindingen uit de focusgroepen konden zo aangevuld en genuanceerd worden door de eigen ervaringen van de experts. Vervolgens werd gebrainstormd over originele beleidssuggesties, die mogelijk beter aansluiten bij de eigenheden van verschillende doelgroepen.
Twee conclusies uit de rondetafel vallen op. Ten eerste stellen de panelleden, op basis van de inleefoefening en de argumenten betreffende afwegingen, het rationele mensbeeld in vraag dat in nogal wat van de energieverklarende modellen voorkomt. Dit rationele mensbeeld is in het verleden vaak als vertrekpunt voor beleid gebruikt. We kunnen hieruit concluderen dat zich richten op specifieke doelgroepen, met hun specifieke levensstijlen en afwegingen, helpt om te komen tot reflectie over het mensbeeld dat centraal staat in het beleid. De rondetafel vroeg aandacht voor verschillende elementen die de logica in het denken en handelen van mensen mee kunnen helpen verklaren: aandacht voor processen van identiteitsontwikkeling, praktische overwegingen, scharniermomenten in het leven, voorbeeldgedrag van anderen, het belang van de consumptiecultuur, de moeilijkheid om verantwoordelijkheid op te nemen, technologische interesse en tenslotte de relatie tussen experts en leken.
In de tweede plaats valt op dat de top-drie van de beleidssuggesties van de rondetafel (werken via TV programma’s, geven van geïndividualiseerde adviezen, informeren via sociale netwerken) zich op het terrein van de cognitief-motivationele strategieën bevindt. Dit kan te maken hebben met het feit dat de discussie gericht was op levensstijlen, houdingen en motivaties en minder op feitelijk gedrag. Het zijn vooral cognitief-motivationele strategieën die inwerken op motivatie en kennis. Maar ook het inzicht dat de panelleden tijdens de discussies kregen over de beperkingen van een rationeel mensbeeld en van beredeneerd gedrag kan hun bewustzijn van het belang van dergelijke strategieën versterkt hebben. De discussies vertrokken ook van de idee van een meer gedifferentieerde aanpak door het beleid, gericht op specifieke doelgroepen. Met verschillende genres van TV-programma’s kan men diverse doelgroepen op een eigen manier bereiken. Geïndividualiseerde adviezen met betrekking tot energieverbruik gaan uit van een positionering van het individu of huishouden ten opzichte van een relevante groep. Bij sensibilisatie door de overheid, wordt het belang erkend van een grote diversiteit aan sociale netwerken. Eenmaal dergelijke vormen van communicatie tussen huishoudens en beleid een gangbare praktijk zijn geworden, kunnen we van de hypothese uitgaan dat dergelijke interacties voldoende informatie opleveren om ook in de structurele strategieën een meer gedifferentieerde of doelgroepgerichte aanpak in te bouwen.
Projecttitel: Eerste fase toekomstverkenning energiesystemen – Vlaanderen 2050.
Projectleiders: Donaat Cosaert, Stef Steyaert en, in de beginfase, Robby Berloznik
Projectbeschrijving: In interactie met betrokkenen en belanghebbenden werd een verkennende studie uitgevoerd naar het huidige energiesysteem in Vlaanderen in het perspectief van een klimaatbeleid. Deze studie past als een eerste fase in een multidisciplinaire toekomstverkenning (foresight) voor een systeembenadering van de energievraag in een geïndustrialiseerde omgeving, zoals Vlaanderen anno 2050.
Projectuitvoerders: Dirk De Keukeleere, Adwin Martens, Walther Van Aerschot, Kristien Aernouts (Vito, coördinator van het consortium), m.m.v. Sara Verbeiren, Geert Dooms van het adviesbureau 3E, m.m.v. Geert Palmers. De definitieworkshop van januari 2005 werd uitbesteed aan Pantopicon bvba.
Projectperiode: meerjarenproject, eerste fase begonnen in december 2003.
Mijlpalen: 2 april 2004 (mid term meeting), 12 juli 2004 (peer review draft wetenschappelijk eindrapport), 27 januari 2005 (definitieworkshop o.l.v. Pantopicon)
Publicaties: Geen, in afwachting van de voltooiing van de vier deelrapporten (tendensen energiegebruik, actueel energiebeleid, analyse foresights en sociale kaart)
Dit project werd onderworpen aan een peer review.
Aangezien dit project nog niet afgerond is, heeft het viWTA over het onderwerp geen adviezen geformuleerd.
Een analyse van het recente verleden leert dat in de voorbije vijftig jaar gigantische verschuivingen hebben plaatsgevonden op het vlak van energievoorziening. Wat betreft brandstoffen, zijn we van steenkool (begin jaren ‘50) overgegaan op olie en kernenergie (vanaf de jaren ‘70) en nu zijn we aan het overschakelen naar aardgas. Wat betreft economische randcondities, evolueren we van een energievoorziening met een monopolistisch karakter naar een meer geliberaliseerde markt.
“Voorspellen van de toekomst” is onmogelijk. Maar randvoorwaarden als de beperkte beschikbaarheid van fossiele brandstoffen en de nadelige impact op het klimaat verplichten ons toch een iteratief denkproces op te starten, om ons zo goed mogelijk voor te bereiden op de energievoorziening in 2050.
Binnen het hele proces van een foresight ‘Energievoorziening Vlaanderen 2050’, dat jaren in beslag kan nemen, was deze studie de eerste stap in het uit te voeren proces (pre-foresight). Op basis van het proces dat gevolgd moet worden, wordt in dit rapport een inventaris gegeven van informatie die noodzakelijk is om het proces op te starten.
Het viWTA laat zijn projecten op scharniermomenten begeleiden en eventueel bijsturen door externe experts. De begeleidingscommissie van dit project bestond uit:
· Luc Van Nuffel (Beroepsfederatie van de Producenten en Verdelers van Elektriciteit (BfE)),
· Kathleen Mariën (Voka – Vlaams Economisch Verbond)
· Peter De Smedt (afdeling Omgevingsanalyse van de Administratie Planning en Statistiek)
· Annemie Bollen (SERV)
· Jo Neyens (ODE Vlaanderen)
· Johan Driesen (EnergieInstituut KULeuven)
· Bert De Wel (MinaRaad)
Het organiserend comité bestond uit:
· Bernard Mazijn (lid van de Raad van Bestuur van het viWTA)
· Robby Berloznik (directeur van het viWTA)
· Donaat Cosaert (onderzoeker bij het viWTA)
Los van de opdrachtnemers werden in november 2004 contacten gelegd met externe experts omtrent de te volgen methodologie bij een afsluitende workshop en inzake de modaliteiten voor het organiseren van een dergelijke workshop.
Een definitie-workshop met dertig deelnemers heeft plaatsgehad op woensdagavond 26 en donderdag 27 januari 2005 in Haasrode bij Leuven. De firma Pantopicon bvba heeft de opdracht aanvaard om de workshop te begeleiden en de resultaten te verwerken tot een rapport dat als input kan dienen voor de scenario-ontwikkeling.
Noodzakelijke uitgangspunten in het proces zijn ‘kennis’ en ‘spelers’. Wat betreft ‘kennis’ worden in het rapport de historische tendensen en het actueel energiebeleid als basisingrediënten gepresenteerd. Parallel daaraan dienen de spelers betrokken te worden in het proces: in dit rapport wordt een eerste inventarisatie van actoren gepresenteerd.
Om het op gang te brengen debat te voeden, zijn heel wat internationale foresights geanalyseerd. De confrontatie van de resultaten van deze analyses met de actuele situatie (tendensen energiegebruik en actueel beleid) en de relevante spelers kan de eerste stap vormen in de iteratieve verkenning van de energievoorziening in Vlaanderen in 2050.
Deze resultaten kunnen steeds omgezet worden in aangepast beleid, wat op zijn beurt weer onderdeel van debat kan worden op basis van nieuwe kennis en wijzigende spelers of visies van spelers.
Projecttitel: Een ethische lezing van het Kyoto-protocol
Projectbeschrijving: In een reeks van zes publieke lunchdebatten in het Vlaams Parlement biedt het viWTA de kans om te discussiëren over een ethische invulling van het Kyoto-protocol. De debatten, onder leiding van em. prof. Etienne Vermeersch, worden telkens ingeleid door een prominente gastspreker.
Projectleider: Willy Weyns, m.m.v. Donaat Cosaert
Projectperiode: van januari 2004 - juni 2005
Publicaties: Geen publicaties in 2004. In 2005 verschijnt Reading the Kyoto Protocol. Ethical Aspects of the Convention on Climatic Change, Etienne Vermeersch (ed.), viWTA en Eburon Ac.Pubs, Delft, een bundel originele essays in boekvorm en wereldwijde promotie en verspreiding (Engels).
Mijlpalen: In 2004 hadden drie publieke lezingen plaats met als gastsprekers Hub Zwart (12 oktober 2004), Wolfgang Sachs (9 november 2004) en Riccardo Petrella (14 december 2004).
Projectstatus: De volgende drie lezingen hadden plaats in 2005. De gastsprekers waren Raoul Weiler, Florentin Krause en Jozef Keulartz. De essaybundel zal verschijnen in 2005.
Met de ondertekening en de ratificatie van het Kyoto-protocol, dat in februari 2005 in werking trad, moet België bepalen hoe het de bijbehorende verplichtingen kan nakomen. Het Vlaams Parlement staat, met het Vlaams Klimaatsbeleidsplan, voor belangrijk wetgevend werk. Bij politici én bij het brede publiek groeit de belangstelling voor de ethische aspecten van het Kyoto-protocol. Dit ethische perspectief blijkt nuttig, vermits het alle andere invalshoeken – bijvoorbeeld de economische – kan bundelen. Een ethische kijk op de zaak biedt ook de kans om lessen te trekken uit de internationale en mondiale ontwikkelingen en problemen, zoals een rechtvaardige verdeling van baten en lasten over bevolkingsgroepen en economische sectoren, en de legitimatie en motivatie van de actoren die daarmee verbonden zijn. Wat op wereldschaal gebeurt, vertoont immers een treffende gelijkenis met wat binnen de landsgrenzen plaatsheeft.
Deze lezingenreeks was een buitenbeentje in het programma Energie en klimaat. Gezien de specifieke aard van het project, is beslist om niet te werken met een begeleidingscommissie zoals dat wel het geval was voor de andere projecten. Daartegenover staat dat de inbreng van de bekende ethicus em. prof. Etienne Vermeersch zeer groot was. Hij adviseerde bij het zoeken van de sprekers, leidde iedere keer de lezing in en leidde het debat achteraf. Hij is bovendien de samensteller van de essaybundel over de ethiek van Kyoto die het viWTA in 2005 zal publiceren (zie verder).
De lezingen vonden plaats in zaal De Schelp van het Vlaams Parlement en genoten de constante belangstelling van een geïnteresseerd publiek, waaronder ook een groep Vlaamse Volksvertegenwoordigers. Er waren iedere keer tussen de zeventig en de honderd aanwezigen. Ze namen actief deel aan de boeiende debatten die op de lezingen volgden. De belangstelling van de media kwam geleidelijk op gang, maar groeide gestaag. Naarmate de reeks zich ontplooide, werd voor iedereen duidelijk dat door de erg contrasterende en verscheiden invalshoeken van de sprekers, stimulerende confrontaties ontstonden tussen verschillende motivaties en standpunten. De vraag groeit bovendien naar een volgende lezingenreeks, waarbij een analoge formule zou gehanteerd worden, maar dan rond een ander thema.
Op basis van dit project zal het viWTA geen adviezen formuleren. Wel zal het viWTA in 2005, in samenwerking met de academische uitgeverij Eburon in Delft (Nederland), een essaybundel publiceren. Em. prof. Etienne Vermeersch is de samensteller en hij zal ook het inleidende essay schrijven. De bijdragen worden geschreven door de zes sprekers, op basis van de lezingen die ze gaven.
Projecttitel: Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs
Projectleider: Stef Steyaert
Projectbeschrijving: Welke toekomst wensen we voor de informatie- en communicatietechnologie? In dit project lieten we bijna 600 50-plussers hierover nadenken. Een toneelstuk ‘Achter de schermen van de toekomst’, waarin vier mogelijke toekomstscenario’s werden verbeeld, zorgde voor inspiratie. Het toekomstbeeld dat zo ontstond, werd door een groep van experts en stakeholders als uitgangspunt genomen om adviezen te formuleren die kunnen helpen deze toekomst te realiseren.
Projectteam: Wetenschappelijke ondersteuning: Centrum voor Publieksonderzoek van de K.U.Leuven. Promotoren: Prof. Dr. Jan Van den Bulck, Prof. Dr. Heidi Vandebosch; medewerkers: Kathleen Buellens, Greet Indesteege, Steven Eggermont.
Toneelstuk ‘Achter de schermen van de toekomst’: Bernard Soenens, OpenDoek (Productie); Jef Mellemans (Regie); Stefan Van Pottelberge, Willy Coppens, Eddy Vanhoyweghen en Annemie Van Cleemput (Acteurs)
Gespreksleiding: Luk Dewulf (Kessels-Smits) en Mark Hongenaert (Time-out), de cursisten van de leergang ‘Opleidingskunde’.
Projectperiode: 1 december 2003 tot 30 september 2004
Publicaties: Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs, Jan Van den Bulck, Heidi Vandebosch, m.m.v. Kathleen Beullens, Greet Indesteege, Steven Eggermont, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2005, 145 p.
Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs (samenvatting), Jan Van den Bulck, Heidi Vandebosch, m.m.v. Kathleen Beullens, Greet Indesteege, Steven Eggermont, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2005, XXVI p.
Vormingspakket Ouderen en ICT, Stef Steyaert, Jan Van den Bulck, Heidi Vandebosch, m.m.v. Kathleen Beullens, Greet Indesteege, Steven Eggermont, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2005.
Belangrijke publieksevenementen: toneelvoorstelling ‘Achter de schermen van de toekomst’ met nabespreking in groepjes: op 28 en 29 mei 2004 in De Schelp, Vlaams Parlement en 2 juni 2004 in het centrum voor senioren ‘De Vijvers’ in Ledeberg.
Dit project werd onderworpen aan een peer review.
Het viWTA formuleerde beleidsadviezen op basis van dit project (hoofdstuk 3.5).
De doelstelling van dit project was om met 50-plussers na te denken over de inbedding van informatie- en communicatietechnologie (‘ICT’) in de samenleving van de toekomst. Het project zocht naar de best denkbare relatie tussen mogelijkheden en gebruik van ICT, enerzijds, en mogelijkheden en behoeften van ouderen, anderzijds. De vraag was dus: ‘Wat is allemaal nodig voor een integratie van ICT in de samenleving die voor ouderen aanvaardbaar is?’ Hun wensen en verwachtingen zijn immers een aspect dat in heel het debat over de vergrijzing onderbelicht blijft. Het project wil hiermee ook een bijdrage leveren aan de wisselwerking tussen de samenleving en een cruciale technologie zoals ICT.
In dit project werd wetenschappelijk onderzoek op een vergaande wijze geïntegreerd met expert- en publieksparticipatie. Niemand kan immers beter dan de ouderen zelf de mogelijkheden en beperkingen van ICT voor hun situatie aangeven en hun noden en wensen formuleren. Experts en stakeholders kunnen vervolgens aangeven hoe het beleid het best kan inspelen op de prioriteiten die de ouderen naar voren schuiven.
Het viWTA laat zijn projecten op scharniermomenten begeleiden en eventueel bijsturen door externe experts. De begeleidingscommissie van het project ‘Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs’ bestond uit:
· Ludo Hugaerts (PlusMagazine)
· Karine Moykens (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ondersteuning werking Welzijn)
· Jo Pierson (Center for Studies on Media, Information & Telecommunication van de VUB; TNO Strategie, Technologie en Beleid)
· Bert Gyselinckx (IMEC, KULeuven)
· Frederik Fluyt (Vlaams Ouderen Overleg Komitee OOK)
Het organiserend comité bestond uit:
· Paul Lagasse (lid van de Raad van Bestuur van het viWTA)
· Trees Merckx-Van Goey (ondervoorzitter van de Raad van Bestuur van het viWTA)
· Robby Berloznik (directeur van het viWTA)
· Stef Steyaert (onderzoeker bij het viWTA)
Deze complexe denkoefening startte met vier mogelijke toekomstscenario’s. Ze werden geschreven door een team van het Centrum voor Publieksonderzoek van de K.U.Leuven o.l.v. Prof. Dr. Jan Van den Bulck en Dr. Heidi Vandebosch. De onderzoekers baseerden zich op een uitgebreid literatuuronderzoek, een Delphi-enquête met een twaalftal experts en op twee focusgroepen met telkens een tiental ouderen. Een artistiek team van het productiehuis OpenDoek verwerkte de vier scenario’s dan tot een toneelstuk. Dat werd eind mei 2004 vijf maal opgevoerd voor een publiek van bijna 600 Vlaamse ouderen: vier maal in het Vlaams Parlement en éénmaal in rust- en verzorgingstehuis ‘De Vijvers’ in Ledeberg.
Na elke opvoering werd het publiek opgesplitst in groepen van niet meer dan vijftien personen. In elk groepje discussieerden de deelnemers over hun visie op de toekomst van ICT, in relatie met ouderen. Ze legden uit wat ze wensten en wat ze zeker niet wensten. Deze discussies verliepen onder leiding van professionele gespreksbegeleiders, volgens een vooraf zorgvuldig voorbereid stramien. Het materiaal van de 43 groepen werd dan door het onderzoeksteam samengebracht, verwerkt en tenslotte vertaald in het ‘beoogde toekomstbeeld’. De kern van dit toekomstbeeld bevat vier elementen.
1. Bevorderen van de levenskwaliteit. Ouderen zijn niet tegen ICT. Ze zijn zelfs niet tegen vergaande toepassingen ervan, integendeel. Maar ICT is en blijft een middel, geen doel op zich. Als ICT wordt ingezet om de levenskwaliteit van ouderen te verbeteren, met als uiteindelijk doel een langer actieve participatie aan de samenleving mogelijk te maken, dan juichen ouderen dat alleen maar toe. Cruciale toepassingsdomeinen zijn: gezondheid, huisvesting en mobiliteit (meer bepaald alle toepassingen die langer zelfstandig wonen en leven mogelijk maken) en het onderhouden van sociale contacten.
2. Technologie mag niet leiden tot een kille samenleving. Ouderen zijn dus zeker niet afkerig van technologie, maar ze zijn wel op hun hoede. In elk gesprek kwam de bekommernis terug dat ‘technologie’ niet het enige kanaal kan en mag zijn. In één adem met hun openheid voor nieuwe ICT-toepassingen beklemtonen ze de noodzaak om in de toekomst voldoende (niet-technologische) alternatieven te laten bestaan. Niet-gemedieerde communicatie (face-to-face contacten) moet behouden blijven.
3. Toegankelijkheid van technologie. Informatie en communicatietechnologie moet toegankelijk zijn voor ouderen. Deze toegankelijkheid omvat verschillende facetten. Zo moet in het ontwerp van de toepassingen uiteraard rekening gehouden worden met de fysieke beperkingen van ouderen, bijvoorbeeld met een minder goed zicht of gehoor, met een beperktere motoriek… Verder vragen de ouderen informatie en opleidingen op hun maat, en dus bijvoorbeeld niet uitsluitend in het Engels. ICT moet betaalbaar zijn voor iedereen, ook voor ouderen met een beperkt inkomen. Dit alles moet verhinderen dat een digitale kloof ontstaat: niet enkel tussen de generaties (vooral een kenniskloof) maar ook tussen ouderen onderling (sociale kloof).
4. Geen schending van de privacy. Een andere belangrijke eis met betrekking tot de ICT van de toekomst is dat ze geen aanleiding mag geven tot schending van de privacy. De ouderen pleiten voor veilige toepassingen in e-commerce en e-government. Vooral wat betreft de gezondheidszorg (e-health, elektronische patiëntendossiers,…) zijn ouderen bezorgd over misbruik van hun persoonlijke gegevens.
Dit toekomstbeeld werd in een laatste fase van het project, midden juni 2004, voorgelegd aan een multidisciplinaire groep van 16 deskundigen. Hun opdracht was duidelijk: “Als dit de toekomst is waar we naartoe willen, wat moet dan vandaag allemaal ondernomen worden om dit mogelijk te maken?” Deze oefening (‘backcasting’) leverde een flink aantal beleidssuggesties op.
Alle beleidssuggesties, ook diegene die tijdens de nabesprekingen door de ouderen werden geformuleerd, werden geordend volgens de centrale elementen van het door de ouderen gewenste toekomstbeeld. Deze lijst van ideeën werd in eerste instantie vergeleken met reeds bestaande acties en/of beleidsinitiatieven (cfr. het in 2004 door het kabinet van Staatssecretaris Vanvelthoven verspreide overzicht ‘E-inclusie in de praktijk. 70 beleidsinitiatieven en 200 antwoorden vanuit de praktijk. Niet-exhaustieve inventaris van antwoorden uit de praktijk en beleidsinitiatieven met betrekking tot de vermindering van de digitale kloof. Voorbereidend document voor de redactie van een nationaal e-inclusie-plan’). We behielden enkel de nieuwe en meer creatieve ideeën.
Deze shortlist werd tot slot nog éénmaal voorgelegd aan een iets beperktere multidisciplinaire groep van acht deskundigen, eind september 2004. Zij duidden de voor hun meest prioritaire en relevante ideeën aan en werkten deze verder uit.
Projecttitel: Meeting of Minds. European Citizens Deliberation on Brain Sciences
Projectbeschrijving: Het viWTA neemt in dit project deel aan een Europees project (9 landen, 11 partners) met als doel te komen tot een advies van een Europees burgerpanel (126 burgers uit 9 landen) over de ontwikkelingen in het brede domein van hersenwetenschappen. Het viWTA is samen met een Waalse partner (Spiral, Universiteit van Luik) verantwoordelijk voor het Belgische luik. In dit kader zullen we in de loop van 2005 een Vlaams Publieksforum inrichten over hersenwetenschappen.
Projectleiders: Stef Steyaert, Willy Weyns
Projectteam: Interne uitvoering, enkel voor de facilitering zal een uitbesteding gebeuren.
Projectperiode: november 2004 - juni 2006
Publicaties: Connecting Brains and Society. The present and future of brain science: what is possible, what is desirable? Proceedings and synthesis report of the European Workshop, Amsterdam, 22 en 23 april 2004.
“Wat zullen we doen met de nieuwe kennis over onze hersenen?” Dit is de centrale vraag in een internationaal project waaraan 11 partners uit 9 landen deelnemen. Onder hen TA-instellingen (Denemarken, Nederland en Vlaanderen), wetenschapsmusea (Groot-Brittanië, Duitsland, Frankrijk en Italië), foresight-instellingen (Griekenland) en universiteiten (Groot-Brittannië, Wallonië). Het initiatief voor deze samenwerking lag bij de Koning Boudewijnstichting, dat ook de coördinatie op zich neemt. Samen schreven deze partners het afgelopen anderhalf jaar een voorstel dat eind november 2004 definitief werd goedgekeurd door de Europese Commissie (6e kaderprogramma, ‘Science en Society’-luik). De financiering van dit project bestaat enerzijds uit de ter beschikking gestelde Europese onderzoeksgelden, anderzijds uit een dotatie van de Koning Boudewijnstichting.
Het viWTA is samen met Spiral, een onderzoeksinstelling van de Luikse universiteit, verantwoordelijk voor het Belgische deel. De motivatie om aan dit grote project te participeren is duidelijk. Naast technologisch aspectenonderzoek, behoort wetenschappelijk aspectenonderzoek tot onze opdracht. In dit project krijgen we een unieke kans om binnen een vrij pril wetenschapsdomein denkwerk te verrichten en informatie te verzamelen over de maatschappelijke aspecten ervan. Dat dit in belangrijke mate gebeurt op basis van publieks-, expert- en stakeholderparticipatie is voor het viWTA een extra argument. Bovendien garandeert het projectontwerp dat we de Vlaamse resultaten ook op het Vlaamse beleidsniveau kunnen valoriseren.
De kern van het project is een Europees publiekspanel van 126 leden, veertien uit elk deelnemend land. Het Belgische panel zal worden samengesteld uit zeven afgevaardigden uit het Vlaamse panel (dat zelf ook bestaat uit veertien leden) en zeven uit het Waalse panel. Het proces begint met een bijeenkomst in elk land apart. De deelnemende burgers kunnen zo met elkaar en met het proces kennis maken. Deze vergadering moet hen ook voorbereiden op de eerste Europese bijeenkomst, begin juni 2005. Tijdens dit weekend zullen de 126 Europese burgers, op basis van zes goed gedocumenteerde gevalstudies (bv. ADHD, depressie, Alzheimer,…), debatteren over welke thema’s en vragen hen bezighouden rond hersenwetenschappen en hun toepassingen. Dit werk moet resulteren in een lijst met enkele kernvragen. Deze vragen neemt elk nationaal panel mee naar huis. Daar komen ze tijdens twee weekends bijeen (september – oktober 2005) om, vanuit hun eigen nationale context, na te denken over de antwoorden op deze vragen. Een eerste weekend discussiëren en praten ze hoofdzakelijk onder elkaar. Het tweede weekend wordt gebruikt voor een grondige interactie met experts en stakeholders. Dit alles mondt uit in een nationaal rapport dat aan de relevante beleidsmakers (in ons geval het Vlaams Parlement) zal worden overgemaakt. Tijdens een tweede Europese bijeenkomst vergelijken de burgers hun respectieve resultaten. Waarover zeggen ze hetzelfde? Waar zitten de verschillen? Hoe verklaren ze deze verschillen en wat leren ze daaruit? Ook deze discussie zal uitmonden in een aantal conclusies en aanbevelingen. Deze zullen aan de Europese Commissaris voor Wetenschapsbeleid worden overhandigd.
Op 22 en 23 april vond in Amsterdam een eerste grote activiteit plaats in het kader van dit project. Bijna 20 Europese top-level experts en stakeholders discussieerden er met elkaar en met de leden van het consortium over de belangrijke thema’s en aspecten binnen de hersenwetenschappen. Deze discussie vormde de input voor de finalisering van het projectvoorstel en voor de selectie van de zes gevalstudies die aan de burgers zullen worden voorgelegd. De bevindingen van deze workshop werden gepubliceerd in het boek ‘Connecting Brain and Society’ dat verkrijgbaar is op het secretariaat van het viWTA.
Verder werd in de loop van 2004 door alle partners hard verder gewerkt aan het projectvoorstel. Het viWTA leverde, gezien zijn expertise terzake, een aanzienlijke bijdrage aan het vormgeven van de participatieve aanpak voor dit project. Dit gebeurde tijdens een zestal vergaderingen, gespreid over het jaar. Het voorstel werd eind oktober 2004 ingediend, eind november ontvingen we het bericht dat het was goedgekeurd door de Europese Commissie.
Projecttitel: E-democratie voor Vlaanderen. Stand van zaken.
Projectleider: Robby Deboelpaep en Stef Steyaert
Projectbeschrijving: kortlopende verkennende studie over de definitie, omschrijving en stand van zaken van e-democratie, als onderdeel van e-governance. Nadruk op de stand van zaken in Vlaanderen. Voornaamste doel zijn kennisopbouw en afbakening van het onderwerp.
Projectperiode: april-mei 2004
Publicaties: E-Democratie voor Vlaanderen – Stand van zaken, Leo Van Audenhove, Bram Lievens, Bart Cammaerts, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2005, 87 p.
Projectuitvoerders: Leo Van Audenhove, Bram Lievens, Bart Cammaerts (VUB-SMIT en IBBT)
De controverse rond e-democratie wordt gesitueerd in de ruimere context van de door een aantal waarnemers vastgestelde ‘crisis’ van de representatieve democratie en de ‘kloof’ tussen burger en politiek. De discussie rond e-democratie is in grote mate gericht op het dichten van die kloof en is dan ook te verruimen tot de discussie rond participatie in het politieke proces.
E-democratie moet geplaatst worden in de ruimere context van e-governance en wordt vaak in een adem genoemd met e-government. Alhoewel die twee begrippen een band hebben en een aantal overlappende elementen bevatten, mag men ze niet verwarren. De finaliteit is verschillend: e-government is in grote mate gericht op efficiëntie en kostenreductie, e-democratie daarentegen op meer effectiviteit, consultatie en participatie in het beleid.
M.b.t. de instrumenten voor e-democratie kan een onderscheid worden gemaakt tussen de aard van de instrumenten (internetgebaseerde instrumenten, naar het internet vertaalde instrumenten en specifieke instrumenten van besluitvorming) en de situering van ICT in de beleidscyclus (cyclus van Agendering, Analyse, Beleidsontwerp, Implementatie en Toezicht en evaluatie). De concentratie van e-democratie op het niveau van Agendering en Analyse wordt in de literatuur aanbevolen. Nochtans liggen ook mogelijkheden open op het vlak van Implementatie en Toezicht en evaluatie. In het rapport wordt nader ingegaan op de instrumenten en de situering in de beleidscyclus en worden daar een aantal concrete en actuele voorbeelden van gegeven.
Vrij algemeen kan worden gesteld dat het overgrote deel van de initiatieven opgezet wordt door de executieve en dat de rol van de wetgevende macht hier eerder beperkt blijft. Toch geeft bij voorbeeld het Schotse Parlement aan dat ook hier mogelijkheden voor burgerparticipatie liggen.
E-democratie en technologie zijn op zich geen drijvende kracht voor sociale verandering. Maar ICT kan wel een meerwaarde realiseren in een weloverwogen participatief proces met een concrete doelstelling. Bepalende succesfactor voor e-democratie is dus een procesmatige aanpak, waarbij het gebruik van e-instrumenten als een onderdeel en slechts als een beperkt aspect van een participatief proces moet worden gezien. De auteurs waarschuwen voor overtrokken verwachtingen en raden omzichtigheid aan: negatieve ervaringen kunnen ondemocratische gevoelens opwekken of versterken. Bijzonder belangrijk is een onafhankelijke en onpartijdige moderatie.
De voornaamste te verwachten voordelen van e-democratie zijn: deelname is niet gebonden aan een plaats en tijdstip (waardoor asynchrone deliberatie mogelijk wordt), de verbreding en verdieping van participatie en discussie, een genuanceerdere visie op de politiek vanwege de burger, een beter inzicht in de leefwereld van de participanten en een kwaliteitsverbetering van de beleidsvorming en –evaluatie. Maar er zijn ook knelpunten. De schaalgrootte kan problematisch zijn, net als de representativiteit. Misbruik door bepaalde groepen m.b.t. de representativiteit en/of de neutraliteit is mogelijk. Tenslotte bestaat het risico dat e-democratie niet ingebed wordt in een politiek of in een ruimer participatief proces, maar een doel op zich is, of een losstaand element.
De casestudies nopen tot enige voorzichtigheid: niet alle ervaringen met e-democratie zijn positief. E-democratie is verbonden met de politieke systemen en de politieke cultuur. Buitenlandse voorbeelden of (goede) praktijken zijn niet altijd zonder meer overdraagbaar naar de Vlaamse context.
Het spreekt vanzelf dat de overheid als taak heeft bij e-democratie rekening te houden met de digitale inclusie, die dikwijls verbonden is met de bredere problematiek van sociale inclusie. Zolang de digitale kloof niet overbrugd is, moeten vele kanalen open gehouden worden (multikanaalsbenadering).
E-democratie is in Vlaanderen geen thema als dusdanig. Er is wel een zekere tendens dat de uitvoerende macht (e-government) zich ook op het terrein van de e-democratie begeeft. Maar in tegenstelling tot b.v. Groot-Brittannië of Nederland zijn de discussies rond en de ervaring met e-democratie in Vlaanderen vrij recent. Meer onderzoek is nodig, want de expertise op dit gebied is beperkt en diffuus, zowel institutioneel, in het politieke veld, in de private sector, in het middenveld als in de academische wereld. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld hoe het middenveld in Vlaanderen tegen e-democratie aankijkt. Het aanvoelen bestaat dat e-democratie weinig kans op slagen heeft in gevallen waar het proces lijnrecht ingaat tegen de belangen van het middenveld.
In oktober en november 2004 is Sunna Lenaerts stagair geweest bij het viWTA. Zij was een laatstejaarsstudente Communicatiewetenschappen van de VUB. Haar stageopdracht bestond uit een beknopt onderzoek van de privacy-aspecten in e-governance. Dit onderzoek was een element in de voorbereiding van een vervolgscenario van het project over e-democratie. Vanuit het literatuurverkennend onderzoek werd via e-mail een beperkt opinieonderzoek gestart bij een aantal experts uit verscheidene vakgebieden.
De resultaten van de bevraging werden verwerkt door de viWTA-onderzoekers. Een overgrote meerderheid van de experts is het erover eens dat bijkomende maatregelen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zich opdringen in de domeinen van e-government en e-democratie. Vooral het motief van het verhogen van het vertrouwen wordt als beweegreden hiervoor naar voren geschoven. Met betrekking tot e-democratie moet bijzondere zorg worden besteed aan de intimiteit en het waarborgen van de vrije meningsuiting. Een duidelijke meerderheid is ook gewonnen voor het gebruik van een intermediaire organisatie (‘trusted agent’) om het loskoppelen van mening en identiteit te vereenvoudigen en te begeleiden. Zo kan het vertrouwen van de burger opgekrikt worden. De empirische vaststelling dat e-democratie een bijzonder vraagstuk vormt binnen de algemene privacyproblematiek, sluit aan bij een van de conclusies uit het literatuuronderzoek.
Projecttitel: Stand van zaken e-gezondheidszorg in Vlaanderen. Voorstudie van maatschappelijke vraagstukken met betrekking tot e-health in Vlaanderen.
Projectleider: Stef Steyaert.
Projectbeschrijving: Kortlopende beschrijvende voorstudie rond de definitie, omschrijving en stand van zaken van e-gezondheidszorg in Vlaanderen. Voornaamste doel is kennisopbouw en afbakening van het onderwerp.
Projectuitvoerders: Mark Leys en Leen Potloot, Vakgroep Medische Sociologie, VUB.
Projectperiode: april-mei 2004.
Publicaties: Stand van zaken e-gezondheid in Vlaanderen, Mark Leys, Leen Potloot, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2005, 41 p.
E-gezondheidszorg is een containerbegrip dat ruwweg in drie categorieën kan worden verdeeld: e-zorg (concrete zorgverlening aan en behandeling van patiënten), e-zorgondersteuning (logistieke en organisatorische ondersteuning) en e-volksgezondheid (ter beschikking stellen van gezondheidsinformatie).
Zowel op Vlaams, nationaal als op Europees vlak is de interesse voor e-gezondheidszorg de laatste jaren sterk toegenomen. Binnen Europa past dit binnen de Lissabon-strategie (zie onder meer het elektronisch ziekteverzekeringbewijs en de uitwisselingsnetwerken). Op federaal Belgisch niveau richt men zich momenteel op drie punten:
· kwaliteitsbewaking van e-gezondheidszorgsystemen;
· standaardisering en beveiliging van elektronische gegevensuitwisseling;
· ontwikkeling van het gezondheidsnetwerk en het elektronische patiëntendossier.
Op Vlaams niveau bouwt men, binnen e-government, aan concrete toepassingen: de elektronische inschrijving bij het Vlaams Fonds, een laagdrempelige portaalsite van Kind en Gezin, het elektronisch coördinatiepunt voor kinderopvang, de vaccinatiedatabank.
E-gezondheidszorg heeft als bijzonder relevant maatschappelijk aspect dat het onderhevig is aan andere marktvoorwaarden dan de traditionele marktmechanismen. De ontwikkelingen op dit gebied zijn bij uitstek voorwerp van maatschappelijk debat. Hiermee rekening houdend moet een aantal onderwerpen bijzondere aandacht krijgen in het debat over e-gezondheid:
· een technologiebeleid gestuurd door behoeften. Een doordacht technologiebeleid focust op de prioritaire toepassingen. Een e-gezondheidsbeleid dat gestuurd wordt door behoeften en afgestemd is op de specifieke noden van de sector en de doelgroepen, verdient meer aandacht. Een goed georganiseerd platform waar technologieontwikkelaars en potentiële gebruikers elkaar ontmoeten, is wenselijk. Voor de nabije toekomst is er een debat en ontwikkelingswerk nodig over de integratie van breedbandtoepassingen, nanotechnologie, “ubiquitous computing” en “ambient intelligent technologies”;
· effectieve en efficiënte toepassingen. Eén van de wezenlijke vraagstukken is het aantonen in welke mate buitenmedische technologische innovaties bijdragen tot de verbetering van de gezondheidstoestand;
· privacy en toegang tot gezondheidsgegevens. Privacy is niet alleen uit technisch maar ook uit maatschappelijk en conceptueel oogpunt een moeilijk probleem. Hoe kan men de beveiliging en de bescherming van de gegevens organiseren en technisch realiseren?
· gevalideerde informatie. E-gezondheid opent een aantal mogelijkheden om de “kennis” ter beschikking te stellen van de burger, cliënt of patiënt. Meer debat en onderzoek naar de manier waarop informatie effectief afgestemd kan worden op individuele, sociale en culturele kenmerken van de doelgroepen zal de efficiëntie van e-health toepassingen doen toenemen;
· toegang tot technologie. Er bestaat een reële dreiging dat e-gezondheid de kloof tussen “haves” en “have-nots” een stuk groter zal maken. Bij een publiek goed zoals gezondheid moet men daar een debat over houden en oplossingen suggereren.
Het belangrijkste resultaat van deze studie is een verzameling suggesties voor verdere projecten. Vooral het privacyaspect wordt als cruciaal beschouwd, in het bijzonder in een domein zoals e-gezondheid. Het debat rond het mondig maken (“empowerment”) van de patiënt via de informatievergaring is een debat met heel wat maatschappelijke uitdagingen (valideren van informatie, effectief gebruik van informatie, implicaties voor de consumptie van gezondheidszorg, …)
Projecttitel: Technologische innovatie en Technology Assessment
Projectleider: Stef Steyaert
Projectbeschrijving: In dit project vormt een theoretische analyse over de relatie tussen het innovatiedenken enerzijds en de praktijk ervan anderzijds de vertrekbasis om te onderzoeken hoe de relatie tussen theorie en praktijk van innovatie in Vlaanderen de laatste 30 jaar is geëvolueerd. Hierbij wordt de rol van parlementaire TA toegelicht, naast andere kennisactiviteiten rond innovatie en technologie (foresight, benchmarking,…).
Projectteam: Prof. Dr. Ruud Smits, Copernicus instituut, Universiteit Utrecht, Dr. Pim den Hertog, Dialogic, Prof. Dr. Lieve Goorden, STEM, Universiteit Antwerpen
Projectperiode: 1 december 2003 tot 30 juni 2004
Publicaties: Memorandum over het innovatiebeleid in Vlaanderen, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2004, 14 p.;
Drie uitdagingen voor het innovatiebeleid in Vlaanderen, Brussel, Vlaams instituut voor wetenschappelijk en technologisch aspectenonderzoek, 2004, 16 p.
Begin mei 2004 leverden Prof. Dr. Ruud Smits en Pim Den Hertog van de universiteit van Utrecht en Lieve Goorden van de universiteit van Antwerpen hun eindrapport af, in het kader van de viWTA-onderzoeksopdracht ‘Technologische innovatie en Technology Assessment’. Het eerste deel, geschreven door het Nederlandse onderzoeksteam, beschrijft de bestaande kennis over innovatiedenken en de mate waarin dit denken de feitelijke innovatiepraktijk beïnvloedt (en vice versa). Het stuk van Lieve Goorden beschrijft de innovatiepraktijk in Vlaanderen de afgelopen 25 jaar. In een afsluitend hoofdstuk mondt het samenbrengen van inzichten uit deze twee delen uit in enkele suggesties voor het beleid, geformuleerd als uitdagingen.
Deze uitdagingen kunnen zeer bondig als volgt worden samengevat:
1. Er is een behoefte aan een visie op innovatiebeleid en het formuleren van maatschappelijke doelstellingen voor een innovatiebeleid. Dit veronderstelt o.m. een evenwicht tussen het ‘top-down’ sturen en het ‘bottom-up’ laten groeien van innovatiebeleid. Daarnaast moet een debat over de uitdagingen en visies gebaseerd zijn op relevante verkenningen, scenario’s en gegevens.
2. Aanwezige kennis in Vlaanderen moet verankerd worden door de uitbouw van innovatienetwerken. Dit kan o.m. door het creëren van synergieën, het uitbouwen van virtuele onderzoekscentra, het opzetten van publiek-private samenwerkingsinitiatieven en het goed beheer van de innovatiecyclus (van ontdekking/vinding tot valorisatie).
3. Een krachtig innovatiebeleid heeft nood aan een breed maatschappelijk draagvlak. Dit veronderstelt o.m. een grotere betrokkenheid van het brede publiek bij het tot stand komen van het innovatiebeleid en een regelmatig terugkerend innovatieplan waarover kan worden gedebatteerd in het parlement.
De resultaten van dit project werden in juni 2004 ter kennis gegeven van de regeringsonderhandelaars in een ‘Memorandum over het innovatiebeleid in Vlaanderen’. In oktober 2004 werden de drie hierboven vermelde uitdagingen uitgewerkt in het document ‘Drie uitdagingen voor het innovatiebeleid in Vlaanderen’. Op 1 februari 2005 werd deze tekst besproken in de verenigde commissies voor Economie, Werk en Sociale Economie, en voor Onderwijs, Vorming, Wetenschap en innovatie.
Projecttitel: Technology assessment, duurzame ontwikkeling en ethiek
Projectleider: Willy Weyns
Projectbeschrijving: Deze studie is een verkenning van de onderlinge verhoudingen van drie perspectieven en praktijken. Ze speurt naar mogelijkheden om de methodologie van het parlementaire technologische aspectenonderzoek op een gestructureerde wijze te verrijken met de invalshoeken van de duurzame ontwikkeling en de ethiek.
Projectteam: M. Duewell, K. Waelbers, P. Sollie en F. Brom (Ethiek Instituut, Universiteit Utrecht)
Projectperiode: januari - december 2004
Publicaties: Geen
Dit project werd onderworpen aan een peer review.
Ethiek komt zowel bij het brede publiek als bij de politici meer en meer in de belangstelling. Tijdens het eerste publieksforum van het viWTA over genetisch gemanipuleerde organismen in de voeding, was het gemis aan een kader om de ethische dimensie in te vullen duidelijk voelbaar. Zowel in het technologische aspectenonderzoek als in de duurzame ontwikkeling is de ethische dimensie ontegensprekelijk aanwezig, maar dan wel impliciet. Daarom werd beslist te onderzoeken of een ethische toetsing de methodologie van het parlementaire technologische aspectenonderzoek zou kunnen verrijken. Als dit zou lukken, dan zou het viWTA bij de volgende participatieve processen zijn instrumentarium gaandeweg kunnen verrijken met een ethisch toetsingskader, waardoor de ethische dimensie duidelijker en systematischer tot haar recht zou komen.
Het viWTA laat zijn projecten op scharniermomenten begeleiden en eventueel bijsturen door externe experts. De begeleidingscommissie van dit project bestond uit:
· Kris Bachus (Hoger Instituut voor de Arbeid HIVA, Sector Duurzame ontwikkeling)
· Jan De Smedt (Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling FRDO)
· Joachim Leilich (Universiteit Antwerpen)
· Mark Leys (VUB)
· Bernard Mazijn (Centrum voor Duurzame Ontwikkeling UGent, lid van de Raad van Bestuur van het viWTA)
· Jan Staman (Rathenau Instituut, Nederland)
· Sigrid Sterckx (UGent)
· Raoul Weiler (KULeuven, Club van Rome / Brussels –EU Chapter)
· Jan Verheeken (MiNa-Raad)
Het organiserend comité bestond uit:
· Freddy Mortier (lid van de Raad van Bestuur van het viWTA)
· Robby Berloznik (directeur van het viWTA)
· Willy Weyns (onderzoeker bij het viWTA)
De uitvoerder van het onderzoek werkte nauw samen met de projectleider en met de begeleidingscommissie. De betrokkenen hebben frequent overlegd en het project talloze malen bijgestuurd. Twaalf sleutelfiguren uit de drie werkgebieden uit Vlaanderen, Nederland, Duitsland, Noorwegen, Denemarken, Zwitserland en Spanje werden geïnterviewd. Baanbrekend werk werd verricht in het situeren van de drie werkgebieden en praktijken ten opzichte van mekaar. Hoe zijn ze historisch gegroeid? Hoe komen ze gaandeweg dichter bij elkaar in hun participatieve praktijken? Wat kunnen ze van mekaar verwachten en hoe kunnen ze mekaar verrijken? Hieromtrent is duidelijkheid geschapen. Ook is een aantal illusies weggevallen. De studie heeft echter niet het verhoopte concrete en praktisch hanteerbare instrument of kader opgeleverd voor ethische toetsing. Deze uitdaging zal in de toekomst allicht opnieuw moeten worden aangegaan.
De studie bracht interessante lacunes aan het licht. Zo moet de ‘politieke ethiek’ of de verhouding van participatieve TA-adviezen tot het wetgevend werk van politiek gemandateerden, uitgeklaard worden. Zo gezien was deze verkennende studie een noodzakelijke eerste stap in het exploreren van de ethische dimensie van de TA-activiteiten.
Projecttitel: The Institutionalisation of Ethics in Science Policy; Practices and Impact (INES)
Projectleiders en -team: Willy Weyns, m.m.v. Els Van den Cruyce
Projectbeschrijving: Dit project vergelijkt de verschillende manieren om ethiek te institutionaliseren in het wetenschapsbeleid. Het schat de impact van ethiek in beleidsvoering in, gaat op zoek naar “beste praktijken” en stimuleert de dialoog over dit onderwerp.
Projectperiode: februari 2004 – januari 2007 (Work Package 1 werd in 2004 afgewerkt)
Publicaties: The State of Debate on Incorporation of Ethics in Policymaking (INES WP1 Rapport), E. Mordini en R. Ricco, CSSC, Roma, Italia, 55 p.
The Institutionalisation of Ethics in Science Policy of INES is een driejarig Europees project (2004-2007) over de inbedding van ethiek in het wetenschaps- en technologiebeleid.
Het viWTA nam in 2004 actief deel aan werkpakket 1 ‘Stand van zaken aangaande de inbedding van ethiek in de beleidsvoering rond wetenschap en technologie’. In dit werkpakket zat de constructie van een vragenlijst, de analyse van de antwoorden en resultaten en de bijbehorende discussie. Daarbij kwam een aantal culturele verschillen en conceptuele problemen naar boven. Daarom zijn ‘werkdefinities’ voorgesteld, die geldig zijn voor het gehele INES-project. Dit alles gebeurde in twee workshops, georganiseerd door de coördinatoren van dit werkpakket, Emilio Mordini en Roseline Ricco van het Center for Science and Citizenship te Rome. Voor de eigen landelijke bijdrage hebben de leden van het consortium opzoekwerk verricht. De resultaten van werkpakket 1 werden, onder de leiding van de coördinatoren, neergeschreven in een eindrapport.
In 2005 speelt het viWTA een actieve rol in werkpakket 4 ‘Ethiek in de medische genetica’ en werkpakket 5 ‘Ethiek in de voedingstechnologie’. Deze deelname ondersteunt de valorisatie van de resultaten van andere viWTA-projecten met een uitgesproken ethische dimensie, met name het publieksforum over genetisch gewijzigde voeding (2003) en de studie ‘Technology Assessment, duurzame ontwikkeling en ethiek’ (zie hoofdstuk 4.12 van dit jaarverslag).
Bovendien is het viWTA coördinator van werkpakket 7, de organisatie van de conferentie waarop alle resultaten bekend worden gemaakt. De conferentie in Brussel in 2006 is een kans om de algemene problematiek in de belangstelling te brengen, niet alleen in het Vlaams Parlement, maar in heel Vlaanderen en Europa.
In de loop van 2004 hadden twee coördinerende werkvergaderingen plaats respectievelijk in Madrid en in Rome. Consortiumcoördinator Ruth Chadwick (ECRC, Lancaster University) had de leiding.
In december 2003 bracht het viWTA, in samenwerking met de Koning Boudewijnstichting, een Engelstalig praktijkgericht handboek over participatieve en prospectieve methoden uit. Het handboek behandelt de opkomst en het belang van participatieve en prospectieve methoden en bakent het begrip verder af. Het boek reikt ook enkele criteria aan die de lezer in staat moeten stellen om een afweging te maken over welk methode wanneer is aangewezen. De hoofdmoot van het boek bestaat uit een reeks fiches waarin tien methoden uitvoerig worden toegelicht. Geen theorie, maar zeer concrete stappenplannen, checklists, controlelijsten, tips,…
Alle 1.200 exemplaren van de eerste druk gingen in de loop van 2004 de deur uit. De toolkit is dus volledig uitverkocht. Het handboek werd in de loop van het jaar gebruikt ter ondersteuning van een aantal opleidingen in participatieve methoden. Zo werd het meegegeven aan de cursisten van de ‘training participatieve methoden’ van de Koning Boudewijnstichting. Ook de bijna 100 Vlaamse ambtenaren die deelnamen aan een studiedag van de Administratie Planning en Statistiek over expert- en stakeholderparticipatie ontvingen een exemplaar. Gezien het succes en de uitputting van de voorraad besliste het viWTA, samen met de Koning Boudewijnstichting, tot een nieuwe verbeterde en vertaalde druk. In het voorjaar van 2005 zullen de Nederlandstalige exemplaren van dit handboek van de persen rollen.
“De mens vindt geen genoegen meer in wat de natuur hem biedt, iedereen kan zijn lichaam naar eigen inzicht reconstrueren. Worden we in de toekomst allemaal lookalikes van Brad Pitt en Jennifer Lopez? Schoonheid is een obsessie geworden, de cosmetica van het mes een fenomeen.”
“En hoe zit het met de technologie van het klonen? Mogen we zomaar voor God spelen? Bovendien zouden in een monotone klonenmassa, een zotte Van Gogh of een dove Beethoven geen kans krijgen om een meesterwerk te scheppen.”
“Technologie blijft in de eerste plaats een hulpmiddel om ons leven gemakkelijker te maken, maar dat moet binnen de grenzen van het veilige en het ethisch verantwoorde.”
Citaten uit ‘De maakbare mens’, de schrijfwedstrijd van het viWTA
In het eerste trimester van 2004 heeft het viWTA in samenwerking met EOS en Technopolis een schrijfwedstrijd georganiseerd voor scholieren uit de tweede en de derde graad van het secundair onderwijs. Meer dan 1.200 scholen kregen een poster en inschrijvingsformulieren in de bus. Het thema was ‘De maakbare mens’. Op die manier wilde het viWTA het maatschappelijke debat over wetenschap en technologie in het Vlaamse onderwijs stimuleren. De interesse van de scholieren was verrassend groot. Uit meer dan 150 inzendingen selecteerde het viWTA de 20 beste essays voor een shortlist. De bovenstaande citaten zijn maar enkele voorbeelden van de boeiende teksten die ingezonden werden.
De jury koos dan de zes winnaars, op basis van de kwaliteit van hun teksten, de originaliteit, de interpretatie van het onderwerp en het taalgebruik. De winnaars werden bekendgemaakt, tijdens het Wetenschapsfeest in de Grenslandhallen in Hasselt op 23 oktober 2004.
Els Van den Cruyce, onderzoeksmedewerker van het viWTA, organiseerde de jurering en de prijsuitreiking.
Samenstelling van de jury:
· Robby Berloznik, directeur van het viWTA , voorzitter van de jury
· Peter Graller, communicatieverantwoordelijke viWTA
· Filip Van Brabander, hoofdredacteur EOS-magazine
· Kris Van den Bremt, Vlaams Parlement “De kracht van je stem”
· Margot Vanderstraeten, journalist, columnist, auteur
· Pieter Van Dooren, wetenschappelijk verantwoordelijke Technopolis
De winnaars van de tweede graad secundair onderwijs waren:
· Eerste prijs: Gijs Van Laer, Don Bosco Hoboken
· Tweede prijs: Katrien Van Hoof, Sint-Jozefscollege Turnhout
· Derde prijs: Karolien Michiels, Sint-Claracollege Arendonk
De winnaars van de derde graad secundair onderwijs waren:
· Eerste prijs: Kris Verburgh, Sint-Jan Berchmansinstituut Puurs
· Tweede prijs: Lynn Hopchet, Onze-Lieve-Vrouwcollege Edegem
· Derde prijs: Thomas Kestens, Sint-Jozefscollege Aalst
De winnaars met een eerste prijs ontvingen 1.000 euro, waarvan 500 euro voor de school. Hun teksten werden gepubliceerd in het EOS-nummer van januari 2005. De tweede en derde prijs bedroegen respectievelijk 200 en 100 euro voor de laureaten. Op de dag van de prijsuitreiking werd aan de zes laureaten ook de bouwdoos ‘Het Vliegend Eiland’ overhandigd, naar aanleiding van de tentoonstelling van Panamarenko die op dat moment te bezichtigen was in het Vlaams Parlement. Ten slotte werden de zes winnaars en hun 14 opvolgers ook beloond met een abonnement op het tijdschrift EOS.
In 2004 eiste de werking van het viWTA een grote hoeveelheid gedrukt materiaal: posters, flyers (voor de Kyoto-lezingen en voor de opvoering van het toneelstuk ‘Achter de schermen van de toekomst’), wetenschappelijke eindrapporten (van het programma Energie en klimaat), enz. Drukwerk is duur. Het was dus belangrijk om de kosten te beheersen. Om die reden heeft het viWTA zoveel mogelijk een beroep gedaan op de Drukkerij van het Vlaams Parlement. Ze is voor kleinere oplagen merkelijk goedkoper dan een externe drukker en dit zonder significant kwaliteitsverlies. Bovendien zijn de klantvriendelijkheid, de snelheid en de flexibiliteit van de parlementaire drukkerij zonder meer exemplarisch.
In oktober 2004 heeft het viWTA zich voorgesteld aan de nieuwe parlementsleden. Met het oog daarop is in augustus 2004 een DVD gemaakt. Door de audiovisuele mogelijkheden van dit medium, konden vier inhoudelijke elementen gecombineerd worden:
· een vlotte inleiding, ingelezen door Lute Vanduffel (VRT Radio) en gemonteerd op een aantrekkelijke selectie van beelden;
· een presentatie van de structuur van het viWTA in gemakkelijk toegankelijke website-stijl;
· een overzicht van alle documenten die het viWTA op dat moment kon aanbieden;
· enkele fragmenten uit de toneelvoorstelling ‘Achter de schermen van de toekomst’, die voor ongeveer 600 senioren werd opgevoerd in het kader van het project ‘Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs’.
De DVD is op de eerste plaats bedoeld voor het Vlaams Parlement. Hij wordt ook gebruikt als relatiegeschenk en in de relaties met de pers. Deze DVD is geproduceerd in samenwerking met Stef Steyaert.
Al in 2003 voelde het viWTA de nood aan een relatiebeheersysteem, dat de adressen van de talrijke correspondenten en hun talrijke relaties met het viWTA gemakkelijk toegankelijk en hanteerbaar zou maken. In augustus en september werden twee jobstudenten Hoger Onderwijs geëngageerd, Matthias Dewilde en Frans Deglinne. Zij hebben in Microsoft Access een relatiebeheersysteem geprogrammeerd op maat van het viWTA. De praktijk heeft uitgewezen dat hun programma nog enkele bugs bevat, maar zij beletten het functioneren niet. Op dit moment worden maatregelen genomen om ze weg te werken.
De inbreng van Robby Deboelpaep bij het tot stand komen van het relatiebeheersysteem was zeer groot.
In augustus en september 2004 is de communicatie van het viWTA doorgelicht door twee externe specialisten: Eric Goubin van Memori in Mechelen (een expert overheidscommunicatie) en Han Renard (journalist bij Knack). Het ging om een beperkte doorlichting die per evaluator slechts twee dagen in beslag nam. De evaluatoren interviewden dhr Berloznik en de communicatieverantwoordelijke. Daarnaast bestudeerden ze de website en alle documenten die betrekking hadden op de communicatie van het viWTA. Hoewel Han Renard en Eric Goubin hun eigen accenten leggen, zijn hun conclusies voor het overgrote deel gelijklopend.
Beide evaluaties stellen vast dat het viWTA over een aantal sterke punten beschikt. Er is een duidelijke communicatiereflex aanwezig. De huisstijl is degelijk. Academisch en ambtelijk jargon worden in het algemeen vermeden. Er is eensgezindheid over het feit dat het parlement de belangrijkste doelgroep is. Maar tegelijk zien beide experts een aantal tekortkomingen. Een solide communicatieonderbouw ontbrak tot nu toe. Ook een grondig communicatieplan en een langetermijnvisie ontbraken in 2004. Aangezien het viWTA een relatief jonge organisatie is die in een zeer specifieke context werkt, is dit niet onbegrijpelijk. Het Communicatieplan 2005 wil een stap in de goede richting zetten.
Han Renard en Eric Goubin vonden de volgende punten voor verbetering vatbaar.
Het viWTA zou in de toekomst moeten werken aan een duidelijk profiel: wie of wat is het viWTA en wat wil het viWTA precies bereiken? De verscheidenheid aan activiteiten en invalshoeken maakt het moeilijk om uit te leggen wat de organisatie doet. De on-Nederlandse naam ViWTA maakt het communiceren ook niet eenvoudiger. Er is al gesuggereerd dat ‘Samenleving en technologie’, de tweede naam van het viWTA, een veel helderder profiel mogelijk zou maken.
De organisatiedoelen (studie en analyse, het structureren en stimuleren van het maatschappelijk debat, informeren van doelgroepen,…) zouden beter gekoppeld moeten zijn aan communicatiedoelen. Het viWTA leed in het verleden ook in zekere mate aan ‘zelfreferentialiteit’, en ging dus vooral aanbodgericht te werk. Beide experts benadrukken het belang van persoonlijke contacten en mondelinge communicatie met de doelgroepen.
Beide experts raden ook aan om bij communicatieactiviteiten in het vervolg doelgroepen en deeldoelgroepen voorop te stellen. Eenmaal die segmentering is doorgevoerd is het zaak om prioriteiten te stellen: wie moet welke informatie/communicatie krijgen en op welke manier?
In het verleden heeft het viWTA zich te weinig afgevraagd wat met een specifieke communicatie beoogd werd en kon worden. Daarom vraagt de communicatie-evaluatie meer aandacht voor de communicatiefasen waarin een doelgroep zich kan bevinden. Moet de aandacht van de doelgroep getrokken worden? Is er al interesse, of heeft hij informatie nodig voor zijn concrete werk? Elk geval vraagt een andere aanpak.
Beide auteurs raden aan om meer aandacht te besteden aan de gespecialiseerde pers: nichebladen, vakbladen, academische tijdschriften, tijdschriften van middenveldorganisaties en NGO’s… De opbrengst is in verhouding met de inspanning wellicht veel groter. Ze merken op dat bij communicatie een keuze moet worden gemaakt: “Het viWTA moet niet over al zijn activiteiten communiceren”. Wel nodig zijn meer communicatiemomenten met het Vlaams Parlement.
Tenslotte stelden Han Renard en Eric Goubin vast dat nogal wat viWTA-betrokkenen verschillende verwachtingen koesteren over de communicatie. Om deze reden dringt Goubin aan op verwachtingsmanagement. Daarmee bedoelt hij het scherp stellen van algemene doelen en meer specifieke doelstellingen m.b.t. concrete issues (bepaalde projecten, doelgroepen…). Een dergelijke vorm van verwachtingsmanagement kan frustraties en discussies voorkomen.
De communicatie-evaluatie is meteen ter harte genomen. Om de informatieverstrekking aan het Vlaams Parlement te stroomlijnen, is de communicatieverantwoordelijke in het najaar van 2004 gestart met de ontwikkeling van twee nieuwe producten: het Kenniskompas en het viWTA-Dossier.
Het Kenniskompas wil de informatiebehoefte van de Vlaamse Volksvertegenwoordigers prikkelen en interesse opwekken. Het onderwerp is één welbepaalde technologische of wetenschappelijke ontwikkeling. Het Kenniskompas geeft daarvan de context, het maatschappelijke belang, de knelpunten en enkele interessante aandachtspunten voor parlementsliden… Een Kenniskompas is altijd vier bladzijden lang, heeft een herkenbare lay-out en wordt extern gelay-out en gedrukt.
De topics worden in de mate van het mogelijke gepresenteerd in aparte, informatieve hoofdstukjes en kadertjes. De geïnteresseerde lezer krijgt ook aanwijzingen voor verdere lectuur.
Een Dossier is langer en diepgaander dan een Kenniskompas. Het is dus minder geschikt om de interesse te prikkelen, maar bevat veel meer informatie. Een Dossier vormt een degelijke introductie tot een bepaald domein, beter dan een informatieve nota. Het mikt minder op snelheid en meer op het aanbieden van een overzicht. Het eerste Dossier werd begin 2005 gepubliceerd en is gewijd aan ‘Bouwen, wonen en energie’.
Ook een Dossier heeft een kenmerkende, verzorgde en aangename lay-out, en wordt extern gelay-out en gedrukt. De lengte hangt af van het onderwerp, maar in het algemeen zal een Dossier ongeveer 15 tot 35 bladzijden tellen.
Voor de bekendmaking van de Kyotolezingen werd een massieve informatiecampagne opgezet. Advertenties werden vóór de eerste lezing gepubliceerd in Knack Magazine en maandelijks voor iedere lezing ook in De Standaard en De Morgen. Meer dan duizend potentiële geïnteresseerden werden individueel aangeschreven. Vóór iedere lezing werden posters verspreid aan de Vlaamse universiteiten. Geïnteresseerden konden zich o.m. inschrijven op de website. Deze campagne was succesvol. Hoewel het onderwerp niet eenvoudig was, waren op iedere Kyoto-lezing zeventig tot honderd mensen aanwezig. Het ging daarbij zowel om politici als om vertegenwoordigers van het middenveld en van niet-gouvernementele organisaties, bedrijfsleiders en geïnteresseerde individuen.
Ook in 2004 speelde de website een centrale rol in de werking van het viWTA. Onder meer de inschrijving voor de Kyoto-lezingen was mogelijk op de site en bleek bijzonder effectief. Daarnaast stuurden de bezoekers van de site het viWTA tientallen suggesties en vragen om uitleg.
Bovendien speelde de website de rol van centrale gegevensbank voor het publiek. Alle documenten die het viWTA openbaar maakt, worden op de site aangeboden.
Naast de bovenstaande initiatieven heeft de communicatieverantwoordelijke activiteiten verricht in het kader van de verschillende onderzoeksprojecten.
Voor de peer review van onderzoeksprojecten van het viWTA werd een procedure opgesteld, die met succes toegepast werd op het programma Energie en klimaat. De procedure vertrok van de stelling dat in een volledige kwaliteitscontrole alle aspecten van een studie aan bod moeten komen. Zo werd aanbevolen om de projecten van het programma Energie en klimaat zowel te laten beoordelen door zuivere wetenschappers of technologen, als door TA-specialisten. Deze procedure werd met goed eindresultaat toegepast op het programma Energie en klimaat.
Een aantal volledige eindrapporten en/of de samenvattingen van de onderzoeken werden gedrukt en verspreid en aangeboden op de website. (zie ook hoofdstuk 10. Publicaties).
Rond de opvoering van het toneelstuk ‘Achter de schermen van de toekomst’ werden persberichten verspreid. Dankzij intensieve netwerking, heeft het VRT Radio Eén-programma ‘De Wandelgangen’ een bijdrage gewijd aan het project ‘Kleurrijk Vlaanderen kleurt grijs’.
In april 2004 werd een nieuwsbrief geschreven. Het was meteen de laatste. Aangezien dit product er nooit in slaagde om voor zichzelf een stabiel en duidelijk profiel te creëren, werd besloten om deze nieuwsbrief stop te zetten en in 2005 te vervangen door een E-zine.
Een Engelse vertaling van het Jaarwerkplan 2003-2004 werd gemaakt.
Sedert oktober 2002 is het viWTA lid van het netwerk “European Parliamentary Technology Assessment” (EPTA). Het EPTA-netwerk omvat twaalf TA-instellingen (en vier geassocieerde leden) uit de Europese Unie, die hun parlementen bijstaan met adviezen over de maatschappelijke aspecten van wetenschap en technologie (http://www.eptanetwork.org/). Het viWTA is de eerste TA-instelling van een regionaal parlement die lid werd van dit netwerk. Jaarlijks vinden tenminste twee ontmoetingen plaats tussen de EPTA-leden: één op het niveau van de directies van de organisaties en een jaarlijkse vergadering van het EPTA-bestuur, de ‘Council’, gekoppeld aan een conferentie over een actueel thema rond technologie en samenleving. Daarnaast ging het viWTA het engagement aan om het tweejaarlijkse werkseminarie voor de projectverantwoordelijken te organiseren. Het werkseminarie vond plaats te Diksmuide van 17 tot 18 mei 2004 en kende een groot succes.
Het voorzitterschap van EPTA werd in 2004 waargenomen door de Franse Assemblée, met name het 'Office parlementaire d'évaluation des choix scientifiques et technologiques’ (OPECST). De EPTA Directors’ Meeting vond plaats in Parijs, op 29 en 30 maart 2004. Omdat de agenda niet geheel afgewerkt kon worden, werd een bijkomende vergadering belegd op 27 september 2004.
Aan de Conferentie en de Council van 25 en 26 oktober 2004 werd deelgenomen door een Vlaamse delegatie, bestaande uit Vlaams Volksvertegenwoordiger Trees Merckx-Van Goey en professor Lode Wyns, beiden ondervoorzitter van het viWTA, en door Vlaams Volksvertegenwoordiger Eloi Glorieux, lid van de Raad van Bestuur. De delegatie werd aangevuld met de directeur Robby Berloznik en Robby Deboelpaep, onderzoeker bij het Wetenschappelijk Secretariaat. De conferentie stond in het teken van de Europese steun aan onderzoek en ontwikkeling in de Europese Unie. Op de conferentie gaf de directeur van het viWTA een presentatie over “Technology Assessment and Innovation”. Aan de Council namen delegaties deel van een tiental Europese parlementen. Ze waren samengesteld uit de directeurs van de TA-instellingen, en uit volksvertegenwoordigers van de respectieve parlementen. Er waren een honderdtal aanwezigen.
De ‘Council’ nam akte van de plannen van het viWTA als voorzitter van het EPTA-netwerk voor het jaar 2005. Als belangrijkste doelstellingen voor dit voorzitterschap denkt het viWTA aan de consolidatie van het netwerk en de voorbereiding van EPTA op de uitbreiding van de Europese Unie. Hiermee zal rekening worden gehouden bij de organisatie van de jaarlijkse evenementen (Conferentie en Council). Bovendien zal het viWTA de inhoudelijke voorbereiding op zich nemen van een internationale conferentie, georganiseerd door de Raad van Europa, in september 2005. Parlementairen uit Centraal en Oost-Europa zullen uitgenodigd worden om kennis te maken met het parlementaire technologische aspectenonderzoek.
Ingevolge een halftijdse loopbaanonderbreking van een van de wetenschappelijke medewerkers en omdat de werkbelasting van de individuele onderzoekers van het Wetenschappelijk Secretariaat in het Jaarwerkplan maximaal ingevuld werd, kwamen de werking en de activiteiten van het Wetenschappelijk Secretariaat in 2004 onder druk te staan. Een personeelsuitbreiding drong zich op. Omdat de aandacht op de eerste plaats uitging naar een functie op uitvoerend niveau, werd geopteerd voor de aanwerving van een onderzoeksmedewerker ('junior onderzoeker'). Dit betekende dat in de functiebeschrijving minder aandacht besteed werd aan onderzoekservaring en projectverantwoordelijkheid. Dit voorstel van personeelsuitbreiding werd op 18 maart 2004 door de Raad van Bestuur goedgekeurd. De vernieuwde personeelsformatie werd vervolgens op 31 maart 2004 door de Plenaire Vergadering van het Vlaams Parlement goedgekeurd.
Na de aanwervingsprocedure met succes doorlopen te hebben, werd Els Van den Cruyce op 1 september 2004 contractueel als onderzoeksmedewerker aangesteld.
Het Wetenschappelijk Secretariaat werd eind april versterkt door de detachering van de heer Robby Deboelpaep, gewezen afdelingshoofd Informatica van het Algemeen Secretariaat van het Vlaams Parlement. Dit gebeurde na beslissing van het Bureau van het Vlaams Parlement betreffende de inplaatsregeling. Na goedkeuring door het Dagelijks Bestuur op 30 april 2004, vond de inplaatsing van Robby Deboelpaep onmiddellijk ingang. Hij maakt, als door het Algemeen Secretariaat gedetacheerd opdrachthouder ‘e-government’, deel uit van het Wetenschappelijk Secretariaat van het viWTA. Zijn wedde blijft voor rekening van het Algemeen Secretariaat.
De personeelsformatie van het Wetenschappelijk Secretariaat van het viWTA was bij het afsluiten van dit verslag volledig bezet, met één directeur, drie onderzoekers, één onderzoeksmedewerker, één communicatieverantwoordelijke en één opdrachthouder. Het gaat om de volgende personeelsleden:
Robby Berloznik directeur, in dienst vanaf 1 december 2001
Stef Steyaert wetenschappelijk medewerker, in dienst vanaf 16 april 2002
Willy Weyns wetenschappelijk medewerker, in dienst vanaf 1 mei 2002
Donaat Cosaert wetenschappelijk medewerker, in dienst vanaf 1 augustus 2002
Peter Graller communicatieverantwoordelijke, in dienst vanaf 15 januari 2004
Els Van den Cruyce onderzoeksmedewerker, in dienst vanaf 1 september 2004
Robby Deboelpaep opdrachthouder, in dienst vanaf 1 mei 2004
Sabine Vermeulen secretarieel medewerker, in dienst vanaf 16 februari 2004
Het overleg van het viWTA met de andere para-parlementaire instellingen (De Vlaamse Ombudsdienst en het Kinderrechtercommissariaat) van het Vlaams Parlement werd, zoals in de vorige werkjaren, op regelmatige basis voortgezet.
Met het Algemeen Secretariaat vond op 20 oktober overleg plaats over de introductie van een nieuw Begrotings- en Boekhoudingsreglement in het Vlaams Parlement. Hiertoe werd door de para-parlementaire instellingen, met ondersteuning van het Algemeen Secretariaat, voorbereidend werk verricht, door het opstellen van een begroting en boekhoudingsysteem voor ingang in 2005.
Op de vergadering van 16 november 2004 besliste de Raad van Bestuur dat een voorstel geformuleerd moet worden tot aanpassing van het Huishoudelijk Reglement, met het oog op het laten aansluiten van het werkjaar aan het begrotingsjaar.
In het Huishoudelijk Reglement, zoals het eenparig werd aangenomen door de Raad van Bestuur op 8 mei 2001 en goedgekeurd door het Vlaams Parlement op 6 juni 2001, staat onder Afdeling 2, Artikel 18, 3°, betreffende de directeur, dat deze verantwoordelijk is voor:
“de voorbereiding van het jaarlijkse werkplan inbegrepen de externe communicatie van het Instituut, bedoeld in artikel 5, §2, tweede lid van het decreet. Het werkplan moet vóór 1 oktober bij de Raad van Bestuur worden ingediend.”
Door het vervangen van de tijdsbepaling “vóór 1 oktober” door “vóór 1 december” kan het indienen van een jaarlijks werkplan optimaal aansluiten bij het begin van een budgettair jaar. Bij indiening vóór 1 december kan een goedkeuring volgen gedurende de maand december, waardoor de praktische voorbereiding van de onderzoeksactiviteiten (met o.m. een openbare aanbesteding) kan plaatsvinden vanaf het begin van een nieuw budgettair jaar.
Afdeling 2, Artikel 18, 3° wordt dus:
“de voorbereiding van het jaarlijkse werkplan, inbegrepen de externe communicatie van het Instituut, bedoeld in artikel 5, §2, tweede lid van het decreet. Het werkplan moet vóór 1 december bij de Raad van Bestuur worden ingediend.”
Dit voorstel werd door de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement op 22 december 2004 goedgekeurd.
Op 13 juni 2004 hadden de verkiezingen voor het Vlaams Parlement plaats. Dat had onrechtstreeks een grote invloed op de uitgaven in 2004 en de begroting van 2005.
De plenaire vergadering keurde op 13 oktober 2004 de nieuwe aanstelling van de Volksvertegenwoordigers in de Raad van Bestuur van het viWTA goed. Tussen de verkiezingen en de samenstelling van de Raad van Bestuur konden alleen lopende zaken worden afgehandeld. Bijgevolg kon het Jaarwerkplan 2005 niet vóór 1 oktober ingediend worden, zoals voorzien in het Huishoudelijk Reglement. Met uitzondering van één project, is het Jaarwerkplan 2005 pas goedgekeurd door de Raad van Bestuur van 15 februari 2005.
Het grootste deel van het onderzoek dat hoort bij het Jaarwerkplan 2005 zou in 2004 al uitbesteed en besteld geweest zijn, was 2004 geen verkiezingsjaar geweest. De uitgaven voor de betaling van dat onderzoek zouden dus ten laste van de begroting 2004 geweest zijn. Maar door de laattijdige goedkeuring van het Jaarwerkplan waren dergelijke aanbestedingen en vastleggingen niet mogelijk. Anders dan verwacht, is de uitvoering van het Jaarwerkplan 2005 dus grotendeels voor rekening van de begroting 2005.
Dit heeft twee gevolgen. Enerzijds werd een deel van het voorziene budget voor onderzoeksopdrachten niet uitgegeven in 2004 (zie 8.2, ‘Begroting en aanrekeningen 2004’, tabel 2). Anderzijds werden de voorziene uitgaven in 2005 veel groter dan de uitgaven in 2004 (zie 8.3, ‘Begroting 2005’).
Die toename moest worden opgevangen. Overdrachten van de begroting 2004 naar de begroting 2005 waren niet mogelijk volgens het toen in voege zijnde Boekhoudings- en Begrotingsreglement. Om het onderzoeksprogramma 2004-2005 niet in het gedrang te brengen, heeft het viWTA dus gevraagd aan het Vlaams Parlement om met deze bijzondere omstandigheid rekening te houden en de instelling uitzonderlijk voor het begrotingsjaar 2005 de werkingstoelage van 2004 toe te kennen, aangevuld met een bedrag van €200.000 als compensatie voor het voorziene onderzoeksbudget dat in 2004 nog niet kon besteed of vastgelegd worden.
Het viWTA heeft dus een begroting 2005 voorgelegd aan het Vlaams Parlement die €200.000 hoger is dan de begroting 2004. Dit komt neer op een gevraagde werkingstoelage voor 2005 van €1.529.600. Zoals uit het bovenstaande afgeleid kan worden, is deze €200.000 volledig terug te vinden op de begrotingspost Onderzoeksopdrachten.
De Raad van Bestuur van het viWTA stelt de begroting op, overeenkomstig het Artikel 11 van het Huishoudelijk Reglement. De Raad keurde de begroting voor 2004 goed op 16 oktober 2003. Op 8 december van dat jaar werd ze voorgelegd aan het Vast Bureau van het Vlaams Parlement en de plenaire vergadering keurde ze goed op 15 december 2003, in uitvoering van Artikel 16 van het oprichtingsdecreet. Dat schrijft voor dat het Vlaams Parlement jaarlijks de kredieten vaststelt die nodig zijn voor de werking van de Raad van Bestuur en het Wetenschappelijk Secretariaat van het viWTA.
De begroting 2004 was een uitgavenbegroting, zoals die werd opgesteld door de financiële diensten van het Algemeen Secretariaat. Het was de laatste begroting van deze vorm, vermits vanaf 2005 door het Vlaams Parlement een analytische boekhouding wordt gevoerd (zie ook hoofdstuk 8.3).
|
Alle bedragen zijn in € |
Totaal krediet |
Aanrekening |
|
Salaris |
330.000 |
329.665,82 |
|
Kinderbijslag |
8.100 |
7.965,22 |
|
Vakantiegeld |
18.200 |
18.112,71 |
|
Eindejaarstoelage |
10.100 |
10.015,54 |
|
Schooltoelage |
3.500 |
3.463,32 |
|
Patronale bijdrage |
55.600 |
55.603,60 |
|
Onkostenvergoeding |
10.000 |
12.072,23 |
|
Verzekering AO |
1.800 |
1.796,01 |
|
Verzekering BA |
200 |
122,52 |
|
Verzekering dienstverplaatsingen |
200 |
189,25 |
|
Bijdrage dienst maatschappelijk welzijn |
7.000 |
6.974,48 |
|
Totaal |
444.700 |
445.980,70 |
Tabel 1. B: begroting en
aanrekening 2004 - personeel
|
Alle bedragen zijn in € |
Totaal krediet |
Aanrekening |
|
Reis- en verblijfskosten |
25.000 |
16.829,01 |
|
Erelonen en vergoedingen voor expertises |
30.000 |
12.926,72 |
|
Interimbureau’s |
7.500 |
2.149,66 |
|
Onderzoeksopdrachten |
400.000 |
81.757,42 |
|
Duurzame kantoorbenodigheden |
600 |
591,05 |
|
Kantoorbenodigdheden voor direct gebruik |
3.300 |
3.272,42 |
|
Papier |
2.500 |
0 |
|
Briefpapier, enveloppen… |
8.000 |
2.221,56 |
|
Ondersteuning Algemeen Secretariaat |
24.800 |
24.800,00 |
|
Frankering en verzending |
16.500 |
15.391,06 |
|
Telefoon |
4.000 |
3.006,23 |
|
Huur en onderhoud bureaumateriaal, -meubelen |
900 |
466,29 < |